Merci!

Op zekere dag besef je dat het gedaan is. Na meer dan acht jaar bloggen weten lezers onderhand wel hoe je in elkaar steekt, waarover en op welke manier je schrijft en hoe je fotografeert en becommentarieert. Hun belangstelling taant en nieuwe, frisse blogs worden aangeboord op zoek naar andere invalshoeken, schrijfstijlen en onderwerpen.
Tegen beter weten in volharden in de boosheid is niet aan mij besteed. En dus gooi ik de handdoek in de ring en plaats ik een slot op deze stek, doch niet zonder u te bedanken voor al uw commentaren, uw al dan niet anonieme bezoekjes, uw medeleven toen ik het moeilijk had en uw verdraagzaamheid tegenover mijn bijwijlen sarcastische humor dan wel onderbroekenlol.
Bij deze, dus.

Photo Challenge: ‘Beeld van een beeld’ (3/12)

Het zijn ronkende dan wel roemruchte namen uit de Vlaamse metaalindustrie: Packo, Case New Holland en – om maar even wat vergane doch toentertijd immens populaire glorie op te rakelen – Claeys, Flandria en Superia. Alle hebben ze één ding gemeen: Zedelgem.
Deze West-Vlaamse gemeente, waar ik schier dertig jaar van mijn leven heb doorgebracht, is behoorlijk scherpomlijnd in drie stukken verdeeld: de huisvesting (11,98 % van de totale gemeenteoppervlakte), de industrie (11,21 %) en 76,81 % landbouw- en natuurgebied. De metaalnijverheid staat te boek als de grootste industriële werkgever uit Noord-West-Vlaanderen, met Case New Holland op kop.
Het mag dan ook geen verwondering wekken dat het beeld dat ik u deze maand voorschotel, geheel en al in het teken van de Zedelgemse metaalindustrie staat. Het werd ontworpen als eerbetoon aan de gewezen en huidige nijveraars die een klein dorp manifest op de kaart hebben gezet. ‘Ode aan het metaal’ van Roger Bonduel (Sint-Andries, Brugge) is een hoge, slanke constructie op een ronde sokkel en werd hoofdzakelijk opgetrokken uit vele honderden inoxstaven. Het beeld werd ingehuldigd in 1993 en staat, nog steeds onaangetast door de natuurelementen, hooglijk te blinken bezijden de weg naar het dorpsplein.
Deze moderne structuur omschrijven, is onbegonnen werk. Elkeen die ze aanschouwt, herkent er iets anders in. Maar dat de ranke opbouw de omgeving domineert en meteen in het oog springt, staat buiten kijf. En dat de titel van het werk tevens de nagel op de kop slaat, behoeft al evenmin betoog.

Of ik het kunstwerk mooi vind?
Ik vind het héél mooi.
Meer zelfs: mocht ik een uitgestrekte tuin hebben, dan zou ik het beeld er meteen neerplaatsen. Stel je eens voor hoeveel mezenbolletjes je daar kunt aan ophangen!

[ Foto’s: Menck/Twaait | Gisteren gekiekt op een moment dat de zon zich van haar gewilligste kant liet zien. Dàt was lang geleden! ]

Het boek der idolatrie

De grote doos voelde wat klef aan toen ik ze uit de kast trok. Voorzichtig plaatste ik ze op de betonvloer. De kartonnen flappen waren getapet, maar het plakband hechtte nauwelijks nog. Bij het openen, steeg er even een muffe lucht van oud papier en schimmel op.
Bovenin lag een vaalgroen schriftje. Op een roodomrand etiket stond mijn naam in balpen geschreven. Ik herkende meteen mijn handschrift van weleer. De rechterbovenhoek vermeldde in oubollige zwarte drukletters ‘Schoonschrift’. Een wijl doorbladerde ik het kleinood. Piet eet een appel. Eet Jan een appel? Nee, Jan eet een peer. Ik grinnikte, terwijl ik vruchteloos naar een datum zocht. Ik gokte op het tweede of derde leerjaar.
Ik vroeg me af of er thans nog aandacht uitgaat naar wat destijds als schoonschrift werd bestempeld. Wordt een leerling van pakweg zeven, acht jaar op vandaag nog wegwijs gemaakt in de beheersing van kalligrafie tussen voorgedrukte lijntjes? Ik meen ergens te hebben gelezen van niet, maar ik kan me vergissen. Ik legde het schriftje opzij en bedacht dat hetgeen waar toentertijd zo op werd gehamerd, maar weinig vruchten heeft opgeleverd. Mijn eigen onontcijferbare hanenpoten zijn daar heden het beste bewijs van.
Ik diepte een witkartonnen diploma op. Zesde leerjaar, 91 %. Het was het laatste jaar dat ik dergelijke goede cijfers haalde.
Stuk voor stuk waren het schriften, kladblokken en diploma’s die ik uit de doos plukte. Hierin zat zowat mijn ganse lagereschooltijd vervat. Of ik dit alles moet bijhouden? had mijn vader me gevraagd. Want naast de doos van de lagere school stonden er nog drie met paperassen, boeken en cursussen aangaande mijn middelbare opleiding. Ik gaf hem te kennen dat ik niet van plan was om daar ook maar iets van te bewaren, maar dat ik wel nog even wilde grasduinen in de inhoud.
En zo kwam het dat ik me helemaal achterin de grote ouderlijke kelder bevond waar de donkere eiken kloosterkast stond die al deze schoolsouvenirs jarenlang heeft geherbergd. Onderin de doos met het opschrift ‘1 ASO’ vond ik een lijvig boek dat ik niet direct aan mijn schooltijd kon liëren. Het omslaan van de harde kaft bracht een golf van herkenning teweeg, al wist ik niet meer hoe dat boek hierin was verzeild geraakt. Een soortement van muziekplakboek, begot. Foto’s met begeleidende teksten, vele eigenhandig neergepend, aangaande mijn toenmalige favorieten. Ik was een Joepie-adept, jawel. En muziek veroverde stormenderhand mijn jonge leventje.
Al op de eerste pagina stond een datum: 4 februari 1980. Mijn dertiende levensjaar was pas begonnen.
Ik glimlachte toen ik het dikke werk doorbladerde. ‘Ik heb een engel ontdekt, en ik denk dat ik er verliefd op ben’ stond er onder een foto van Stevie Nicks (*). Jeetje. Alsof het gisteren was. En ik was wel degelijk verkikkerd op la Nicks, die schone frontvrouwe van Fleetwood Mac. Zowel haar stem als haar looks bliezen me destijds behoorlijk van mijn sokken. Ik weet nog dat ik de nacht nadat ik voor het eerst de videoclip van ‘Sara’ zag, niet met mijn handen boven de lakens sliep. Vier pagina’s had ik vol gekleefd met foto’s van haar. De vijfde pagina was een summiere weergave van de rest van de groep.
Zonder tekst.
Ik raapte al de schriften, blaadjes, cursussen en boeken van mijn diverse schooljaren bijeen en propte ze terug in hun respectievelijke dozen. Ik drukte er de tape op, doch de lijm was volledig verstorven.

