Posted by

800 per uur

Een uur tennissen.
Een uur joggen aan een stevig tempo.
Een uur voetballen met een normale intensiteit.
Een uur zwemmen à rato van vijftig meter per minuut.
Een uur fietsen met een gemiddelde snelheid van twintig kilometer per uur.

Bovenstaande activiteiten hebben één ding gemeen: je verbrandt er om en bij de 800 kilocalorieën mee. Dagelijks op die manier sporten biedt bovendien meer: de kans op overgewicht en obesitas neemt uiteraard af, maar ook de bloeddruk en de slechte cholesterol verlagen én de kans op osteoporose en op ouderdomssuiker wordt drastisch gereduceerd. Fijn.

Het is echter niet aan mij besteed. Niet meer.
Dat was dus ooit anders. Want ooit – in mijn voorhuwelijkse bestaan, that is – trok ik dagelijks, de weekends inclusief, een kilometer baantjes in het plaatselijke zwembad. Twee à drie keer per week ging ik vijf kilometer joggen. En ik had bovendien een abonnement bij de fitnessclub.

En tóch sport ik nog.
Op dagelijkse basis, zelfs.
Niet zelden van ‘s morgens tot tot negen uur ‘s avonds.
Weliswaar beoefen ik geen erkende sport, maar ik verbrand evenzeer 800 kilocalorieën per uur.
Ik ben namelijk een tuinier. Op professionele basis bovendien. Een topsporter, kortom.
Want ik train zowat alle spieren van mijn lichaam. Als ik hark, train ik mijn buik-, schouder- en rugspieren. Als ik gras maai, train ik mijn been- en armspieren. Onkruid wieden? Goed voor de rug- en schouderspieren. Ik graaf en ik spit, ik plant en ik snoei, ik til en ik trek, ik timmer en ik zaag, ik maai en ik frees, ik klim en buig en strek me dat het een lieve lust is.
Bovendien creëer ik.
Maak ik mensen gelukkig.
Én verdien ik.

Hobbysporters zijn janetten, zeg ik u.

Kreunend klinkers kruien, kloppen & kliederen

De onlineadvertentie ging als volgt:
‘Gekuistte klinkers – ongeveer een remork vol – zelf af tehallen – voledig gratis – kontakt via mial’.
Mooi zo. Waarmee ik geenszins op de spelling doel. Wie ooit al eens tweedehandssites ten gronde uitploos, weet hoe het met de taalvaardigheid van Jan(ina) Modaal is gesteld.
Soit. Ik wilde een verhoogd plantenbordertje metselen. Doorgaans gebeurt zulks met bakstenen. Maar nu de klinkers in de ‘verniet’-aanbieding stonden, zouden het klinkers worden. Ik heb een eer hoog te houden, weet u nog?

Ter plaatse gearriveerd, troonde de gulle aanbieder me mee naar zijn achtertuin. “Het zal een beetje sjouwen worden, maar jij ziet er nogal een potige kerel uit.” De mens had een pijpenla als tuin: nauwelijks meer dan tien meter breed, maar om en bij de honderd meter in lengte. U mag twee keer raden waar de klinkers zich bevonden.
Ik tilde de kruiwagen uit mijn aanhangwagen en begon aan mijn eerste wandeling van ruim tweehonderd stappen. Met een lege kruiwagen doet een mens zoiets met twee vingers in de neus, met een volle bak verloopt zulks al een pak minder fluks. Wat bleek echter toen ik bij de stapel opeengegooide klinkers arriveerde? Dat ‘gekuist’ blijkbaar danig verschilt van regio tot regio.
“U ziet, menere, ze zijn proper gekuist.”
“Eh, ik had me een gekuiste klinker toch nét even anders voorgesteld.”
“Ik heb minutieus alle groen- en algenaanslag verwijderd met een schuurborsteltje en javel. Ja, een mens is daar een tijdje mee bezig.”
“Niet dat ik u wil corrigeren, maar eigenlijk wordt met ‘gekuist’ bedoeld dat alle cement- of stabiliséresten zijn verwijderd. Enfin, bij ons toch.”
“Goh, maar daar heb ik gene tijd voor, menere. Ik zeg altijd: een gegeven paard breek je de bek niet open, hè!” Wat volgde was een bulderlach waarmee een tandenrij werd ontbloot die slechts in de ergste nachtmerries der paradontologen figureert. De ermee gepaard gaande ademstoten herkende ik dan weer: gin. Puur.

Ik had de mens vriendelijk kunnen bedanken en stante pede een ongeladen retourtje maken. Maar kijk, beste lezer, mijn ware aard speelde eens te meer op: die van lamme goedzak. Soms kijk ik met je reinste minachting op mezelf neer.
Hoeveel keer ik dat tuinpad op en neer ben gedokkerd, weet ik niet meer. Maar toen ik naderhand in mijn auto stapte, diende ik mijn zetel een tandje of twee achterwaarts te dirigeren wegens aardig uitgerekte armen.

