Røck In Peace, Tømmeleyn

MIAVA (Maria Isn’t A Virgin Anymore) is een groep bestaande uit vier jonge gasten uit het West-Vlaamse Lichtervelde. In 2013 brachten ze met ‘Essay on Bentham’ hun eerste full-cd uit.
Hun invloeden gaan van Kyuss over Deftones tot Tool. Het hardere werk waar ik zo tuk op ben, kortom. Zelf omschrijven ze zich als een “instrumentale Post-Rock/Stoner band met Post-Metal/Rock invloeden”.
Ondertussen is MIAVA een rijzende ster onder de Belgische bands, die bovendien een stevige livereputatie heeft opgebouwd. Dat bewezen ze ten volle in onder meer de AB. Tijdens hun concerten – en ik citeer Cutting Edge – “wordt ongenoegen of zelfs woede omgezet in muzikale kopstoten van nummers. Niet zoals een hooligan die wild in het rond stampt, maar veeleer als een revolutiestrijder die precies weet wat hij wil en hoe hij het wil bereiken.”

Dat, beste lezer, was MIAVA tot afgelopen weekend.
Want Jelle Tommeleyn aka Tømmeleyn, de 24-jarige begenadigde drummer van de groep, is zondagmorgen in Torhout ruw uit hun midden weggerukt door een chauffeur die vluchtmisdrijf heeft gepleegd. Hierdoor verliest Vlaanderen een van zijn meest beloftevolle jonge rockgoden.

Onderstaand nummer, Change the world drinking coffee, is, behalve een persoonlijke favoriet, tevens mijn bescheiden hommage aan een veel te vroeg heengegaan talent uit mijn achtertuin. Sterkte aan Jelle’s familie, zijn vrienden, zijn fans en zijn vriendin Melanie.
Drum ze daarboven!

 

[ Behalve bij MIAVA drumde Jelle Tommeleyn ook bij The Heavy Crown en Blackbird Phantom. Go check the interwebs, folks. ]

Extra link: StuBru.

Boeketje Vlaanderen

Op een eenvoudige en goedkope manier snel bloemen in huis?
Fluitje van een cent!

Sinds enkele weken staan overal te lande magnolia’s in knop. Mocht u het zich afvragen: ja, dat is vroeg. Het gevaar bestaat dat de knoppen door onverhoopte strenge vorst alsnog het loodje kunnen leggen, hetgeen uitermate nefaste gevolgen zou hebben voor de bloei van de bomen.
Door heden alvast enkele takken af te knippen, bent u verzekerd van een gegarandeerde bloemenweelde, zij het binnenshuis. En wat meer is: het resultaat laat hoegenaamd niet lang op zich wachten.

Vorige week knipte ik in de tuin van mijn schoonvader een stuk of wat sierlijk gevormde takken van de grootste zijner twee magnolia’s. Bloeikleur: lichtroze tot wit. De takken waren, zoals u onderstaand kunt merken, beladen met dikke knoppen:

Vooraleer de takken in een vaas te schikken, werden ze schuin afgeknipt. Zulks vergroot het oppervlak waarlangs ze water opnemen.
Ziehier het – avondlijke – resultaat na wat schikwerk:

Gisteravond waren de eerste tekenen van bloei reeds goed zichtbaar:

Vandaag ziet de compositie er alweer een stuk ravissanter uit. En dit is nog maar het begin van wat heel binnenkort (lees: morgen dan wel overmorgen) een kortstondige doch bijzonder feeërieke explosie van bloemen zal worden.

De titel doet enigszins anders vermoeden, doch Magnolia’s zijn geen inheemse bomen/struiken. Ze komen van oudsher voor in het oosten en zuidoosten van Noord-Amerika, in Mexico, Centraal-Amerika, het tropisch deel van Zuid-Amerika en in de Caraïben. Het zwaartepunt van de moderne verspreiding ligt in China, Indochina en Maleisië, en verder komen Magnolia’s ook voor in het zuiden en oosten van India, in Sri Lanka, in Korea en in Japan.
Magnolia werd en wordt in Vlaanderen echter zo vaak aangeplant dat dientengevolge evenzeer van een Boeketje Vlaanderen gewag mag worden gemaakt.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Mah jong toch!

Lazy Sunday afternoon
I’ve got no mind to worry
I play my game and drift away

De game waarvan sprake is overigens Mahjong, gratis online te spelen en standaard vervat in Windows 10. Dat Chinese vertier heet erg verslavend te zijn en zodoende blijf ik er vanaf.
Madam Menck daarentegen is wél al stevig geïnfecteerd met het spelvirus, zelfs in die mate dat ze, toen haar tablet een platte batterij aankondigde, lustig bleef verder spelen nadat ze het apparaat had ingeplugd. Het enige vrije stopcontact bleek een plintexemplaar. Combineer dat met een te kort oplaadkabeltje en je weet meteen dat ze genoopt was om op een letterlijk laag-bij-de-grondse manier haar spielerei af te werken.
Gelukkig kan je te onzent van de vloer eten.
Doen de poezen ook altijd.

[ Foto: Menck | Twaait ]

Onze tuin doorheen de seizoenen

Tot enkele jaren geleden namen madam Menck en ik om het andere jaar deel aan Open Tuinen. Elke editie bracht tijdens het laatste weekend van juni tal van enthousiaste tuinliefhebbers op de been. Er werden ervaringen uitgewisseld, foto’s genomen, flora en fauna bewonderd en contacten gelegd. Bijzonder fijn allemaal.
De laatste jaren ontbreekt het ons echter aan de tijd om nog deel te nemen. Er gaat behoorlijk wat voorbereiding aan vooraf en de opentuinweekends zelf zijn erg intensief. Bovendien wordt er al geruime tijd ook op zaterdag gewerkt te onzent en bijwijlen moet zelfs de zondag eraan geloven. Exit Open Tuinen, kortom.