“Alles mag weg, pa”, zei ik toen ik de woonkamer binnenstapte.
“Ben je er zeker van? Ook je diploma’s en zo?” peilde mijn vader nog.
“Zet de ganse meuk maar bij het oud papier,” verzekerde ik hem. “Alleen dit hou ik bij.” Ik legde het plakboek op tafel.
“Goh ja, je muziekboekske. Weet je nog hoeveel uren per week je daarmee bezig bent geweest? En hoe minutieus je alles bijhield? Weet je dat nog?”
“Ik herinner me er nog wel iets van, maar niet al te veel meer, eerlijk gezegd.” Ik sloeg het boek op een willekeurige bladzijde open. Pat Benatar (**) blikte me vanop een zwart-witfoto toe. ‘Hell is for children’ had ik onder het plaatje neergepend. Er trok een glimlach over mijn lippen.
“Ik weet zelfs nog exact wie je lievelingszangeres was toen.”
“O ja?” Zou mijn vader zich Stevie Nicks echt nog herinneren?
“Blondie! Enfin, de zangeres van die groep, hoe heet ze ook alweer?”
“Debbie Harry (***). Echt? Dat geloof ik niet.”
Ik zocht de letter B in het plakboek. Er waren talloze foto’s van Debbie Harry aanwezig. Elke pagina waar ze op voorkwam, had ik met een rode stift van massa’s hartjes voorzien. Ik sloeg het boek snel dicht.
“Het zou kunnen, pa. Ik weet het niet meer”, loog ik, waarna ik haastig een slok van mijn koffie nam.

(*)

(**)

(***)

Uit de kunst

“Kunst is dat wat door mensenhanden gemaakt is met de vooropstaande bedoeling één of meer van de menselijke zintuigen én de menselijke geest te prikkelen. Bovendien is het de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.”
Zo. Daar hadden ze beslist niet van terug. Ik nam een slok van mijn koffie. Doorgaans drink ik geen koffie op café, maar een aanslepende mottigheid verhinderde me enig alcoholhoudend vocht tot me te nemen.
“Dus… als ik het goed begrijp,” zei Carl traag wegens al stevig bezopen, “dan zijn de tieten van Annelien kunst. Ja?”
We keken gedrieën naar Annelien die twee tafels verderop zat.
“Nope,” bracht ik daar tegenin, “tieten zijn geen door mensenhanden gecreëerde schoonheden doch wel een werkje van moeder natuur.”
“Komaan Menck, je ziet toch zó dat Anneliens tieten zo nep zijn als de pest. Silicone valley, you know.” Aldus Pieter.
“Dan zijn haar tieten wel degelijk kunst”, concludeerde Carl overmoedig.
“Zijn ze dan de allerindividueelste expressie van de chirurgs allerindividueelste emotie, Carl?” vroeg ik met een toontje van ik-zet-je-hier-toch-wel-lekker-even-op-je-plaats.
“Bwah ja”, hikte hij. “Die mens heeft toch zijn uiterste best gedaan om schoonheid te creëren zoals hij schoonheid aanvoelt, niet?”
Er viel een korte stilte. ‘Hm’, zag ik Pieter denken. Carl hield me nauwlettend in het oog.
“In dat geval zijn ze, eh, toch misschien een béétje kunst”, weifelde ik.
“Voilà”, zei Carl. Hij greep naar zijn glas en sloeg de inhoud in één teug achterover.
“Zo is het maar net”, vulde Pieter aan.
Vanuit mijn linkerooghoek zag ik ineens dat Annelien zowat haar ganse pint morste op haar T-shirt.
“Mannen weten waarom”, grijnslachte ik, waarbij ik Carl en Pieter middels een subtiele hoofdknik naar links te kennen gaf wat er zich afspeelde twee tafels verderop. We schoten welhaast gelijktijdig in een luide lach.
Annelien keek hierop in onze richting, liep prompt rood aan en bedekte snel haar doorweekte pièces d’art met een servet.
“Uit de kunst!” bulderde Carl. Hij liet zijn glas hardhandig neerkomen, gaf een luide en langgerekte boer ten gehore en braakte daarop vol overgave onze tafel onder.

Mijn klein geluk

Het geluk behoort aan hen, die aan zichzelf genoeg hebben. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van Aristoteles. Geef hem maar eens ongelijk.
Je hoeft inderdaad het groot lot niet te winnen om gelukkig te zijn; waarachtig geluk zit ‘m in de kleine dingen. Cliché, zegt u? Dacht het niet, want de meeste mensen jagen zo bezeten het geluk na, dat ze er aan voorbijlopen.
Dientengevolge licht ik in deze post mijn klein geluk toe. Mocht u dat straks ook eens willen doen, bloggewijs bijvoorbeeld, dan zult u een lieflijk engelenkoor geestdriftig horen kwinkeleren omwille van zoveel – ogenschijnlijk summiere – mazzel die u te beurt valt.