En zo komt het dat ik al menig avondje stenen heb gekapt. O nee, ik ben er nog lang niet. Tijd en goesting ontbreken me daarbij niet zelden. En ook het, ahum, prachtige lenteweer gooit te vaak roet in het eten.
Ter afwisseling van deze dorre klus heb ik gisteren al wat gemetseld. Na drie uur zuchten, kreunen en af en toe een vloek, wist ik een enigszins herkenbare aanzet te construeren. Ik ben geen metser en zal het ongetwijfeld ook nooit worden. Maar met de wijze woorden van de multigetalenteerde doe-het-zelver Roger indachtig – “Wat je zelf doet, doe je meestal beter!” – vertikte ik het om een hulplijn in te roepen.
Lezen er overigens metsers mee? Kijk dan even weg, wilt u? Nog minstens een stenenrij of drie, vier te gaan. En nee, de achterkant blijft niet open; zo ver raakte ik gisteren geeneens:

En zo – of er althans enigszins op gelijkend - moet het uiteindelijk gaan worden, ook qua beplanting:

Als de klus geklaard is, vertel ik u wat meer over Cypripediums, de bovenstaande feeëriek bloeiende schonerds waar zowel mijn madam als ikzelf gaandeweg smoor op zijn geworden.
Doch als u me nu wilt excuseren: mijn mortel wordt hard.

[ Foto's 1 & 2: Menck | foto's 3 & 4: Judith Prins ]

En u?

Deze week ontving ik een mail van iemand die mijn blog leest. Gewoon lezen en nimmer reageren. Een lurker, kortom, en dat gaf hij zelf grif toe. Maar wel een trouwe lurker. Want hij volgt me al sinds mijn blog nog gewoon ‘Menck’ heette en het gehost werd door een andere provider dan WordPress. Ook ‘Kerekewere’, ‘Mohow’, ‘Monumenck’, ‘Kielzog’ – herinnert u ze nog? – en thans ‘Twaait’ bezocht en bezoekt hij op regelmatige basis. Fijn.
Van iemand een mail ontvangen die nooit reageert, is al bij al toch een beetje verrassend. Temeer omdat zijn schrijven niet bepaald overliep van enthousiasme.
Laat ik even citeren:

Je blog is veranderd. Niet meteen ten goede. Flora en fauna komen te veel aan bod. Vroeger was het een toffe mix van de meest uiteenlopende onderwerpen, en dat vond ik aangenaam. Vooral je columns, doorgaans fictieve onzin (positief bedoeld!), las ik graag. Nu schrijf je nog haast uitsluitend over tuinieren, planten en beestjes. Vandaar mijn vraag: is Twaait een ordinaire (sic) groenblog geworden waar geen plaats meer is voor stukjes zoals vroeger? Dat zou ik erg jammer vinden. Daarom mijn oproep aan jou: kerekewere!

Tja. Daar sta je dan. Toch wel een beetje bouche bée, eigenlijk. Zowaar een reprimande, al dan niet terecht. Want tenslotte loopt mijn pen over waar mijn hart van vol is. Misschien té vol, als ik deze mens mag geloven. Want vroeger was het beter. Gevarieerder. Beweert hij.
Oké, dit is het schrijven van slechts één persoon. Quantité négligeable, welhaast. Maar ís dat wel zo? Want misschien zijn er wel meer mensen die er eender over denken. Dat merk ik doordat er vroegere lezers (en reageerders) lijken af te haken. Maar ik merk evenzeer dat er nieuwe bijkomen. Die mijn floristische praat wel te pruimen vinden. Denk ik dan.

Daarom vraag ik het u: houden zoals het is? Of toch maar terug naar de gevarieerdere versie? Mij is het eender; ik vind beiden oké. Vandaar mijn toevlucht tot deze vox populi.
Het reactieluik is all yours, net als onderstaande poll.

UPDATE 06/05:
Op vandaag, zijnde zondag 6 mei om 22:00, laat de poll niets aan duidelijkheid te wensen over: 62,5 % van de stemmers wil de huidige koers die ik met dit blog vaar behouden zien en slechts 37,5 % wil terug naar de oude richting. Ook in de commentaren sluit u zich daar grotendeels bij aan.
Waarom zou ik me daar eigenlijk iets van aantrekken, vroegen prompt enkele reageerders. Omdat bloggen een tweerichtingsspel is: ik schrijf graag én ik streef ernaar dat wat ik schrijf ook graag gelezen wordt. De reacties die daaruit volgen, vormen samen met het schrijven de interactie die van het bloggen net die boeiende bezigheid maakt.
Het aantal mensen dat van mijn vorige blogs meer pap lustte, is echter geenszins te verwaarlozen. Dientengevolge zal ik geregeld eens het druk bewandelde pad van fauna en flora verlaten en een weg inslaan die me gans andere richtingen opstuurt. Zo wordt de mix voor u en voor mij een stuk fascinerender.
Dat ik vroeger veel méér schreef, weet ik. Helaas ontbreekt me daartoe thans de tijd.
Mensen die opperen dat ik niet te veel aandacht moet wijden aan tuingezever (sic) en groen simpelweg ordinair (eveneens sic) vinden, hebben duidelijk niet de minste voeling met de mens achter dit blog. Doch elk zijn mening, zoveel is zeker.

Rest er mij nog u enorm te bedanken voor de stevige respons op dit stuk. Uw reacties hebben tal van vraagtekens uiteen doen spatten. Al zal ik wel eeuwig een twijfelaar blijven. Denk ik.