Tijdens de opentuinweekends heb ik tal van (nu vaak ex-)bloggers mogen verwelkomen in onze lochting. Dat was aangenaam, en misschien was u er wel eentje van.
If not, dan kan u een bezoek aan onze groene long voortaan virtueel beleven. Oké, zulks is dan misschien een veeleer slap afkooksel van the real deal, doch alles beter dan niks.
Bovenaan deze blog heb ik daartoe een nieuwe pagina gelanceerd: ‘Onze tuin doorheen de seizoenen’. Onder de algemene inleiding selecteerde ik per jaargetijde een resem overzichts- en detailfoto’s. Om het scrollen niet onnodig lang te maken, worden de foto’s in een formaat van 500 pixels weergeven. De pagina zal in de toekomst geregeld worden geüpdatet.

Bon. Als u me dan nu wil volgen?

Begrafenis van een verlopen jaar

Vijf voor halfzeven.

Sfeerlicht in de woonkamer.
Een in kleurglas gevangen theelichtje op de salontafel.
Een fles koele bubbels en twee opgeblonken fluitglazen in het gelid.
En een mysterieuze enveloppe voorzien van een blinkende lintjesspiraal.

Samba Pa Ti van Carlos Santana komt gedempt uit het behang.
In de keuken bak ik hartige dimsumhapjes, chilisausje incluis.
De papegaai wil het gesis in de pan vocaal overstijgen.
Ik laat twee hapjes aanbranden.
Lousy cook.
En zo meteen komt madam Menck thuis. Met een nieuwe achterdeur. Yep, ze gaat vandaag haar laatste jaar als veertiger in.

Morgenvroeg is er ophaling van papier en karton in ons dorp.
We zullen voortaan allebei binnenblijven als de vuilniswagen voor de deur stopt; oude dozen worden namelijk zonder pardon in de laadbak gegooid.

Mais où sont les neiges d’antan? denk ik wijl ik de glazen vul. Zo meteen maar eens trachten mijn gezicht in een feestplooi te houden. Vrolijke vrienden, dát zijn wij.

[ Foto: Menck | Twaait ]

Havermoutpannenkoekenfestijn

Vandaag is het Maria-Lichtmis, kortweg Lichtmis genoemd.
Nog nooit van gehoord, zegt u?
Lichtmis, veertig dagen na Kerst, sluit luidens de overlevering de winterperiode af. Wie nog geen afscheid kon nemen van de kerstboom, moet dat volgens de traditie nu wel heel dringend doen. Voor velen is het reikhalzend uitkijken naar de lente: meer zon, warmte en langer licht staan heden bovenaan het verlanglijstje.

Lichtmis betekende vroeger ook dat het werk op de boerderij stilaan werd hervat. De komst van nieuwe boerenknechten en het hernemen van het letterlijke veldwerk werd gevierd met een pannenkoekenfeest. Dat tal van mensen vandaag nog steeds pannenkoeken eten op Lichtmis is een gevolg van deze traditie.
In de supermarkt staan op Lichtmis de ingrediënten voor het bakken van pannenkoeken naar aloude gewoonte in promotie.

Overleveringen van eeuwen her die tevens smaakvol zijn: daar zeggen wij geen neen tegen. Madam Menck besloot dan ook om vanavond havermoutpannenkoeken met blauwe bessen te bakken. Het bleek een fantastisch besluit, want zo lekker at ik een pannenkoek nooit eerder.

Ik wil u het – poepsimpele – recept dan ook niet onthouden:

Voor acht pannenkoeken:

  • 175 gram havermout;
  • 500 ml halfvolle melk;
  • 2 eieren;
  • bakboter (of een andere vetstof naar keuze);
  • 100 gram blauwe bessen;
  • optie: banaan.

Pleur alles de blender in. Op een wip en een scheet bekomt u een stevig beslag.
Smelt vervolgens wat vetstof in een koekenpan. Telkens als de pan goed heet is, giet u een pollepel beslag in het midden van de pan. Bak eerst de onderkant mooi goudgeel, draai hem dan heel voorzichtig om en bak nog heel even aan de andere zijde.
Voor de laatste twee pannenkoeken voegde madam Menck ook wat geblende banaan aan het beslag toe. Succulent!

Weetje 1:
Behalve overheerlijk zijn dergelijke pannenkoeken tevens erg machtig. Acht kleine tot middelgrote pannenkoeken volstaan dientengevolge dan ook ruimschoots (lees: iets teveel, eigenlijk) als volwaardige maaltijd voor twee personen.

Weetje 2:
Havermout bevat trage suikers die heel geleidelijk aan uw bloedbaan worden afgegeven waardoor de bloedsuikerspiegel pieken noch dalen kent. Het bevat ook tal van vezels die positief inwerken op de darmen. Niks dan voordelen, kortom.

En? At u vandaag eveneens pannenkoeken?
Een enquête op deredactie.be wees uit dat ruim 25 procent van de deelnemers zulks deed. Benieuwd naar úw reacties.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Het zout op de patatten verdienen

1 miljoen euro.
Die riante som heeft de Ierse fotograaf Kevin Abosch gevraagd én gekregen voor een foto van een aardappel. De koper is een zakenman die zijn werk verzamelt.
U heeft deze tijding ongetwijfeld opgepikt via de media.

Bij het brede publiek is Abosch mogelijk een nobele onbekende, maar onder CEO’s van grote bedrijven en beroemdheden overal ter wereld klinkt zijn naam als een bel: een Ierse fotograaf die torenhoge prijzen aanrekent voor kenmerkende portretten tegen een zwarte achtergrond.
Stonden al voor zijn lens: topman van Google Eric Schmidt, COO van Facebook Sheryl Sandberg, CEO van Twitter Jack Dorsey en CEO van Codeacademy Zach Sims. Ook Hollywoodsterren als Johnny Depp schuiven bij hem aan evenals mensenrechtenactivisten als Aung San Suu Kyi en Malala Yousafzai.
Zijn ereloon is niet min. Voor een gewone portretopdracht vraagt hij standaard een vergoeding van 150.000 dollar (138.000 euro). Als dat portret later commerciële doelen dient, dan rekent hij zelfs 500.000 dollar (461.000 euro) aan.