Welaan dan, nu mijn Porsche gewassen is en mijn zwart geld geteld: mijn klein geluk is…

… een krokusje dat zich niet laat be-perken door een met treinbielzen omzoomd plantvak:

… na zevenenveertig jaar mijn bolletjeshoofddoekje (als nieuw!) op een blauwe maandag terugvinden in de ouderlijke woning:

… in een uithoekje van de tuin ontdekken dat de Herfsttijloos heden weer trouw op post is:

… ‘s zomers een met winterse wolken doch kostelijk krassende kraaien gevuld zwerk vastleggen vanuit de ouderlijke tuin:

… een ‘Ode aan de Kust’ verorberen met vrienden op een gure winteravond:

… een oogstrelende orchidee zien ontluiken in de woonkamer:

… nu pas ontdekken dat mijn favoriete snoepje van veertig jaar geleden nog stééds verkrijgbaar is:

… bemerken dat de sneeuwklokjes zich danig hebben vermenigvuldigd:

… madam Menck ‘s avonds in welzalige me-modus aantreffen:

… Zohra op de gekste rustplaatsjes tegenkomen:

… Chatblis die genoeglijk  – boven een radiator – schuilt voor het kutweer:

… een retrotafeltje (authentiek) op de kop kunnen tikken, alsook een retro ogend lampje (IKEA) voor in de vintage logeerkamer:

… een vriendin verhuizen van een desolaat gat in Duitsland naar de stee der Maneblussers (Mechelen) en daar constateren dat haar kleine appartement vanop het balkon een grandioos uitzicht over de stad biedt:

… op de weg naar Mechelen dit superbe trio spotten:

… madam Menck die het leven door een roze bril ziet:

… nieuwe aanwinsten op ons oubollig tapijt alfabetisch sorteren:

… lachen om het T-shirt van een geweldige vriendin:

… merken dat thans tal van padden vanonder de afgelopen zomer geconstrueerde takkenril vijverwaarts trekken:

… me overgeven aan de absurde uitgelaten zotheid na een avondje doorzakken en daarbij bondgenoten vinden. Het leven is al ernstig genoeg, nietwaar?

Bon. En nu is het aan u.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Plant van de Maand (2/12)

Natuurlijk-rijk kwam op de proppen met een challenge waar ik met graagte in mee stap: ‘Plant van de Maand’. Bedoeling is om, wars van alle periodieke en veelal commercieel beladen suggesties in tuinmagazines, uw geheel persoonlijke maandeigen lievelingsflora op de lezer los te laten middels foto‘s en wat duiding.
De inspiratie en de bezieling voor deze uitdaging zal ik elke maand uitsluitend uit eigen tuin halen.

Februari is voor velen de maand van de krokussen, de helleborussen en de sneeuwklokjes. Maar tussen al dat fraais gooi ik met graagte een kleintje dat evenzo hard de show steelt: de Iris reticulata of dwergiris. Met zijn blauwe, paarse, gele en witte kleuren, of zelfs een combinatie ervan, is het een plantje dat een prominente plaats op de voorgrond verdient. Dat is sowieso een vereiste door de geringe afmetingen van deze irissoort: met een hoogte van 10 tot 15 centimeter overtroeft het weinig andere vegetatie.
De dwergiris bloeit vroeg: de aanzet begint reeds in januari, maar in februari – en dat tot een eind in maart – geeft deze olijkerd het beste van zichzelf. Bovendien laat de Iris reticulata zich veelzijdig aanwenden: in volle grond, in pot, in de rotstuin en zelfs als snijbloem of in bloemstukken. Plant dwergirissen rijkelijk tussen krokussen en er ontstaat een natuurlijk schilderijtje dat helemaal klopt qua kleuren, hoogte en standplaats. Bovendien zijn het beiden stinsenplanten (of stinzenplanten, zoals ze thans gemeenzamer zijn gekend).

Is de Iris reticulata een moeilijke plant?
Behoorlijk.
Want hoewel de bloemen meer dan de moeite waard zijn (en bovendien heerlijk geuren!), zijn dwergirissen als tuinplant vaak nogal onbetrouwbaar. Ze doen het dan slechts één jaar goed en duiken vervolgens niet meer op. Meer kans op slagen is er als je deze kleinoden als potplant aanwendt (en vorstvrij overwintert). Dien na de winter geregeld wat vloeibare meststof toe, want de hoeveelheid voedsel in een bloempot is natuurlijk eindig.
Doch wie ze in de tuin een plaatsje toekent op een zonnige tot heel tijdelijk beschaduwde plek in een eerder humusrijke en goed gedraineerde – bij voorkeur alkalische – grond, komt niet snel voor verrassingen te staan. Zorg er in dezen vooral voor dat ze ’s zomers niet nat staan; een bodem die snel het water afvoert, is zodoende een absolute vereiste. In onze veeleer zanderige tuin houden ze het zo toch al een jaar of zes vol, maar de op papier beloofde spontane snelle vermeerdering blijft helaas uit.

De grootste belager van de Iris reticulata is de slak. Die heeft het voornamelijk op de bloemblaadjes gemunt. Het voordeel is echter dat slakken nog niet zo omnipresent zijn op het moment dat de dwergiris bloeit, al hangt zulks voornamelijk van the goodwill van het vroege voorjaarsweer af.

Benieuwd naar de Plant van de Maand van andere bloggers? Of zelf inhaken op deze challenge? Klik HIER.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Reason: een reden te meer

Ze heeft me deze keer behoorlijk van mijn sokken geblazen met haar stem. Voorheen was ik niet zo’n fan van het stokkerige dat ze erin legde, maar thans krijgen stevige uithalen, doorleefde rauwheid en ware kracht een prominente plaats. Ik hoor de blackness van blues en swing als ze diep gaat, maar ook de zwartheid van bittere wanhoop en droefenis. Ze bedient, wat mij betreft voor het eerst, haar ‘instrument’ met een beheersing die de perfectie nadert. Live beluisteren is de boodschap, want de studioversie is helaas iets te overijverig van de ruwe kantjes ontdaan.

‘Reason’, dus. En ‘Reason’ is de naar méér smakende voorbode van het gelijknamige nieuwe – tweede – album van Selah Sue. We hebben er de volle vier jaar moeten op wachten, maar in die tijd vond Sanne Putseys volop inspiratie in haar rol als plusmama van de twee kinderen van haar nieuwe partner. Dat wakkerde niet alleen haar verantwoordelijkheidsgevoel aan maar heeft er ook voor gezorgd dat ze minder de tijd heeft om het verdriet in haar leven toe te laten:

Reason, look at her and tell her what to do,
so she can come back to life and won’t feel sad no more.
Please tell her where to go
so she can find a place.

Kies voor de HD-stand op onderstaande video, geef uw volumeknop een lel richting 10 en leun vervolgens behaaglijk achterover. U zult er voorwaar geen spijt van krijgen.

Voor wie de meer gepolijste studioversie wil beluisteren: klik. (Voorlopig alleen beschikbaar in België.)

Château de Chatblis

Ik heb gisteravond, met Chatblis op schoot,
de manen op haar lijfje platgestreken,
waarbij ze mij spinnend heeft aangekeken
met ogen zo onpeilbaar diep en groot,
dat het me één moment heeft toegeleken
als was ze eeuwenlang al deelgenoot
van het geheim van leven na de dood
en thans op het punt stond om te spreken.