Op het eerste gezicht: mei

Eén mei: de Dag van de Arbeid, maar ook een nieuwe editie van ‘Op het eerste gezicht’, het maandelijkse fijne initiatief van groenblogster AnneTanne. Ik pakte dat vandaag net even anders aan dan voorheen: in plaats van de traditionele ‘vanop een afstand’-foto’s, schotel ik u dit keer met graagte ook wat meer detailbeelden voor.

Mei staat te onzent te boek als de maand van de grote aanpak. Er wordt naar hartenlust ge- en verplant, gestekt en gedeeld, de prima functionerende compostbakken worden duchtig aangesproken en – dit jaar anders dan vorige jaren – de vrij aanzienlijke winterschade wordt opgeruimd en de alzo vrijgekomen ruimtes worden van lentefrisse flora voorzien. Een gedwongen partiële verjongingskuur, zeg maar. Later deze maand zal ook nog de winterstructuur van de tuin onder handen worden genomen: buxus- en taxusbollen, -kegels en -hagen worden getrimd, klimop en Leylandii worden geschoren en ook bepaalde heesters zullen een beurt van de groenkapper ontvangen.

Ondanks het triestige weerbeeld van de afgelopen maand, bruisen zowel onze tuin als wijzelf begin mei van het leven. Madam Menck ging vandaag de jammerlijk door vorst gevelde Liguster met de takkenschaar te lijf. Ondergetekende hanteerde daarna de zware boomspade om het omvangrijke wortelgestel te verwijderen. Op onderstaande foto ziet u de helft van mijn bed in volle actie. Ook de Buddleja davidii achter haar heeft de afgelopen winter niet overleefd. Onze spieren en spade hebben vandaag overuren geklopt. Hetzelfde kan gezegd worden van de hakselaar.

Er was ook volop bedrijvigheid te bespeuren op en tussen de laatste dotterbloemen. Meer zelfs: er werd aldaar duchtig en geheel onbeschaamd achterwaarts in de poes genaaid:

Deze gekke wezentjes met hun enigszins zonderlinge voortplantingswijze zijn wantsen, meer bepaald de Palomena prasina. Een Nederlandse naam lijkt niet voorhanden, maar ik noem ze voortaan Brusselmanswantsen.

Heel wat dramatischer ging het er aan toe in de zinken teil. Op het eerste gezicht nochtans een idyllisch plaatje met wat dotterbloempjes, vers ontluikende waterflora en een verdwaald molensteentje ervoor:

Niks is minder waar, want bij nader toezicht bleek daar een zevenstippelig kleinood een strijd op leven en (verdrinkings)dood te voeren:

Gelukkig was blogger dezes nabij en reikte hij de stakker – na eerst een foto van zijn ellende te hebben genomen – een reddende vinger aan. Mister Pim Pajoen moest daarna nog zowat een kwartier drogen op de molensteen alvorens de vlucht te kunnen hervatten:

Maar voor de rest was de tuin op deze zonnige eerste mei vooral peis en vree, zoals u onderstaand kunt bemerken.

[ Foto's: Menck - Alle foto's zijn aanklikbaar voor groter ]

Bloesems à gogo!

Het zijn erbarmelijke tijden voor tuiniers. Toch voor zij die, gelijk ik, om den brode de aarde door hun handen laten glijden. Glijden is in dezen overigens een bewuste woordkeuze, want met de drieste druilerigheid die de weergoden ons al twee weken ongenadig voorschotelen, verandert zelfs de droogste zandgrond in slijk.
En dus pel ik mezelf, gepaard gaand met een slurpend geluid, elke avond van mijn autozetel, laat na het uitstappen twee liter water uit mijn broekspijpen gutsen en ledig vervolgens mijn laarzen. Aan de voordeur gekomen kleed ik me, om te vermijden dat mijn madam een kleffe dweil richting mijn nek stuurt, helemaal uit alvorens de woning te betreden. Zulks levert elke dag opnieuw wegschuivende gordijntjes op in het gebuurte waar ik resideer, waarna er een fluitconcert volgt waar menig bouwvakker nog een punt kan aan zuigen. Ik bof maar wat met zo’n sympathieke en meelevende buurvrouwen. Als ik me vervolgens in hun richting draai om hen – dankbare mens als ik ben – een hoofdknik ter appreciatie te doneren, weerklinken prompt vele oohs en aahs als één langgerekte zucht uit menig keel. Omwille van zoveel intense empathie stap ik zinderend naar binnen.
Mijn kletsnatte kloffie zwier ik trefzeker in de trommel van de wasmachine om daarna linea recta richting douche te denderen. Wijl ik enthousiast ‘Daar is de lente, daar is de zon’ neurie, dringt de weldadige warmte van de wijd uitwaaierende waterstraal tot in het diepst van elk mijner lichaamsvezel. De avond kan beginnen.