Waanzinnig, welhaast: 1 miljoen euro voor een foto van zegge en schrijve een patat! En dan een patat in zulk een kleurloze compositie. Die monotoon zwarte achtergrond: triple bah. En ook: wat een saaie, banale en gortdroge weergave van een Solanum tuberosum is me dat, zeg.
Dientengevolge dacht ik: dat moet beter kunnen. Véél beter.
Mét een ordinaire patat, jazeker.
Maar dan wel een patat 2.0: de dynamische opgeschoten versie!
Geheel en al polychroom bovendien middels de romaneske, mysterieuze achtergrondroodschakering.

Et voilà, u aanschouwt onderstaand niet langer een volkse aardappel, beste lezer. Dit is, mits een weinig verbeelding uwentwege, je reinste Axolotl in zijn emerse gestalte. Dit is een macabere tentakelige morfologie die thuishoort in het rariteitenkabinet van pakweg sir David Attenborough. Dit is een tot kunstvorm verheven pieper dewelke men kookt noch bakt doch hooglijk adoreert en op sterk water zet.
Of, zoals in mijn geval, vereeuwigt middels een foto.

Er bestaan twee versies van, getuige de onderstaande afbeeldingen.
De eerste wisselt van eigenaar voor amper 1,1 miljoen euro. De low budget versie, zeg maar. In deze prijs is de – mahoniehouten – lijst inbegrepen, dat spreekt. De verzendkosten zijn evenwel te uwen laste.
Het tweede portret kan het uwe zijn indien u daar 1,57 miljoen euro voor veil hebt. Toegegeven: ronduit peanuts in vergelijking met de armetierige beeltenis van een zekere Kevin Abosch. En het wordt bovendien gesigneerd door de meester hemzelf. Hà!

Iemand?

[ Foto 1: Kevin AboschFoto’s 2 & 3: Menck | Twaait -> aanklikbaar voor groter ]

En dan nu ernstig

De kaasboor had duidelijk last van een ijzertekort daar alleen het houten handvat resteerde. Erg moeilijk werken met zo’n ding, dacht Tom. En dus ging hij het stuk kaas maar met zijn blote handen te lijf.
Een klant had de kaas achtergelaten in de videotheek waar hij werkte. Nu ja, werken is een groot woord. De zaak stond op de rand van het faillissement. Het gros van de tijd was er niet eens een klant te bespeuren. Dan rommelde Tom maar wat aan met Madelief, de uitbaatster, met wie hij al jaren een louter seksuele relatie onderhield. Vaak doken ze beiden de kelder in alwaar ze vervolgens op elkaar kropen. Het was dan ook niet voor niets een kruipkelder.
Toms hart vulde zich met vurige lusten telkens hij aan Madelief dacht. Vandaag tekende ze helaas niet present en dus besteedde hij al zijn aandacht maar aan de achtergelaten kaas. Het was op de koop toe een heuse Coeur d’Ardenne, zijn lievelingskaas. Onder de harde korst ging een smeuïge lekkernij schuil die qua smaak wel wat weg had van Camembert.
Met een trefzekere beweging boorde Tom zijn rechterwijsvinger door de harde korst tot diep in de kern van deze heerlijkheid. De overrijpe kaas brak met een korte plop open als ware hij een barstende steenpuist. Tom trok zijn vinger terug, bracht hem naar zijn mond en was een wijl in opperste verrukking door wat hij proefde.
Er gaat toch niets boven wat brood bij zo’n delicatesse, schoot het Tom plots te binnen. En dus diepte hij een snede witbrood op uit zijn helblauwe Tüpperwareboterhammendoos en posteerde ze naast de kaas. Tüpperwareboterhammendoos! Wat een gedrocht van een woord toch maar weer, mompelde Tom voor zich uit. Welk een zwakzinnig mens zou dit ooit in een tekst durven aan te wenden?

De winkelbel weerklonk schril. Snel liet Tom het brood en de kaas voor wat ze waren en glipte achter zijn toonbank.
Tussen de rekken slofte een man met een overmaats scheepsanker om zijn nek. Tom verbaasde zich allang niet meer over zulke verschijningen. De laatste tijd kreeg hij de raarste klanten eerst over de vloer.
“Kan ik u helpen, meneer?” interpelleerde Tom vriendelijk.
“Ja, graag!” antwoordde de kerel zichtbaar opgelucht. “Ik ben namelijk van plan om zelfmoord te plegen. Vandaar ook dat anker van honderdtwintig kilo dat ik middels mijn nek meetors. Ik lijd ondraaglijk en uitzichtloos, ziet u. En dus heb ik mezelf maar om levensbeëindiging verzocht. Mijn keuze is gevallen op verdrinking door middel van een anker van honderdtwintig kilo om mijn hals.”
“Een soortement van geheel persoonlijke euthanasie, kortom”, vulde Tom de man aan. Op diens gezicht voltrok zich prompt een brede glimlach omwille van zoveel begrip.
“Ja. Ja, dat is het inderdaad!” Hij schudde Tom thans uitgelaten de hand. “En dus dacht ik: laat ik maar eens een Dvd’tje huren waarin de techniek der verdrinking haarfijn wordt uitgelegd. Kwestie van me enigszins voorbereid naar het hiernamaals te begeven.” De man knipoogde guitig in Toms richting na deze bewoordingen.
“Dan heb ik een geknipte keuze voor u, meneer!” sprak Tom enthousiast wijl hij een Dvd uit de rekken trok. “Kijk eens aan: ‘Zelfmoorddaad in de Tolpoortstraat’.” Hij hield de man het schijfje voor.
“Hm. In die straat is toch in de verste verte geen water te bespeuren?” De man keek Tom thans onzeker aan.
“Maar enfin,” kreet Tom verbolgen, “weet u dan niet dat een mens al kan verdrinken in slechts vijf centimeter water? In deze docu wordt u dat haarfijn uitgelegd, met beelden van een ruim vijf centimeter diepe plas in de Tolpoortstraat ter hoogte van kilometerpaal tweeënzeventig.”
“Allemaal goed en wel, maar wat moet ik dan met mijn anker aanvangen?” panikeerde de man.
“Ik stel voor dat u dat inruilt tegen deze Dvd aangezien u na uw daad niet langer in staat zult zijn om de film terug te brengen. Uw anker kan ik op mijn beurt dan weer gebruiken als kaasboor.” Tom wees het stuk Coeur d’Ardenne aan.
“Een puik idee!” De man sloeg Tom enthousiast op de schouder. “Hierover ben ik erg opgetogen, dat begrijpt u wel.” Hij ontdeed zich prompt van zijn anker en stapte met de Dvd onder zijn arm als een tevreden mens de winkel buiten. Het leven lachte hem, althans voor eventjes nog, weer toe.