Een aandrang waar ze niet voor is bezweken,
omdat ze langzaamaan de ogen sloot
en me een tedere kopstoot aanbood
als halve aai en onmiskenbaar teken
dat ze wilde slapen op mijn schoot
en ik mijn strelen nú moest verbreken.

Zo heb ik urenlang muisstil geweken
en lag zij met een uitgestrekte poot
te klauwen in ‘t antracietgrijs en het rood
van mijn geliefde oude fleecen deken
tot ze ineens luidklagend wakkerschoot
en ik beschuldigend werd aangekeken.

Pff, katten.

[ Vrij naar ‘Joris’ van Driek van Wissen Foto: Menck | Twaait – aanklikbaar voor groter ]

Alles voor de seks (met het leven als inzet)

Heuglijke tijding: afgelopen vrijdagavond zijn de eerste drie knoestige padden gearriveerd in de vijver, hun geboorte- en voortplantingsplaats. Het zijn de dappere voorbodes van many more to come. Zachtere temperaturen en regen zullen hen massaal uit hun bed lokken.
Twee daarvan volbrachten de tocht op eigen kracht, de derde hielp ik de straat over, mijn handen als vangnet gebruikend. Het verrassend gladde diertje wrong zich in tig bochten om toch maar uit die vleselijke val te kunnen ontsnappen. Onvoorstelbaar hoeveel kracht die korte maar gespierde pootjes kunnen ontwikkelen.

We staan er niet voldoende bij stil, maar de trek van overwinteringsplaats naar voortplantingsplaats is voor een dergelijke logge amfibie een waar huzarenstukje. Een pad springt nauwelijks, maar waggelt en sjokt veeleer vooruit. Als je dan weet dat sommige padden afstanden tot twee kilometer afleggen om tot bij de vijver te raken, en vijftien tot twintig minuten geen uitzondering zijn om de gemiddelde landelijke tweebaansweg over te steken (bij jonge dieren zelfs een halfuur!), ga je pas écht beseffen wat zo’n dier lijden kan. Tel daarbij het moordende verkeer en je snapt meteen de nood aan de talrijke vrijwillige overzetacties.

Jaarlijks steken op de gekende oversteekplaatsen in Vlaanderen gemiddeld 38.000 amfibieën de weg over en in piekjaren kan hun aantal tot 70.000 oplopen. Het merendeel bereikt met de hulp van vrijwillige overzetters veilig de overkant van de weg. Helaas zijn niet alle aanrijdingsplaatsen gekend waardoor er toch nog veel dieren worden gedood.
Anders dan wat velen denken, zijn het niet zozeer de wielen/banden van uw auto die het meest lethaal zijn, doch wel de snelheid waarmee u over ’s heren wegen zoeft. Bij snelheden vanaf vijftig kilometer per uur worden padden onder de auto – en zelfs tot een meter naast de auto – door de luchtverplaatsing aangezogen en tegen de bodemplaat van de wagen gesmakt of iets verder weer tegen het wegdek geslingerd. Hierdoor worden ze vaak met een opengereten lichaam op het wegdek aangetroffen. Of alsnog tot moes gereden.
In Nederland geldt dientengevolge een wettelijke snelheidsbeperking van maximaal 30 kilometer per uur in de buurt van oversteekplaatsen; in België wordt zulks slechts geadviseerd. (Door onder meer Natuurpunt.)

Zelf meedoen met de paddenoverzet?

Kijk op deze website en zoek een paddenoverzetactie bij u in de buurt.
Neem contact op met de contactpersoon van de lokale actie. Hij of zij zal u kunnen vertellen waar en wanneer er amfibieën de weg over worden gezet. Dat hangt sterk af van het weer (en is dus niet elke avond). Contactgegevens vindt u bij elke actie.
Trek laarzen en fluohesje aan en overzetten maar! Trek er zeker niet op eigen houtje op uit. Hoe goed bedoeld het ook mag zijn, mensen die geen contact hebben genomen met de lokale coördinator doen soms meer kwaad dan goed.

[ Foto: Menck | Twaait ]

Over iteratie en reprise

Middels deze blog werd flora uitgebreid geïdoliseerd,
werd muziek geromantiseerd,
werden vintage en contemporaniteit geëxalteerd,
werden kunst en cultuur geglorificeerd,
werd de fauna uitgebreid gelauwerd,
werden er boeken opgehemeld,
werden mijn ouwelui bewierookt,
werd het doe-het-zelven en het recycleren geprezen,
werd madam Menck geadoreerd,
werd creativiteit geroemd,
werd het tuinieren geloofd,
werd er met alledaagsheid gedweept,
werd de loftrompet gestoken over mijn geliefde (West-)Vlaanderen
en werden de onzin, de fantasie, het schrijfplezier, de taal alsook de zotheid omhelsd.

Aanbidding, admiratie, eerbied, adoratie, respect, ontzag en be- dan wel verwondering: ze kruiden het leven op weldadige wijze en tilden deze stek naar een oord van beroering, vervoering en zo nu en dan ook wel ‘s ontroering.

Doch soms, zoals vandaag, heb ik het gevoel dat ik mezelf aan het herhalen ben. Dat zal u misschien niet meteen opvallen, maar doordat ik halfweg dit jaar reeds negen blogjaren op een zestal weblogs achter de rug hebt, bekruipt mij dat besef wél steeds stringenter.
Herhaling is, met andere woorden, het zwaard van Damocles boven deze stek. In herhaling vallen, betekent handelen tegen de wetten van de geest. Slechts wie steeds een ander is, mag in herhaling vervallen. En laat ik nou net mijn eigenste mezelf zijn, zeg.

Kortom: crisisberaad met zijn drieën: me, myself and I. U verneemt wel wat er uit volgt. Bruikbare tips mogen uiteraard altijd worden aangereikt. Want ú daar, die ook al wat langer blogt: het kan toch welhaast niet anders dan dat u dat gevoel ook wel eens hebt?