En de afgelopen avonden van die vermaledijde dagen, beste lezer, begonnen – u zult het nooit anders zien – na quasi elke verregende werkdag gegarandeerd met een staalblauw uitspansel waartegen de koperen ploert gemeen grijnzend gloorde. Gisteravond was er weer zo eentje. Met dat verschil dat de grote sierkers gigantisch aan het exploderen was. Een bom van openbarstende bloesems boorde zich recht in mijn hart dat terstond vuur en vlam vatte. Wat zich voor mijn ogen ontrolde in een tempo zo teder en traag, ontlokte me niet min dan extatische euforie. Deze boom, die vijftien jaar geleden als onooglijke stengel het debuut onzer flora belichaamde, is heden uitgegroeid tot een oogverblindende reuzin van ruim tien meter hoog. Ze was wild aan het wiegen in de hier immer heersende westenwind, zo nu en dan een bloesemtros loslatend waardoor de onderliggende amfibiepoel in sneltempo een wit waterkleed werd aangemeten.

Ik maak u dan ook met graagte deelgenoot van le moment de gloire van deze elegante dame. Moge de lente thans écht een aanvang nemen.
O ja: klikt u vooral de foto’s aan voor grotere exemplaren. Onderstaande flutformaatjes doen haar gratie geen goed.

Maar ook andere bloesems geven dezer dagen het beste van zichzelf:

[ Foto's: Menck | aanklikbaar voor groter ]

Vraagje tussendoor

Naar verluidt zou de mogelijkheid om op mijn blog te reageren momenteel redelijk onbestaande zijn. Aldus de mail die ik vandaag van een bezorgde bezoekster ontving. Ze schreef me meer bepaald:

“Vanaf het moment dat ik op uw blog wil reageren, krijg ik een blauw scherm over de pagina die opnieuw geladen moet worden en dat lukt blijkbaar niet.”

Nu vraag ik u, beste lezer, om eens te checken of zulks klopt. Want bij mij stelt het probleem zich natuurlijk niet; ik sta – logischerwijze – ingelogd bij Twaait.
Anders gezegd: probeert ú eens te reageren. Met eender welke respons. ‘Test’ is prima, maar ook ‘ollekebollekerebusolleke’ mag gerust.

Bij voorbaat dank, vaneigens.

P.S.: mocht u effectief niet kunnen reageren, stuur me dan gerust een mailtje ter melding:
menck1 at hotmail dot com

De uil uithangen

“Hang de uil niet uit, Menck. Trop is teveel. Ik vind dat het onderhand welletjes is geweest.”
“Er zijn nog lege vakken, schat. Die mag ik toch wel opvullen?”
“O, maar daar heb ik totaal geen bezwaar tegen. Zolang je die vijf nog lege letterbakken maar meteen terug op zolder legt.”
“Jammer.”
“Maar helaas.”

[ Foto's: Menck | aanklikbaar voor groter ]

The sky is crying

‘The sky is crying,
can’t you see the tears roll down the street?’

[ Stevie Ray Vaughan ]

De hemel huilde vandaag onafgebroken toen ik onze drie kapotgevroren hebe’s van hun takken ontdeed. Bij iedere knip van mijn snoeischaar trok er een pijnscheut door mijn tuiniershart.
Na de vermaledijde winterprik liet ik het overmaatse trio nog wekenlang staan, stiekem hopend op een heropleving. Het luttele groen dat resteerde, verloor echter steeds meer zijn glans. Vandaag hakte ik de knoop door en hun wortelstronken los.
‘Ach, wat zijn nu drie hebe’s?’ hoor ik u denken. ‘No big damage done, toch?’
Onderstaande foto spreekt zulks duidelijk tegen. Dat er verdorie drie ferme gaten geslagen zijn in mijn borders, beste lezer. De grootste der kleppers palmde niet minder dan 5,5 (vijf en een halve!) vierkante meter tuin in. Beseft u wel hoeveel eieren de paasklokken daarin kwijt konden?

[ Foto: Menck ]

Verkeersinfo

Even uw aandacht voor het volgende verkeersbericht: door het verlies van een lading palen staat er een file in de Dolomietlaan ter hoogte van de Groene Rotonde. In de kop van de file kwam het tot een kettingbotsing waarbij verschillende zware bakken betrokken raakten. Er zullen dranghekkens worden geplaatst om ramptoerisme te vermijden.
De jaarlijkse vlucht naar de lente gaat traditioneel gepaard met veel hinder. Groen wordt hierbij opnieuw met de vinger gewezen en eens te meer in de grond geboord.
Tot zover deze berichtgeving.

Op het eerste gezicht: april

Tuinieren op 1 april is toch een enigszins hachelijke bezigheid, zeker als je Madam Menck heet en een vent die niet vies is van wat plagerijtjes als partner hebt. Maar kom, de buren die deze namiddag op bezoek kwamen, hebben eens goed kunnen gniffelen. En straks vertel ik mijn madam wel dat er iets op haar jas kleeft.

Het begin van de maand luidt traditioneel ‘Op het eerste gezicht’ in, dat toffe projectje van AnneTanne. In februari en maart gaf ik verstek omdat de tuin te weinig visueel geëvolueerd was, maar thans valt er duidelijk al wat meer groen te bespeuren.
Volgt u me tuinwaarts? Alle onderstaande prentjes zijn, ten faveure van de slechthorenden, aanklikbaar gemaakt.