Tom sleepte het anker tot bij zijn Coeur d’Ardenne. Uit zijn broekzak diepte hij zeven graantjes op. Hij had te allen tijde granen bij zich om die over zijn witbrood te verdelen teneinde het alzo om te turnen tot een heus zevengranenbrood. Vervolgens werkte hij met vaardige hand én met behulp van het anker een heerlijk partje kaas los uit het grote stuk. Dat plooide hij tussen zijn zevengranenboterham waarna hij zich installeerde voor het scherm van zijn draagbaar televisietje.
“Zo’n maal vraagt om een humoristische film!” En met die woorden schoof hij de klassieker ‘Een brontosaurus op kroegentocht – het leven van minister Daerden’ in de speler, beroerde kort de play-toets en leunde ontspannen achterover in zijn luie stoel.
Amper zeven minuten later verkeerde Tom reeds in dromenland alwaar Madelief zwoel dansend bier aan het tappen was uit haar kale preut. Hierdoor hoorde hij niet dat de winkelbel te anderen male schril weerklonk en er een man de zaak binnenstapte met drie opeengestapelde Michelinbanden op zijn hoofd.

* * *

Heeft u na het lezen van dit schrijfsel dringend nood aan een gesprek?
De Zelfmoordlijn is dag en nacht (anoniem) te bereiken op het gratis nummer 1813 of via chat.
Of bent u toch eerder geïnteresseerd in de aankoop van een scheepsanker? Dat kan dan weer hier.


Creatief met eieren

Afgelopen weekend zat madam Menck met een ei. Met verschillende eieren zelfs. En die wilde ze, het spreekwoord indachtig, kwijt.
‘Zijn/haar ei kwijt kunnen’ betekent – en ik citeer: de gelegenheid hebben om zijn/haar creativiteit te kunnen botvieren. Een kolfje naar Katriens hand, kortom. Ze broedde dan ook alras het idee voor onderstaand tafelstuk uit. Volgt u even mee?

Benodigdheden:

Sierlijk gevormde takken. In dit stuk: gedroogde takken van een druivelaar.
Mos. Trek de natuur in en u vindt er plenty. Of kom er anders gerust een paar zakken halen uit onze tuin.
Struisvogeleieren. Die kunt u kant en klaar aanschaffen in de handel. Geen zin om te gaan winkelen? Trek anders eens aan de mouw van uw plaatselijke struisvogelkweker. Of schaf u een struisvogel aan. Naar het schijnt zijn ’t lieve beesten.
Opteer voor gehalveerde eieren.
Witte kippen-/ganzeneieren. Makkelijk vindbaar in uw plaatselijke supermarkt, mogelijks ook in het hoenderhok in uw tuin. Laat deze eieren heel (en blaas ze eventueel uit).
Glazen schaaltjes, vierkant of rond. U schaft deze bij voorkeur aan in een winkel omdat ze zelf mondblazen naar verluidt geen lachertje is.
Gracieuze twijgjes, bij voorkeur met katjes zoals onderstaand (Hazelaar).
Felrode snijbloempjes, geheel naar keuze. Opteer voor kleinbloemige soorten. (In dit tafelstuk: Jatropha, een geslacht uit de Wolfsmelkfamilie.)
Narcissen in pot. Preferabel zijn de lager blijvende soorten, zoals bijvoorbeeld Narcissus Erlicheer (wit en dubbelbloemig). Die hebben niet zo de neiging om open te vallen.

Onder het motto ‘Pimp your table’ wens ik u alvast heel veel creatief genot!

Voor wie het liever wat compacter houdt, is er dit eenvoudiger alternatief:

(Meer bloemstukjes van mijn madams hand zien? Check dan vooral THIS out.)

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Shake it, baby!

In een handomdraai sappen en soepen, smoothies en milkshakes, sauzen, desserts, dips en dressings, cocktails, marinades en zelfs hoofd- en bijgerechten? Welaan, madam Menck kreeg een blender cadeau.
Omdat ze zo’n schattige huppelkut is, uiteraard. Omdat ze – hoe is dat anno 2016 toch mógelijk? – nog geen blender had, dat ook. En misschien wel een heel klein beetje omdat – zonder eufemismen te willen gebruiken – koken niet haar sterkste kant is. Maar kom, wat gezonde prullen tezamen kletsen en ze vervolgens wat dooreen mixen kan bezwaarlijk moeilijk worden genoemd, niet? Die tomaatgazpacho met watermeloen waar ik zo gek op ben? Shake it, baby!
Bovendien is het een heuse ‘Piet Luizenfluit’-blender; er kan dientengevolge zelfs anderhalve liter gebakken lucht mee geproduceerd worden.
Wat we “heleerd hebben vandaah”: ik ga een gezond leven tegemoet. Al is té gezond dan weer net iets teveel van het goede: met zo’n toestel kunnen op een wip en een scheet ook ijsblokken gecrusht worden ter verkoeling van mijn gin-tonic. Hell yeah!