 

[ En, o ja, zelfs dit schrijven bezondigt zich aan iteratie en reprise. Ignosce mihi, o gij getergde lezer. ]

Creatief met Helleborus

You gotta love Helleborus.
Terwijl zowat de hele tuin nog dor is en in winterslaap, is hij de voorbode van de lente. Als een soort van belofte – in diverse maten, vormen en kleuren – die stante pede stevig omarmd wordt.
En toch. Helleborus is niet immer de makkelijkste plant in de tuin. Soms slaat ze aan, soms helemaal niet. Helleborus is kieskeurig qua standplaats – een beschut plekje in de (half)schaduw in goed doorlatende, kalkhoudende en voedzame grond – en gevoelig voor allerlei schimmels en ziekten. Maar eerlijk is eerlijk: Helleborussen groeien te onzent sinds jaar en dag als kool en tieren er welig, ongeacht de soort of variëteit. Ik plant ze, knip tijdig hun bladeren, doneer ze wat kalk en verder laat ik ze ongemoeid. Geen centje pijn. Zelfs spontane zaailingen vallen me jaarlijks te beurt.

Koren op Helleborus’ molen is zijn veelzijdigheid. Hij doet het in volle grond, als potplant op een terras of balkon, als snijbloem en zelfs als drijfbloempje op water in de huiskamer. In het laatste geval laat u aan de bloemen een centimetertje steel. Vul een schaal met water en posteer de bloempjes – bij voorkeur in diverse kleuren en vormen – er zodanig op dat ze het ganse wateroppervlak bedekken. Magisch!

Het afgelopen weekend bezochten madam Menck en ik de jaarlijkse Helleborusdagen van vasteplantenkwekerij Het Wilgenbroek in Oostkamp, nabij Brugge. Die lopen overigens nog tot eind deze maand. De kwekerij is wereldvermaard omwille van haar Helleborussen. Februari is daar dan ook dé topmaand bij uitstek.
We mochten er de Helleborus Award meemaken, de allereerste editie van een wedstrijd waarin maximum 25 floristen konden meedingen. Doelstelling: het creëren van het mooiste bloemstuk met Helleborus. Dat weekend werden de werken getoond aan het publiek en heeft ook een vakjury de creaties beoordeeld en prijzen toegekend.

Maar er is meer. Want op zondag 22 februari om halfdrie presenteert Grote Tuindame Dina Deferme er ‘Een leerzame reis doorheen de seizoenen in tuinen met gemengde borders’, een voordracht over het gebruik van planten in de tuin om het gehele jaar door van te genieten.
En op zaterdag 28 februari komt Wim Lybaert (VIER) er om 14:30 tal van basisbegrippen en allerhande tips voor een geslaagde moestuin uit de doeken doen in ‘Hoe start ik een moestuin?’. De deelname bedraagt telkens vijf euro.

Bon. Ik zal er alvast bij zijn op 28 februari. En van het afgelopen weekend heb ik tal van beelden voor u. Ik heb ze netjes gerangschikt op PICMENCK, de no click image viewer van TWAAIT.

Allen daarheen!

Van naaldje tot plaatje

Driewerf hoera, want dit weekend heb ik, zonder de minste twijfel, een oude liefde van 41 lentes in mijn armen gesloten met een innigheid van heb ik jou daar. Prompt sloegen de vonken van weleer in alle hevigheid over.
Wat meer is: ik hoop van harte dat onze nog prille relatie heel lang mag blijven duren, want ik geniet er met volle teugen van. Er is weer muziek in mijn leven. Het soort muziek waar ik véél te lang van verstoken ben gebleven.

Mijn madam was oprecht blij voor me. “Wat een heerlijk model!” fluisterde ze me toe na de eerste kennismaking. “Echt een klassieke schoonheid.”
Iets wat ik alleen maar kon beamen.

“Kunnen je helden van weleer eindelijk eens uit de kast komen”, gaf ze me enthousiast mee.

“Wees maar zeker! Beter dan ze te moeten ophangen, nietwaar?”

Ik stuurde een omineuze knipoog haar richting uit. Waarna we schier gelijktijdig naar de deurklink grepen en Sint-Valentijn binnenlieten.

* * *

Deze snaaraangedreven Philips electronic 677 direct control is van bouwjaar 1976 en kwam mijn richting uit met een heuse meevaller: een – gloednieuwe! – reservenaald. (Waar kun je die dingen nog kopen tegenwoordig?) Bovendien is hij aansluitingsgewijs geheel compatibel met mijn trouwe stereoketen (anno 1991).
Hoewel Philips niet echt gekend was als platenspelermerk, viel deze draaitafel destijds op door zijn zeer goede prijs-kwaliteitsverhouding. Niet zelden kwam dit model als beste uit de tests. Natuurlijk werd het dan wel vergeleken met draaitafels uit dezelfde prijscategorie, maar het kon desalniettemin makkelijk de concurrentie aan met de toenmalige duurdere merken zoals Dual (mijn allereerste platenspeler!) en Thorens.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Blijvend bloemstuk in 10 stappen

Eigenhandig een duurzaam tafelstuk vervaardigen, hoeft niet moeilijk te zijn. Hierbij help ik u met graagte en middels tien stappen op weg, want zo’n lieverd ben ik wel.

  1. Wacht tot uw serre in brand vliegt. (Bijvoorbeeld door een korstsluiting.) Gehaaste zielen kunnen het geheel wat bespoedigen door zelf lucifers ter hand te nemen. Zorg er dan wel voor dat de verzekering kwaad opzet uitsluit, want u wilt hier uiteraard uw broek niet aan scheuren;

  2. Laat de vlammen een tijdje hun werk doen. Ondertussen kunt u, ik zeg maar wat, koortsachtig verder op zoek gaan naar uw gsm die u al ruim een uur kwijt bent;

  3. Gsm gevonden? Prima, want bij voorkeur belt u nu de brandweer. De loeiende sirenes lokken de buren naar buiten, richting uw tuin. Zulks bevordert het sociaal contact enorm. Een extra opsteker, kortom;

  4. Eens de fik geblust, neemt u spade en zaag ter hand en verwijdert u de verkoolde druivelaar;

  5. Pluk de met roet beslagen druiventrossen. Hier kunt u later brandewijn van maken. Laat u bedwelmen door zijn aroma’s van pittige vuurkruiden;

  6. Zaag de druivenstam in gewenste lengtes. Zij zullen straks de basis van uw tafelstuk vormen. Het hout laten drogen is, maar dat kon u al wel bevroeden, niet meer aan de orde;

  7. Scharrel wat plakken mos uit de tuin bijeen. Geen mos in uw tuin? Dan bent u wellicht een te propere tuinier die heel wat fraais aan zijn neus ziet voorbijgaan;

  8. Schaf u bloemschikvaasjes aan. Dat zijn kleine glazen stolpjes die door middel van wat binddraad aan de druivenstokken kunnen worden bevestigd om daarna te worden gevuld met water. U kunt deze kleinoden voor een appel en een ei verkrijgen in zowat elke bloemen- of plantenzaak;

  9. Steek in elk vaasje een bloem naar keuze. Heden prijken er bij ons bloempjes van de Viburnum tinus in. Ook Helleborus doet het prima;

  10. Schik als afwerking het mos naar eigen creativiteit rond en tussen het bloemstuk. Let wel: vers mos is vochtig. Zorg dus maar beter voor een – bij voorkeur weinig opvallende – tafelbescherming.