Tenslotte serveer ik u nog een handvol detailbeelden van deze zondagnamiddag:


Anemone blanda ‘Blue Shades’


Ook de druivelaar is terug van de partij


Hosta’s sieboldiana doen van neuzeke-neuzeke


Erythronium


De meiklokjes groeten april


Kleur in de schaduw: Epimedium

[ foto's: Menck ]

Als de tuinman afwezig is, neemt de natuur over

Bovenstaande foto’s dateren alweer van 2004. Het zijn vruchten van mijn reeds lang ter ziele gegane compactcameraatje. Ik vond ze terug op een externe gegevensdrager. In die tijd maakte ik wél nog geregeld een back-up van mijn bestanden, iets wat ik sinds kort overigens wéér doe. Een goeie ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen, moet u weten.
U ziet onze vijver in een gestage evolutie: van winter over prille lente naar late lente. Opmerkzame lieden zullen ook de toen acht jaar jongere kont mijner madam ontwaren. Mijn wederhelft was, lenigjes voorovergebogen, onder meer een verbeten strijd aan het voeren tegen het wild om zich heen slaande zevenblad. Sommige dingen veranderen nooit. Ik heb het helaas niet over de kont. Thans wordt het zevenblad trouwens veeleer gehurkt of zittend bestreden. We worden er niet jonger op, ziet u.

Revenons à nos moutons: de vijver op de foto’s. Deze in rubberfolie gevangen middelgrote plas – 12.000 liter, maximale diepte 1,4 meter, door metselwerk gescheiden moeraszones – werd aanvankelijk bevolkt door vissenfamilies, maar werd later veroverd door padden, kikkers en salamanders. De vissen verdwenen met stille trom. Een trom van het merk ‘reiger’, helaas.
Dat die poel een ideale biotoop is voor amfibieën, mag geen verwondering wekken. Glashelder water, een dik pak zuurstofplanten en afdoende randbeplanting stellen die beesten namelijk erg op prijs. Volop zwem-, paai- en overwinteringsruimte ook. Het is een vijver zoals ik hem graag heb: planten zorgen voor de zuivering (al zat er in de beginjaren even een filter op), er is een voldoende gevarieerde submerse en oeverflora en het wateroppervlak staat, ook ’s zomers, garant voor een sufficiënt spiegeleffect. Vanop ons terras de wolken zien voorbijdrijven in de lichte rimpeling is van een ongekende zaligheid, zeker als zulks gebeurt met, pakweg, een gin-tonic in de hand.

Vergt zo’n plas ook onderhoud?
Yep.
De eerste jaren beperkt het zich vooral tot het verwijderen van draadalgen en de voorjaarsopkuis van de randbeplanting. Later wordt het intensiever: de draadalgen mogen dan al achterwege zijn gebleven, de resterende flora neemt wél in omvang toe. Van waterlelies moeten de afgestorven bladeren en bloemen worden verwijderd om de vorming van bodemslib in te tomen. Ze moeten te zijner tijd ook al eens gedeeld worden, want die kerels groeien als kool: waterlelie uit de vijver nemen, splitsen en jonge stekken opnieuw aan het water toevertrouwen. Een kutklus. Een mens wordt er ook zo nat van.
Zuurstofplanten hebben de neiging te exploderen qua groei. Dat betekent jaar na jaar uitdunnen.
En het nauwst in de gaten te houden fenomeen heet heveling. Moerasplanten gaan zich vanuit het water namelijk steeds stringenter wortelen in de oeverzone. Dan komt het er op aan die jongens voor te zijn indien u niet wilt dat u elke week de vijver dient bij te vullen. In mijn geval betekent zulks alle omzomende bangkirailatten losschroeven, de eronderdoor geslopen wortels van de moerasplanten afsnijden om alzo hun verbinding met het land een halt toe te roepen en de plankenhandel weer vastschroeven. In één zin omschrijf ik hier een halve dagtaak.

Maar vanaf 2009 verwaterde mijn tomeloze vijverinzet. Met het waarom wil ik u niet lastigvallen. Het komt er kortweg op neer dat ik de boel de boel liet. En zie, een aloude stelling liet zich al spoedig gelden: als de tuinman afwezig is, neemt de natuur over. Heden kan ik dan ook niet anders dan met lede ogen Het Grote Verval aanschouwen. Wat eens een idyllische vijver was, is nu nog slechts een overwoekerde put. Je reinste stinkput bovendien. Het – danig gezakte – water ruikt naar methaan, de amfibieën zoeken andere oorden op en de ganse plas werd ingepalmd door de nietsontziende waterlelies. Die laatsten vlochten zich in elkaar, ontgroeiden hun manden en werden, mede door hun buitenmaatse oppervlakte, opwaarts gestuwd. Dit voorjaar zien ze er dan ook veeleer uit als een soortement drijvend onherbergzaam eiland waarop quasi elke vorm van leven in de kiem wordt gesmoord. Een eiland dat ongetwijfeld enkele honderden kilo’s weegt en met louter mankracht onmogelijk nog uit het water te tillen valt.

De ellendigste tuinklus in het bestaan mijner lochting ligt anno 2012 grijnslachend op me te wachten: de vijver volledig leegmaken, alle troep en bodemslib verwijderen en helemaal van nul herbeginnen.
Welke goeie ziel stuurt me een groot pak moed?