[ Foto: Menck | Twaait ]

De uitmelktand – UPDATE

U had, naar aanleiding van het logje ‘De uitmelktand’, nog een update tegoed.
Dit is wat de vriendin des huizes me meegaf:

Ik heb een ontvangstbewijs gekregen van de tandarts maar geen terugtrekkingscertificaat voor het verwijderen van de wortel (hetgeen bij mij gebeurde). In de plaats daarvan kreeg ik een certificaat voor het trekken van een tand terwijl er toen helemaal geen tand meer aanwezig was.
Louche zaak.

Ik nam per e-mail contact op met het RIZIV (het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering). Dat liet me weten dat de arts – gedeeltelijk geconventioneerd – niet verplicht is om zijn consultatie-uren te etaleren in zijn wachtkamer. Daarop stuurde ik een link met de letterlijke wetmatigheden van het ziekenfonds naar het RIZIV dat me kort daarop terugmailde met de melding dat gedeeltelijk geconventioneerde artsen wel degelijk hun spreekuren moeten uithangen. (Alleen buiten die spreekuren kunnen zij een hoger honorarium aanrekenen, vandaar.)
Overwinning, yes!

Ik heb er mijn tandarts, tijdens mijn laatste bezoek, attent op gemaakt dat het prestatiebewijs voor terugtrekking het werkelijk betaalde bedrag dient te vermelden. De tandarts beweerde niet op de hoogte te zijn van deze recente wet. Na aandringen mijnentwege heeft ze, onder de ‘ja’, dan toch de wettelijke som ingevuld.
Tweede overwinning!

Kortom: wie niet op zijn strepen staat en alles zomaar voor waar aanvaardt, wordt onrecht aangedaan. Ik hoop dat mijn wedervaren wat ogen heeft geopend.

Bij naft en ontij

Ineens rook ik benzine.
‘Gek,’ schoot het door mijn hoofd, ‘ik rijd in een diesel en ik ruik benzine.’ Het stuk autosnelweg voor me was een diffuse zwartheid waarin geen enkel lichtje te bespeuren viel. Zo desolaat had ik de E40 nog niet eerder meegemaakt, zelfs niet om kwart over drie ’s nachts.
Ik drukte mijn raampje een tiental centimeter open. Meteen zocht een bulderende luchtstroom zich, wild rond de raamstijlen krullend, een weg naar binnen. De geur werd op slag sterker.
Ik stak mijn grootlichten aan en minderde vaart. Op de pechstrook ontwaarde ik een flard van een opengereten vrachtwagenband. Er kleefden dode bladeren aan. Thans kon ik een paar honderd meter voor me uit kijken maar andere weggebruikers waren er niet. Aan het einde van mijn lichtbundels maakte de autosnelweg een wijde bocht naar links. Ik schakelde terug over naar dimlicht en sloot mijn raam.
Pas toen de snelweg zich weer kaarsrecht voor me uitstrekte, zag ik de achterlichten. De wagen reed ver voor me uit. Algauw merkte ik dat de chauffeur een pak trager zijn kilometers verslond dan ik. De contouren van een vrachtwagen werden zichtbaar. De intensiteit van de benzinegeur nam toe naarmate ik hem naderde. Hier was duidelijk iets niet pluis, temeer daar een vrachtwagen allerminst een benzinegevoed vehikel is.
Het begon te motregenen toen ik de vrachtwagen – een zwarte tankwagen – op minder dan honderd meter was genaderd. Ik zette de ruitenwissers op intervalstand. In plaats van de voorruit droog te zwiepen, lieten ze echter brede vette vegen achter. Bij elke slag van de wissers werd het zicht waziger, zodat ik al snel de ruitensproeiers aansprak. Toen dat slechts weinig uithaalde, daagde het me: dit was geen regen, dit was pure benzine.
Ik ging vlak achter de vrachtwagen rijden. Een Poolse nummerplaat. Weer trok ik mijn grootlicht, dit keer om de chauffeur attent te maken op wat hij rijkelijk aan het verspreiden was op de weg. Het was toen dat ik de barst zag. Enfin, barst: de achterste tankwand vertoonde verdorie een vuistgroot gat waaruit royaal benzine gutste. Nu begon ik als een bezetene met mijn grootlichten te flikkeren. Die kerel moest dringend aan de kant. Wat als hij een brandende sigaret uit zijn raampje gooide? Die gedachte boezemde me zo’n angst in dat ik meteen het gaspedaal vloerde en naast de vrachtwagen ging rijden. Ik toeterde een paar keer toen ik ter hoogte van de cabine was. Geen reactie. De chauffeur bleef onverdroten plankgas geven.
Ik trachtte een gezicht in de cabine te ontwaren door mijn lichaam deels over de passagierszetel van mijn auto te buigen en naar boven te kijken. Dat leverde, op een wilde slingerbeweging van mijn wagen na, niks op. Geschrokken ging ik rechtop zitten en drukte mijn linkerhandpalm tien seconden lang midden op mijn stuur. Het amechtige getoeter van mijn bestelwagen ging ten dele verloren in het dieselgebrul naast me. Was die kerel doof of zo? If not, dan toch behoorlijk blind, want ook toen ik weer een portie grootlichtgooien ten beste gaf, zette hij onverstoord zijn weg verder. Ik toeterde nóg een keer, weerom zo’n tien seconden lang. De truck week ineens van zijn baan af en kwam de middenrijstrook opgereden. Qué? Die gek wilde me gewoon van de weg afduwen! Mijn hart sloeg ogenblikkelijk twee tellen over, ik vloerde mijn rempedaal en kwam schommelend achter de vrachtwagen te hangen. Ik verzeker het u: ik zweette peentjes.
Zonder dralen, doch met hevig trillende handen, nam ik mijn gsm uit de middenconsole en toetste 112 in. Als dit heerschap niet wilde stoppen, dan zou een stel zwaailichten hem misschien wel op andere gedachten brengen.
Om een lang verhaal kort te maken: de blauwjas aan de andere kant van de lijn verzekerde me een prompte interventie. En alzo geschiedde. De trekker met oplegger werd nauwelijks tien minuten later de pechstrook opgestuurd door een van blauwe discobollen voorziene patrouillewagen. Ik volgde in hun kielzog.
De geschrokken Pool verklaarde in gebrekkig Engels dat hij niet wilde stoppen omdat hij “meende met een losgeslagen gek te maken te hebben”. Ik werd ooit al vriendelijker omschreven.
Na een korte uiteenzetting van het gebeuren, en nadat mijn identiteitsgegevens alsook de nummerplaat van mijn wagen werden genoteerd, mocht ik beschikken.
“Bedankt hè,” gaf ik de agenten, niet geheel gespeend van cynisme, mee.
Ú wordt bedankt, meneer,” repliceerde de grootste van de twee.
“Dat wilde ik horen,” beëindigde ik met een knipoog deze korte nachtelijke conversatie, waarna ik me snel in mijn wagen liet glijden.
Toen ik de tankwagen voorbijreed, zag ik nog hoe de benzine zich via de pechstrook onverminderd kwistig een weg zocht naar de lagergelegen grasberm. Ik stak een sigaret op en gooide de bak in zijn drie.