Et voilà: een blijvend tafelstuk dat continu verandert van kleur en uitzicht zonder grote ingrepen. Zo zag het er uit tijdens de afgelopen feestdagen:

En twee weken later was het alweer helemaal anders:

Kortom: geef uw creativiteit maar eens de vrije teugel.

O ja: de serreperikelen zijn gelukkig goed afgelopen. De verzekering heeft netjes betaald en de nieuwe kas was eind oktober al een feit. Momenteel herbergt ze onze niet-vorstbestendige potplanten tot zowat eind april. Daarna zal ze worden ingepalmd door tomaten en tal van zaailingen.
Een druivelaar komt er niet meer in; onze brandewijnproeverij werd allerminst op gejuich onthaald.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Verdraagzaamheid: een vorm van moeheid?

Een paar huizen verderop woont een regelrechte poehamaker. Veel blabla en weinig boemboem; u kent dat soort volk wel.
Toch ga ik met hem om, zij het niet van ganser harte. Tijdens de nieuwjaarsreceptie van de buurt, bijvoorbeeld. Of op een feestje van de wijk. Zelfs een babbel op straat komt al ‘s voor.
Dat is mijn sterkte, maar tegelijk ook mijn zwakte: verdraagzaamheid. Ons ‘nu en dan’-contact doet hém ongetwijfeld deugd, maar mij een pak minder. In plaats van die mens eens goed te zeggen waar het op staat, luister ik, doorgaans verveeld dan wel geërgerd, naar wat hij wéér maar eens gerealiseerd, gekocht, gepland of verdiend heeft. That’s me. En dat heeft niets met edelmoedigheid te maken. Nee, ik ben simpelweg een allemansvriend én een dwazerik tegelijk. Want vrijwel iedere andere buur mijdt die kerel. Als hij zijn kop nog maar durft buitensteken, worden in onze straat gesprekken afgerond en tuinpoorten dichtgetrokken.

‘Cool, jij kan met iedereen om’, hoor ik u denken.
Zo bijster cool vind ik dat eigenlijk niet. Ik wou dat ik me eens wat vaker kon vermannen om in voorzichtige doch niet mis te verstane bewoordingen duidelijk te maken wat ik écht van iemands uitlatingen of gedrag vind. En zodoende stoom te kunnen aflaten ter preventie van een exploderende ergernis. Want buurman is zeker geen alleenstaand geval.
Echter, ik haat de koele ruzies die daar dan zo vaak op volgen. Ik verafschuw de mijdende blikken, het elkaar uit de weg gaan en de onderdrukte spanningen. Dat er mensen zijn die zich daar niet in het minst iets van aantrekken, gaat mijn petje te boven.
Wat vreemd is: met familie en vrienden heb ik dat allemaal niet. Als hun gezever me niet aanstaat, dan maak ik hen dat prompt kenbaar. Als ik vind dat ze verkeerd bezig zijn, dan krijgen ze mijn mening stante pede op hun bord. Terwijl ik bij die mensen nou net iets eerder fluwelen handschoenen zou moeten dragen en de impulsiviteit beperken, geef ik daar te vaak geen ene moer om. De achterliggende gedachte in dezen is wellicht dat wat ons bindt zodanig duurzaam is dat het wel een stoot kan incasseren. Waardoor ik, al dan niet bewust, vergeet that there’s a thin line between love and hate.
Is zulks dan een gebrek aan verdraagzaamheid mijnentwege? Of is het net bekommernis?
Verdomde moeilijk.

Als ik de poehabuur en consorten laat praten en praten, dan weet ik: jullie nonsens gaan het ene oor in en het andere uit. Want ik ben totaal niet begaan met dat slag mensen. Wat vervolgens gek genoeg resulteert in een verdraagzamere opstelling.
Het lijkt me dan toch niet geheel en al juist om te stellen dat je je vaak minder verdraagzaam opstelt tegenover iemand om wie je wél bekommerd bent. Echter, laat dat nou net hetgene zijn dat ik welhaast moet concluderen uit mijn bovenstaande overpeinzingen.
Ergens ga ik dus in de fout.
Kunt ú mij misschien zeggen wáár?

Schijn bedriegt

Wat denkt u als u bovenstaande foto ziet? Dat dit een hoop bijeen gewaaide dan wel aangeharkte bladeren is?
Schijn bedriegt. Er zijn namelijk verdroogde clematisranken in verweven alsook talloze strootjes siergras en een handvol geraniumstengels. De constructie – want dat is het wel degelijk –  heeft alzo wat weg van een omgekeerd overmaats vogelnest; zo’n dertig centimeter hoog en een doorsnee van ruim een halve meter.
Ik had een vermoeden wat eronder zat, maar wilde dat toch bevestigd zien. En ziedaar: een winterslaper die zonder de minste twijfel erg prikkelbaar zou zijn geworden indien ik hem had gewekt:

Als de wiedeweerga sloot ik egelmans abri weer netjes af na een haastige – en daardoor helaas slecht gefocuste – foto te hebben genomen.
Zulk een lumineus geconstrueerd slaapkamertje in de tuin: dat is a) het voordeel van een niet gestofzuigde winterse tuin en b) een overduidelijke hint dat ik de boel nog maar beter even de boel laat. Want toegegeven, u wordt toch ook niet graag te vroeg gewekt, nietwaar?

 

O ja, na hun winterslaap zijn egels überschattig, zeker na een gulle portie malse kattenbrokjes. Al blijft knuffelen desalniettemin een difficiele situatie:

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Altijd Ergens

Dat ik geregeld eens een camera hanteer, maakt van mij nog geen fotograaf. De Van Dale online denkt daar nochtans anders over; een fotograaf wordt er omschreven als ‘iemand die foto’s maakt’.
Een beetje kort door de bocht. Fotografen schrijven met licht in plaats van simpelweg iets vast te leggen. Een goede foto is je reinste verwennerij voor het oog. Je mag er niet naar kijken, je moet er van opkijken. Een goede foto is een beeld waar je je langer dan vijf seconden op focust. Omdat het emoties losweekt. Omdat het dynamisch en expressief is en er uitspringt. En dus niet zozeer omdat het beeld perfect scherp is of foutloos belicht. Al is dat altijd mooi meegenomen, natuurlijk.