De dotterbloemen trekken zich gelukkig niks aan van het verval aan hun voeten:

[ Foto's: Menck | aanklikbaar voor groter ]

“Oeps, te hard geremd…”

[ Foto's: Menck ]

Daar is de lente, daar is de zon

Daar is de lente, daar is de zon
Bijna, maar ik denk dat ze weldra zal komen.
De Phallus impudicus staat al in bloei
En de blaadjes krijgen bomen.

Mijn vrouw en mijn kat zijn allebei krols
Het valt me moeilijk ze rustig te houwen.
Ik zal binnenkort weer een heleboel
Nesten moeten bouwen.

Daar is de lente, daar is de zon
Bijna, maar ik denk dat ze weldra zal komen.
De Phallus impudicus staat al in bloei
En de blaadjes krijgen bomen.

De bloempotten barsten open met ’n knal
En de meisjes ontbloten de kuiten.
De bouwvakkers hebben na een nare tijd
weer iets om naar te fluiten.

Daar is de lente, daar is de zon
Bijna, maar ik denk dat ze weldra zal komen.
De Phallus impudicus staat al in bloei
En de blaadjes krijgen bomen.

Daar is de lente, daar is de zon
Bijna, maar ik denk dat ze weldra zal komen.
De Phallus impudicus staat al in bloei
En de klokken vertrekken naar Rome.

De mussen verzamelen zich om te gaan slapen in de klimop.

De blauweregen is gesnoeid, essentieel voor een rijke bloei.

De duizenden knoppen op de stevig uit de kluiten gewassen Japanse kerselaar kondigen een megabloei aan voor volgende maand.

Het krentenboompje ontwikkelt in sneltempo zijn bladerdek.

Prille bladvorming op de Spirea. Dra volgen de witte bloempjes.

Zelfs de noordelijkst gelegen tuinkamer baadt al in de avondzon.

In de zinken teil prikken de hostaneuzen de grond open. Rechts: Skimmia japonica.

Waar vorige maand nog kale aarde was, barst thans de flora open. Een dagelijks veranderend beeld.

De Rhus typhina tooit zich met fluweel.

De avondzon kietelt een verweerd borstbeeldje.

Ook de klimhortensia is aan een opmars bezig.

Een eenzame narcis buigt zich over Sempervivum.

Chablis heeft de kolder in de kop.

De Pachysandra bloeit.

Jaarlijks weerkerende wilde viooltjes. Zoek het lieveheersbeestje!

Volgens Frank Deboosere is het te warm voor de tijd van het jaar. Deboosere is een oetlul.

Euphorbia characias (Wolfsmelk). Velen zijn helaas gesneuveld door de moorddadige winterprik.

Die lucht!

Schoenlappersplant op het einde van zijn bloei.

Om in te bijten: blauwe druifjes.

In de vijver ontwikkelt zich een dotterbloem. Dra volgt de bloei.

De bloemen van de Pieris japonica lijken wat op meiklokjes. Geuren doen ze echter niet.

De clematissen hebben allemaal de strenge winter overleefd.

[ Foto's: Menck - aanklikbaar voor groter ]

Aan de tand gevoeld

Ze stak twee dikke wattenproppen onder mijn bovenlip. Ik trachtte me voor te stellen hoe ik er ten gevolge van deze simpele ingreep uitzag. Mijn verbeeldingsvermogen reikte niet verder dan Bugs Bunny.
Mijn linkerkaak werd vervolgens opzij geduwd en verankerd door een hightech uitziend instrumentje dat wat weg had van een miniatuurautokrik. Daarmee werd tevens mijn mond wijd opengespalkt. Tenslotte pleurde ze zonder enige voorafgaande waarschuwing een luid slurpende speekselzuiger onder mijn tong.
Mocht iemand in die omstandigheden een foto van me hebben genomen, ik had hem prompt een muilpeer verkocht en zijn camera tot schroot herleid.
“Ik ga nu eerst een foto nemen,” hoorde ik haar achter mijn rug verklaren. Reflexmatig klemden mijn handen zich om de armleuning van de gekantelde stoel. “Een obligate röntgenopname,” vervolgde ze. Mijn greep verslapte instant.
Nadat ze de foto had genomen en me daarna quasi pijnloos twee verdovende injecties had toegediend, volgde de gruwel: mevrouw knoopte een gesprek met me aan in afwachting van de volledige gevoelloosheid mijner gebit.
“Mooi weertje, hè?”
Op deze dooddoener van jewelste was een antwoord geven met een ongewild opengesperde mond vol watten en ijzerwerk nog vrij makkelijk: “Ja.” Ter staving: plug in elke uithoek van uw mond een wijsvinger, trek uw lippen zo ver mogelijk vaneen en zegt u dan eens “Ja”. U ziet: zulks verloopt vlekkeloos. Zelfs een ontkenning is nog mogelijk.
Hachelijker werd het toen ze me vroeg of ik in de buurt woonde. “In de Zandstraat”, antwoordde ik. Dat klonk ongeveer als “In we Wanstraat”.
“Ah, de Zandstraat. Die ken ik. Ik ga er wel eens wandelen.”
Mijn vermoeden dat tandartsen beschikken over een feilloos klankontrafeltalent werd eens te meer bevestigd.
“Woon je er al lang?”
“Al weewien jaaw.”
Anyway, tien vragen en evenzoveel moeizame antwoorden later was mijn mond murw geworden van de anesthesie en kon ze aan de slag. Er moest een wijsheidstand getrokken worden alsook een hoektand ontzenuwd. Ze besloot om die laatste eerst aan te pakken. Dat gebeurde middels een boortje dat buiten mijn mond licht zoemde doch eenmaal binnensmonds mijn hersenpan vulde met het geluid van een drilboor die gewapend beton kapotschoot.
“Wi-brrr-moe-brrr-aal-brrr-iepen?” Fuck. Had ze me zopas een vraag gesteld tijdens het boren? Ik vermoedde van wel. De boor kwam even tot rust. Strategisch antwoordde ik “U-huh”. Waarna ze met verdubbelde hevigheid haar machinerie begon te hanteren. Jezus, zou ze me verzocht hebben om meteen ook maar even mijn smoel te mogen verbouwen of zo? In gedachten zag ik de boorstaaf al door mijn bovenlip naar buiten floepen.
“Zo. Gepiept.” klonk het tien minuten later. “En dan nu de wijsheidstand. ’t Is een kanjer, zag ik op de foto. Hij heeft zowaar een dubbele wortel. Dat wordt even wringen.”
Op zo’n moment verlangt elke zinnige mens naar een portie afleiding. In mijn hoofd begon ik uit arren moede de Story te lezen. ‘Nou moe, Laura Lynn is zowaar zwanger!’ Zelfs haar foto doemde voor mijn geestesoog op. Ze lachte haar perfect witte tanden bloot.