De uitmelktand

Van een goede vriendin des huizes ontving ik gisteren een e-mail met het verzoek de bijgevoegde tekst eens na te lezen alvorens ze hem zou versturen.
Haar schrijven, een aperte inculpatie, las ik met stijgende verbazing en verontwaardiging. Hier hangt zonder de minste twijfel een kwalijk geurtje aan.
Met haar uitdrukkelijke toestemming publiceer ik de aanklacht hieronder met het voorstel er eens úw mening over te spuien. Mocht u zelf al iets gelijkaardigs hebben meegemaakt, dan verneem ik graag uw wedervaren. Want dit is volgens mij ontegenzeglijk een (zoveelste?) flagrant gevalletje patiëntje-uitknijpen.
Toch?

Nochtans:

Sinds 1 oktober 2015 moeten artsen en andere zorgverleners het bedrag dat je als patiënt betaalt, vermelden op:

What’s on a Menck’s mind?

Volgens madam Menck heb ik een véél te levendige fantasie.

Neem nu die middag dat we in een restauranttuin aan het kuieren waren na de maaltijd en ik ineens halt hield bij een boom.
Zij zag een boom, ik zag meer dan dat.
Dat ik een foto van de stam nam, snapte ze dientengevolge niet. Zelfs na enige duiding mijnentwege, uitermate nefast voor de lol, bleef zij slechts een boom zien.
“Door logica en verstand sterven we voortdurend, maar door fantasie leven we”, gaf ik haar mee. “Of zoals Midas Dekkers het stelt: fantasie is ons belangrijkste geslachtsorgaan.”
Geef die man een standbeeld, trouwens.

Ach, Humani nihil a me alienum puto, vermoed ik. En mijn madam had die middag wellicht een efemere cerebrale kortsluiting. Of zo.

    

En u?

[ Foto 1: Menck | Twaait – Locatie: Damme ]

Polychrome veelzijdigheid

Geregeld krijg ik de vraag of je Helleborus ook kunt houden in pot. Mijn antwoord is gestoeld op ervaring: beter van niet.
Nochtans wordt op groensites, in magazines of bij het tuincentrum vaak het tegenovergestelde beweerd. Helaas is er tussen theorie en praktijk niet zelden een wereld van verschil. In een pot is Helleborus geen lang leven beschoren, ongeacht de soort. Een jaar of twee, drie lukt nog net, maar daarna gaat het snel bergafwaarts met de plant. Waar het aan ligt, daar ligt het aan.

Nooit kreeg ik echter de vraag of je Helleborus ook als snijbloem kunt aanwenden. Gek, want net dat kan wél.
Al dien ik hier een belangrijke kanttekening bij te maken: niet met de steel in een vaas doch enkel als bloemhoofdje drijvend op het water. Loop dus niet als de wiedeweerga naar de bloemenzaak om een ruiker Helleborussen, want die vind je nergens. Trek daarentegen de tuin in met een schaar. Knip de bloemhoofdjes nooit af als het vriest. Beperk je tot één à twee bloemetjes per plant. En laat vooral een stukje steel aan elke bloem; dat zal fungeren als watertoevoer.

Het resultaat is een fraai polychroom geheel dat om en bij de twee weken standhoudt. In de tuin laten Helleborussen hun hoofdjes hangen zodat je ze moet oprichten om van hun schoonheid te kunnen genieten. Maar als drijfbloempjes blikken ze je fleurig aan.
Hoe meer kleurdiversiteit je in de schaal kunt brengen, hoe geslaagder de compositie wordt. Het is dus zaak om verschillende soorten Helleborus in je tuin te hebben. Of om, al dan niet stiekem, op rooftocht te gaan bij de buren, dat kan ook.

Tenslotte gedijt Helleborus ook als – tijdelijke! – kamerplant.
Verhuis je aankoop van de tuinzaak naar een mooie pot in de huiskamer. Weet hierbij dat deze kamerplant ad interim na de bloei zo snel mogelijk de tuin in moet. Vertrouw ze echter nooit aan de volle grond toe als het vriest.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Le futur passé