Michiel Hendryckx is, zonder de minste twijfel, een fotograaf. Dat bewijst zijn nieuwste boek, ‘Altijd Ergens’, eens te meer. Het bewijst tevens dat hij ook een begenadigd schrijver is. In zijn begeleidende teksten geeft de auteur niet alleen een schat aan informatie mee, maar durft hij ook als geen ander jaloersmakend romantisch te zijn.
Vorige week heb ik me het lijvige werk aangeschaft. Wie geregeld de weekendbijlage van De Standaard ter hand nam, wist dat het er zat aan te komen. Door tal van voorpublicaties werd mijn interesse danig gewekt. Voor het DS Weekblad reisde Hendryckx namelijk gedurende twee jaar wekelijks naar een andere plek voor een beeld en een verhaal – de wereld rond van Wakayama over Gent en Dover naar Seattle en terug.

Is het, kortom, een goed boek?
Het is een fantastisch boek!
Wie sterke foto’s wel naar waarde weet te schatten, zal het werk zonder enige twijfel in de armen sluiten. Dat geldt overigens evenzeer voor wie graag leest; Hendrickx’ teksten zijn uiterst genietbaar.

‘Altijd Ergens’ is vóór alles een statement in nederigheid. Als we iets gemeen hebben, dan is het dat we allemaal wel altijd ergens zijn. In huis, op het werk, in een wachtkamer of een gevangenis. Of gewoon op reis. Reizen is op zich niets bijzonders. Het is hoogstens een iets nieuwsgieriger manier van ergens thuis zijn.
Dit boek draagt de stille wens in zich de lezer uit te dagen om me achterna te reizen, al dan niet letterlijk. Daar is niks oneervols aan. Altijd is wel iemand ons voor geweest, nergens nog komen we voor het eerst. Alle reizigers zijn volgers.

Michiel Hendryckx, ‘Altijd ergens’, drukkerij Die Keure, uitgeverij Hannibal – ISBN 978 94 9208 1032 | 236 pagina’s | € 35

[ Foto’s 1,3,4,5: Menck | Twaait – Foto 2: Michiel Hendryckx, uit ‘Altijd Ergens’ ]

Nacht en ontij

Vorig jaar, toen de zomer al een week herfst was geworden, sloeg het noodlot toe.

De cd-speler zoog geruisloos het schijfje naar binnen. Dra weerklonk Neil Youngs ‘Keep On Rocking In The Free World’.
Ik zakte een ietsje onderuit en posteerde mijn elleboog op de middenarmsteun. Half vier ’s nachts, een langgerekte en met hoge populieren afgeboorde tweebaansweg en rustig weer; het ware cruisegevoel nam bezit van me. Onbewust liet ik de naald van de snelheidsmeter tot een eind onder de toegelaten negentig zakken, terwijl ik het radiovolume vanaf het stuur liet opklimmen. Youngs stem oversteeg thans het gerammel van het tuingerei achterin mijn bestelwagen.
De waaibomen losten zo nu en dan een bleekgelig blad. Dat werd dan een wijl wild dansend gevangen in het licht van de koplampen alvorens het onder de auto verdween. Toen ik even afremde voor een ineens opdoemende venijnige bocht, bleef er een blaadje tegen de voorruit kleven. Het werd er pas bij vijfenzeventig kilometer per uur terug afgepeld door de aanzwellende luchtstroom.
Om de vijftig meter strooide een scheefgezakte betonnen lantaarnpaal een miniem lichtschijnsel op de met herfstbladeren bezaaide graskant waardoor die goudachtig oplichtte. In zo’n spot dook ineens een haas weg. Of een konijn. Doorgaans storten die beesten zich blindelings in de lichtbundels van je wagen. Het gedender van mijn diesel moet hen afgeschrikt hebben.
Neil Young was uitgezongen en Dire Straits namen het van hem over. Mijn versnellingspook veranderde in een basgitaar waaraan ik ritmisch begon te plukken met duim en wijsvinger. Met mijn andere hand bespeelde ik het stuur als was het de hi-hat van een drumstel. Ik waande me even in het midden van een gigantisch podium, uitziend op een uitzinnig joelende mensenzee. Er trok een brede glimlach over mijn lippen; dit was mijn geheel eigen Paradise by the dashboard light.
Een onverhoedse, hevige klap tegen de voorkant van mijn wagen deed me aanstonds uit mijn gedachten opschrikken. Direct daarop hoorde ik een doffe bons tegen de bodemplaat en voelde ik hoe mijn vehikel over iets heenreed. Ogenblikkelijk omklemde ik met beide handen het stuur en ging voluit in de remmen, waardoor het ABS klikklakkend werd geactiveerd. Ik stuurde richting berm en parkeerde mijn busje met de rechterwielen in het gras. Toen ik in de achteruitkijkspiegel keek, zag ik slechts duisternis. Ik zette de motor af en stapte uit. Het eerste wat me opviel was de totale stilte. Alleen het afkoelende motorblok tikte wat na. Op de straat zag ik hoegenaamd niks liggen, ook niet nadat ik een vijftiental meter was terug gewandeld. Hoe snel had ik gereden? Tachtig? Negentig? Mijn remweg moet langer zijn geweest. Ik stapte verder en ineens ontwaarde ik wat ik had aangericht. Mijn adem stokte en mijn hart sloeg terstond een slag over.
In een uitdijende plas bloed lag een poes. Ze moet met haar achterlijf onder een van mijn wielen terecht zijn gekomen, want dat was zo goed als volledig vermorzeld. Maar het ergste was dat het dier nog geheel bij bewustzijn was. Op het moment dat ik naast de poes neerhurkte, hief ze haar kopje naar me op en twee grote ogen boorden zich welhaast smekend in de mijne. Een korte, hevige rilling trok als een gruwelijk spasme door wat er van het lijfje overbleef. Ik zag het dier wazig worden door mijn tranenvloed. Meteen stond ik op en zette het op een hollen naar mijn bestelwagen. Met een haastige ruk gooide ik de achterdeuren open, trok mijn spade tussen het tuingerief uit, en liep terug. Weerom keek de poes me recht in de ogen, hield mijn blik dit keer wat langer vast, en boog toen haar kopje neerwaarts alsof ze leek te berusten in wat zou volgen.
Ik wendde wenend mijn hoofd van het hulpeloze wezentje af toen ik de spade liet neerkomen.