Honderd drieëndertig euro later stapte ik buiten met een gebit dat aanvoelde als, eh, niks meer, eigenlijk. Middels mijn tong wist ik de prop bloedstelpende watten in het gat van wijlen de kies te lokaliseren. In de auto monsterde ik mijn aangezicht in de achteruitkijkspiegel. Mijn bek hing scheef op links. Ik lachte naar mijn spiegelbeeld als een boer met kiespijn.

Sierre

En ineens is enkel stilte gepast.

Life in the fast lane

‘Hebe BW vervangen’ kribbel ik op de blocnote wijl ik door de tuin kuier. ‘BW’ staat voor ‘BlauwWitte border’. Inwendig vloek ik. De heester heeft een diameter van twee meter. Zoiets moeten opgeven doet pijn.
Na ‘BW’ plaats ik tussen haakjes een vraagteken. Toch nog maar even afwachten. Zag ik daar niet wat ontluikend groen of zijn het echt spatten korstmos? Ik wil het voorlopig nog even niet weten en wandel verder.
Vier andere hebe’s sluiten de lijst: drie kleinere en een middelgroot exemplaar dat jaar na jaar een explosieve bloei heeft gekend. Vorig jaar leek het zelfs alsof er een gigantische witte bruisbal was gaan mousseren op zijn takken. Iedereen die toen mijn tuin bezocht, noteerde enthousiast de naam van de heester met het voornemen er zeker eentje aan te schaffen. Thans zou ik al die mensen willen toeschreeuwen het vooral niet te doen.
Eerder op het lijstje der verdoemden: twee gevriesdroogde hortensia’s, een teloorgegane tuinbamboe in kuip en de geheel geëxpireerde geelbladige Choisya ternata ‘Sundance’ – gelukkig nog een jong specimen. Kutwinter.
Aan het schaduwterras hou ik halt en ga ik door de knieën voor een ontluikende Dicentra spectabilis. Een gebroken hartje dat vers de aardkorst omhoogduwt is een curiosum avant la lettre, een architecturale parel welhaast, wiens premature bladeren veel weg hebben van bordeauxrode grijpgrage handjes. Enfin, toch met een dot fantasie.
Life in the fast lane, denk ik wanneer ik al zoveel pril leven opmerk. Van de narcissen, krokussen en fritillaria’s kijk ik allang niet meer op; van de reeds tien centimeter hoge flox wél. Want hey, die is vroeg, zeker na de voorbije dekselse winter. Hetzelfde geldt overigens voor het zonnende trio groene kikkers dat zich, me argwanend vorsend, overduidelijk wil profileren als stoere gangmakers. Stoer tot er weer eens wat nachtvorst opduikt, that is.
De sedum explodeert, de daglelies zijn aan een niet te stuiten opmars bezig en het speenkruid maakt zich klaar voor een spectaculaire doch uiterst korte invasie. Tussen de dolomiet ontwaar ik tientallen zaailingen van wolfsmelk, akelei en helleborus.
In gedachten ben ik al P9-potjes aan het vullen onder een loden zon. Moge het een voorjaar worden zoals dat van 2011.


[ Foto's aanklikbaar voor groter ]

Chablis, het jongste mijner kattenbeesten, geniet zo mogelijk nog meer dan zijn baasje:

“Yow, de mannen!”

“En laat mij nu met rust!”

Waldo is daarentegen nét dat ietsje schuchterder:

[ Foto's: Menck - Update: dit log werd geschreven voordat de tragedie in Sierre plaatsvond ]

Tussen geel en cyaan

Toegegeven: dit bouwwerk valt op. Door zijn omvang. Door zijn kleur. En omdat het gedragen lijkt te worden door slechts wat slanke palen. Wie er voorbijkomt, kijkt ernaar, zonder uitzondering. Een sterk staaltje architectuur.
Het gebouw huisvest de Torhoutse kantoren van Infrax, een netbedrijf voor aardgas, elektriciteit, kabeltelevisie en riolering.