Mijn nichtje – welhaast veertien lentes – heeft onlangs mijn blog ontdekt. Dat mag. Ik kreeg alleen geen stellige zekerheid over wie haar de link had toegespeeld, doch er steeg gegniffel op tussen haar en mijn madam toen ik die vraag stelde.
Wat ze ervan vond, vroeg ik langs mijn neus weg.
Dat ik een grappige alias heb, was haar eerste bemerking. Waarop ik haar verduidelijkte dat ik al sinds mijn lagereschooltijd zo wordt genoemd. Dat wist ze niet.
“Je schrijft wel ouderwets, nonkel Menck. Zo stijf. Niemand van mijn leeftijd zou je blog willen lezen. Behalve ik.”
Dat laatste was overduidelijk een excuus, want ze giechelde iets te nadrukkelijk.
“Zo schrijven oude zakken nu eenmaal”, verduidelijkte ik haar. Ze knikte meteen instemmend, hetgeen me er niet bepaald gelukkiger op maakte.
“Vind je mijn papa en mama dan ook ouwe zakken? Ze zijn tenslotte maar een jaar jonger dan jij.”
“Absoluut, schat.” Uit de belendende keuken steeg luidkeels protest op. En dat ik vooral voor mezelf moest spreken.
“Ze zitten wel op Facebook, hè!” verdedigde ze prompt haar ouwelui.
“Dat moeten zij weten. Ik zit liever op een stoel.” Even was er stilte en verraadde haar blik onbegrip, daarna lachte ze luidkeels.
“Ik zal eens, speciaal voor jou, een blogpostje in elkaar boksen om te tonen hoe verschrikkelijk belegen wij al zijn.” Ik schonk haar een samenzweerderig knipoogje.
“Hoe ga je dat doen?”
“Door bijvoorbeeld zoveel mogelijk foto’s te posten van dingen die in mijn jonge en heel erg jonge jaren behoorlijk hip waren. Ik durf te wedden dat je er hooguit een paar zult van kennen.”
“En ze waren hip toen jij jong was?”
“Of bijzonder populair.”
“Oké. Maar wel doen, hè! Ik ben benieuwd.”

Bij deze, dus.
Ik vraag me trouwens af hoeveel lezers onder de vijfentwintig kunnen benoemen wat hieronder wordt afgebeeld. En waarvoor die dingen – ondanks mijn, ahum, pompwaterklare beschrijvingen – wérkelijk dienden of hoe ze in de praktijk werden gebruikt.
Als u ze echter wél allemaal weet te duiden – en er ook, zoals ik, daadwerkelijk mee in aanraking dan wel vertrouwd bent geweest – dan bent u vanzelfsprekend eveneens een ouwe zak (m/v).
In de ogen van een veertienjarige, dat spreekt.

1. Het Chinees telraam

Populair toestel om lagereschoolkinderen saaie wiskunde op een speelsere manier bij te brengen.

2. Bloembollenplanter uit de seventies

De punt werd in de aarde gedrukt. De markeringen in het houden handvat gaven de verschillende plantdieptes aan. Het touw diende ter uitlijning van de bollenrijtjes.


3. Viewmaster

Het woord geeft het al ten dele aan: dit toestel werd door oogartsen en opticiens gebruikt om kleurenblindheid op te sporen. Ook werd er – vandaar de 3D-vermelding – iemands dieptezicht mee gecontroleerd op abnormaliteiten.

4. Hoeststillende pillen

Deze uitsluitend in de apotheek verkrijgbare hoeststiller, populair in de zeventiger en tachtiger jaren, werd omwille van zijn uitermate verslavende snoepjessmaak uit de handel genomen.
Menig mens sprak de naam verkeerdelijk uit als Treets wijl het daarentegen correct was te gewagen van Trie-iets.

5. Ceremonieel openingsbeeld

Dit openingsbeeld werd, begeleid door de bekende Eurovisie tune, op het televisiescherm vertoond bij aanvang van internationale gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld het Eurovisiesongfestival. Het ontwerp is van de hand van de bekende Spaanse kunstenaar Antoni Gaudi.

6. Ontsmettingscabines

Ten tijde van onder andere de gekkekoeienziekte, de vogelgriep en de varkenspest waren deze mobiele hokjes in Vlaanderen een vertrouwd straatbeeld. Alvorens een geïnfecteerde zone binnen te stappen, diende hierin het schoeisel verplicht te worden gedesinfecteerd.

7. Belgische frank

Onderstaand bankbiljet was een populair betaalmiddel vóór de eeuwwisseling. Diens waarde, zijnde twintig frank (voor de Nederlanders: ongeveer 1 gulden), stond in de jaren ’80 gelijk aan de prijs van onder meer een paar lederen schoenen of twee all-in tickets voor Rock Werchter.
Enfin, toch in mijn hoofd.

8. Onafscheidelijk duo

Als u al weet wat het bovenste voorwerp is, o gij hippe tiener en begintwintiger, dan weet u beslist niet wat het potlood ermee te maken had.

9. Start To Walk

Het onderstaande apparaat was de drager van de instructiecassette ‘Start To Walk’, de voorloper van het huidige ‘Start To Run’ van Evy Gruyaert. Het ding, logischerwijze Walkman genoemd, hielp revaliderende patiënten terug te stappen na ernstige beenkwetsuren dan wel -fracturen.
Begeleidende marsliederen ondersteunden de door wijlen La Esterella – indertijd recordhoudster op de vierhonderd meter poolstokspringen – ingesproken instructies.

10. Miniprinter

Deze personal miniprinter, door Kodak op de markt gebracht begin de jaren tachtig van de vorige eeuw, bracht zijn printvellen in beweging middels zijwaartse geleidingsstroken die over tandwieltjes werden gestuurd. Om de onuitwisbaarheid van de print te garanderen, bestond de beelddrager uit een waterbestendige kunststof.
De printer was het gevolg van de gestaag groeiende vraag naar compactere toestellen. Hij werd vooral gebruikt om analoge foto’s te vereeuwigen. Maar ook bijvoorbeeld kleine boodschappenlijstjes uitprinten behoorde tot de mogelijkheden.

11. Brailletelefoon

Ontworpen met het oog op blinden die niet goed konden zien. In plaats van de in de jaren zeventig algemeen gangbare druktoetsen werd een schijf met gaten voorzien. Hierdoor konden blinden, mits een weinig telwerk, het juiste cijfer voelen.
Bemerk de hoorn met een draaiwieltje: die was ten behoeve van de slechthorende blinden uitgerust met een ingebouwd hoorapparaat waarvan het volume kon worden afgesteld naar eigen behoefte.