Photo Challenge: ‘Beeld van een beeld’ (2/12)

Wie het gat waar ik woon via de westkant binnenrijdt, kan onmogelijk naast deze grote bronzen schone kijken. Ze staat te midden van een rondpunt dat momenteel heraangelegd wordt. Het beeld is van dorpsgenoot Irénée Duriez.

Duriez (°1950 te Torhout) verwierf bekendheid als beeldhouwer en maker van hoofdzakelijk vrouwelijke figuren, als schepper van een oorspronkelijk robuuste en daarna geleidelijk zuiverdere en slankere elegantie.
Brons is zijn bouwstof, de afbeelding zijn taal. Hij beschouwt het levende model als een stimulans, als een bron van creativiteit die hem intrigeert, raakt en verleidt in verschillende houdingen, standpunten, gevoeligheden en emoties.

Zijn werk is een ode aan de jonge vrouw. Een bewuste keuze die tot uiting komt in de verfijning van zijn driedimensionale aanpak, in de verwezenlijking van handen, voeten en gezicht, in de subtiele integratie van een tastbare emotie, spieren en spanningen. Het is gekend dat beeldhouwers volumes graag aanraken en betasten – een kuit, een dij, een rug – om daarna die voelervaring te herhalen, als het ware op basis van het geheugen van hun handen. De aangeraakte vorm ligt verankerd in de hand en vertaalt zich vervolgens in klei of was.
In zijn figuren wil Irénée Duriez perfectie en gevoeligheid weergeven, zijn vakmanschap en creativiteit roemen en respect betonen voor de lichaamsvormen van zijn model. Zijn beelden belichamen de triomf van het volume, weerspiegelen zijn basisvisie over de beeldhouwkunst en geven een vrouwelijk en bloeiend sensueel archetype weer.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

De Tien Totalitaire Bloggeboden

U hebt Facebook de rug toegekeerd? U hebt thans lang genoeg gelurkt of vanop de zijlijn toegekeken? U vindt Twitter niet diepgaand genoeg en bent Tumblr onderhand zo beu als kouwe pap?
Als het gevolg daarvan is dat u eindelijk zélf eens een weblog wil beginnen, dan houdt u maar beter rekening met de Tien Totalitaire Bloggeboden.

  1. Zeur noch zanik. Wees bovendien karig met het opwekken van medelijden. Tenzij u kanker hebt; daarover schrijven is een instant hit.

  2. Schud bijwijlen eens wat humor uit uw mouw. Als u geen grein gevoel voor schertsende luim hebt, kunt u maar beter over uw zwangerschap/kindje(s) schrijven; zulks is een gebruiksklaar succes bij drachtige deernen en kakelverse moedertjes.

  3. Vermijd ellenlange lappen tekst. De aandachtsspanne van de gemiddelde lezer is relatief kort. Als u daarenboven uitpakt met kleine fonts en felgekleurde of te rijk gevulde achtergrondjes, kunt u het al helemaal vergeten.

  4. Gooi regelmatig eens wat (zelfgenomen!) foto’s in de strijd. Ze ventileren en adstrueren uw tekstblokken. O ja: pleur zo nu en dan ook eens een moeilijker woord op uw stek. Dat staat geleerd en positioneert u hoger op de schaal van adoratie.

  5. Reageer veelvuldig op tal van blogs. Wie een reactie geeft, krijgt er meestal eentje terug. Wie bij niemand reageert, zal uiteindelijk in de woestijn staan roepen. Het is dé ongeschreven wet van de blogosfeer.
    Echter: gooi geen stokken in het hoenderhok. Het gros van de bloggers heeft lange tenen en verdraagt kritiek net zo goed als maagzuur na een nachtje doorzakken.

  6. Als u ‘Ik reedt’ en ‘U verkeerd’ in uw teksten laat sluipen, trekt u een beperkt lezerspubliek aan. U treft dit volkje ook op 2dehands.be en in het reactieluik van Het Laatste Nieuws online.

  7. Door over uiteenlopende onderwerpen te schrijven, is nog niemand gestorven. Integendeel: vermijd dat uw lezersschare u vriendelijk doch dringend adviseert om toch maar eens een andere zaag te spannen. Variatie en spontaniteit vormen een wezenlijk bestanddeel van het menselijk geluk.

  8. Het hebben van een Groot Bloggend Voorbeeld, dat u uit idolatrie gaat na-apen of op wiens succes u tracht te drijven, is een absolute no-go. Graantjes meepikken van bloggers die hoge ogen gooien, getuigt van persoonlijke onkunde en een onomstotelijk gebrek aan inspiratie en originaliteit. Bovendien moet u dan officieel als miet worden bestempeld.

  9. Ga lange blogstiltes uit de weg. Eén – en bij voorkeur twee of meer – stukjes per week zijn de conditio sine qua non om niet als would-be-blogger te worden aanzien. Uw aanvankelijk lezerspubliek zal u anders al snel wegen en te licht bevinden.
    Het druk hebben, is evenmin een excuus. Of is ’s avonds een uurtje tv opofferen te veel gevraagd, misschien?

  10. En last but not least: neem alles wat uw typende collegae aan het scherm toevertrouwen met een stevige korrel zout. *insert wink*

De krakers van het ijskasteel

Zondag 1 februari.
Het hagelt, het regent, het sneeuwt natte vlokken.
Tussen twee buien door trek ik onder een zwaarbeladen uitspansel de verzopen tuin in. Hij geurt naar kleffe aarde en rottend loof.
Het houten terras is doorweekt, groenig en verraderlijk glad, de vijver treedt ei zo na buiten zijn oevers. Het is halfvijf en er heerst een complete stilte. Prompt trekt er een rilling over mijn rug; de winter kietelt me treiterig.
Maar! Zelfs met een koude hand liefkoost de lijzig ontwakende natuur de krakers van het ijskasteel. Krokus en helleborus, longkruid en hemerocallis, winteriris en judaspenning: ze beschimpen stuk voor stuk dit barre seizoen en lonken naar de lente. Ik zou die winterse schonen in mijn tuin in een gedicht willen zetten. Doch waarom zou ik? Ze bevinden zich per slot van rekening waar ze zijn moeten: in een gedicht daarbuiten. Dat van het verlangen.

U treft het HIER.