De groene kleur is geen lukrake keuze. Want dit complex ís ook groen. Groen zoals groen tegenwoordig wordt gedefinieerd: fijn voor het milieu.

In het ontwerp van het kantoor is de bodem als een duurzame energiebron geïntegreerd.
Een ondergronds BoorgatenEnergieOpslag-veld (BEO) in combinatie met een performante warmtepomp zorgen voor de basisverwarming.
De in de winter opgeslagen koude in de bodem wordt in de zomer gebruikt om te koelen via de BetonKernActivering (BKA) in de kantoren. Photovoltaïsche zonnecellen, geïntegreerd in de kleurrijke gevel, zorgen voor de stroom nodig voor de werking van de pomp van het BEO-veld. Hierdoor kan het kantoor zonder extra energieverbruik worden gekoeld. Een intelligent groen gevelconcept laat hybrideventilatie toe in de kantoren, waarbij in de winter en in de zomer mechanisch geventileerd wordt en in het tussenseizoen op een hybride wijze.
Verder zijn de kantoren uitgerust met energie-efficiënte verlichtingsarmaturen, daglichtsturing en aanwezigheidsdetectie, wat resulteert in een duurzaam laagenergiekantoorgebouw.

Duizelt het u?
Mij ook.
Ik sta daar in opperste bewondering voor, eerlijk gezegd.

Waarom ik u dit meedeel?
Simpel.
Ik ga mijn keuken opleuken middels wat verf en ik zocht een trendy en fris kleurtje.
Het is dit geworden:

Inspiration is everywhere, zeg ik u. Het eindresultaat geef ik u te gepasten tijde mee.

[ Foto's: Menck ]

Tot nooit meer

Verschwunden:
- 25.000 foto’s, waaronder honderden die me bijzonder dierbaar zijn en waaraan erg emotionele herinneringen kleven;
- duizenden mp3′s;
- tientallen homevideo’s;
- een boel zakelijke documenten;
- talloze programma’s.
Bovenstaande opsomming is de zware tol die de crash van de harde schijf uit mijn ter ziele gegane computer heeft geëist. Omdat mijn legendarische uitstelgedrag er de oorzaak van is dat ik verdomme al die tijd heb verzuimd een backup te maken.

En ja, de opvolger staat klaar om te worden afgehaald. Een moordmachine, zowaar, met een verwerkingssnelheid waar ik van duizel en een opslagcapaciteit waarvan ik het bestaan niet eens bevroedde. Helaas dus ook met een compleet lege schijf.
Het exemplaar uit mijn oude bak is reddeloos verloren, aldus de pc-dokter die ik zonet aan de lijn had. De schijf opsturen naar het labo zou uitkomst kunnen bieden. Maar daar kan ik, hoezeer ik dat ook zou willen, echt geen drieduizend (!) euro aan opofferen.

Als u me nu wilt excuseren; ik ga een stevig potje janken. Lacht u me ondertussen maar eens goed uit, want dat verdien ik.

[ Foto: Menck ]

Even geduld, aub

Vanwege het allesbehalve schielijke overlijden van een trouwe vriend (lees: mijn bits- en bytesmachine heeft na een slepende ziekte zijn laatste adem uitgeblazen) was ik een tijd niet meer bij machte om deze en uw stek onveilig te maken. Of toch niet op een genoeglijke manier.
En eigenlijk ben ik dat nog steeds niet, want de opvolger laat wat op zich wachten. Vermoedelijke levering: eind deze of begin volgende week.
Dit kattebelletje doneer ik u via een me niet zo genegen pc’tje. Niet genegen wegens pok-ke-traag en verstoken van alle mij vertrouwde data en software. Ronduit balen, kortom, en allerminst bevorderend voor de bloglust.
Als tuinier weet ik dat geduld een schone deugd is. Maar of ik al surfend óók met dat motto wil uitpakken, ben ik helemaal niet zo zeker.

Heuglijker tijding: de lente hangt in de lucht! Deze foto’s, die ik gisterenmiddag en -avond nam, zijn daarvan de stille getuigen:

Tuincreativiteit (be)loont!

Laat ik eens een open deur intrappen: een tuin(gedeelte) (laten) aanleggen met de knip op de beurs is een regelrechte utopie. Voor plantgoed dient u heden diep in de buidel te tasten, ongeacht de soort of grootte. Ook voor de aanschaf van harde materialen zoals bestrating, een pergola, een tuinberging, tuinschermen en dies meer, moet u vaak een rib uit uw lijf neertellen.
Zelf probeer ik al jaren om de betaalbaarheid van het tuingebeuren enigszins binnen de perken te houden. Een snufje creativiteit, een weinig inventiviteit en wat verbeelding kunnen in dezen wonderen doen.

Omdat dit logje wat lang is uitgevallen, heb ik er een aparte pagina met veel fotomateriaal aan gewijd. U vindt ze hier of op de homepage onder de header van dit blog.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.