12. Ooievaarspalen

In mijn kinderjaren was seksuele voorlichting nog lang geen gemeengoed. Er werd, onder meer in Zuid-West-Vlaanderen en Limburg, nog veel geloof gehecht aan de ooievaar als babybrenger. Ten diens behoefte werden talloze daken van woningen getooid met ooievaarspalen waarop de fladderaars der blijde boodschap hun nesten konden bouwen.

13. Eerste Bancontact

De eerste bankkaart – we schrijven 1978 – was, zoals onderstaand te bemerken, een pak groter dan het huidige pinpasje. Men kon er maximaal twintig Belgische frank mee uit de muur halen. Al bij al toch goed voor een paar lederen schoenen of twee all-in tickets voor Rock Werchter.

14. Lijnbus der minderbedeelden

Tot diep in de jaren tachtig waren deze oranje bussen van vervoersmaatschappij De Lijn een vertrouwd beeld in de Vlaamse straten. Naast de wit-met-gele lijnbussen, die we heden nog treffen, werden tevens oranje voertuigen ingelegd voor de financieel achtergestelden. Werklozen, mensen in schuldbemiddeling, Poolse vrachtwagenchauffeurs, Syrische vluchtelingen en hoveniers werden er, tegen verwaarloosbare tarieven, mee naar school, werk, OCMW of tentenkampen gebracht.
Het gelijkekansenbeleid luidde het einde in van deze stigmatiserende tak van De Lijn. Enkel in Wallonië zijn alle lijnbussen nog oranje.

15. Handtas waarmee gebeld kon worden

hippe handtas voor elke moderne vrouw uit de eighties. Merk: Delvaux. Kostprijs naar huidige maatstaven: 10.000 euro. Zendbereik: 1000 meter. Dientengevolge vooral populair in kleine, kapitaalkrachtige staten zoals Monaco en Vaticaanstad.

16. Verstandig roken

Wat nu niet meer kan, kon in de jaren zeventig wél nog: verstandig roken. Voorbehouden aan onder andere sportlui, dokters en gezondheidsgoeroes.
Kanker werd pas vele jaren later uitgevonden.

17. 56K-modem

Voorloper van de huidige digicorder. Via de telefoonlijn kon men middels dit apparaat eind de jaren ’70 het tv-toestel reeds in HD afstemmen op Brussel-Vlaams, Brussel-Frans, Rijsel en Nederland 1 en 2.
Met dit toestelletje konden, helaas enkel analoog en in het zwart/wit, ook de toenmalige kleinere spelers al worden bekeken: VIER en VTM.
Het modem was in staat om maximaal twee programma’s op te nemen en uitgesteld te bekijken, een ongekende luxe in die dagen. Reclame doorspoelen kon evenwel niet.

18. De eerste GPS

Ook in mijn kinderjaren werden we al geïnstrueerd door een vrouwenstem in de wagen. Zo feilloos als de huidige GPS werkte deze methode toen helaas nog niet. Links werd veelal met rechts verwisseld et vice versa, de wagen werd te vaak omgeleid naar parkings met openbare toiletten en niet zelden corrigeerde de vrouwenstem de chauffeur, stemverheffing incluis.

19. Eerste Sms’jes

Op dit apparaatje verscheen, begeleid door een luide bieptoon, een telefoonnummer. De bezitter diende zich vervolgens te reppen naar het dichtstbijzijnde telefoontoestel om daarmee het op het schermpje afleesbare nummer terug te bellen. Enige omslachtigheid was het ding dus niet vreemd.
Het toestel werd vooral gebruikt in zakenmiddens, door bazige echtgenotes, door televerkopers en door Aziatische sekslijnen.

20. Computer zonder muis

Ver voordat de muis zou worden losgekoppeld van computers – cfr. laptops en tablets – werkte ik in de jaren tachtig van de vorige eeuw al met een muisloze pc. Zei daar iemand hip?
De focus lag uitsluitend op de pijltjes- en F-toetsen, het lettertype en de beeldschermkleuren waren universeel en niet manipuleerbaar en Google werd geraadpleegd middels de 26-delige Larousse dan wel de gele gids.

Mijn eerste blog, opgesteld in MS-DOS, heette in 1989 nog simpelweg ‘Menck’ en werd gevolgd door vier lezers, zijnde mijn collega’s van den buro. Reacties werden uitsluitend mondeling gegeven, waardoor een prompte tegenreactie mijnentwege mogelijk was.
Mijn god, wat was het leven toen nog kinderlijk eenvoudig. WordPerfect, welhaast.

En u?

Vuurlijn

Mijn gsm rinkelde. Het was onmenselijk laat.
“Ja?”
“Maatje?”
“Wie is daar?”
“Tom. Je weet waarom, makker. Tonight’s the night.”
“…”
“Ben je er nog?”
“Ja. Ja. Ik weet wat me te doen staat. Bye.”
“See ya.”
Geagiteerd drukte ik af. Hitsig – het spul werkte ook nu vrijwel onmiddellijk – banjerde ik door de gang naar de slaapkamer. Ik plukte mijn bruinleren jak uit de kast, vond een nog door mijn moeder gebreide sjaal en zocht naar mijn Nikes; ik trof ze uiteindelijk onder het bed. Met een doffe plof liet ik me op mijn buik neervallen op de doorgelegen matras en grabbelde naar de oude sportschoenen. Terwijl ik de veters knoopte, focuste mijn brein zich op de Calico 9 mm in de garage. Dit semiautomatische wapen werd me twee jaar geleden aangeboden door Tom alias Dj Tommy. Schitterend ding. Feilloos. En wat belangrijker is: het heeft een ongebruikelijk grote magazijncapaciteit.

Luister, Menck. Dit pistool verkrijgt z’n grote magazijninhoud door een spiraalvormig doosmagazijn dat uit vele rijen bestaat en dat bovenop het wapen wordt vastgezet. De rijen patronen worden door de roterende beweging van de magazijnas door een veer naar voren gedrukt. De patronen worden aan de onderkant uit het magazijn naar de loopkamer gedirigeerd. Tijdens het schieten worden de ronddraaiende rijen met patronen op die manier pijlsnel voorwaarts gestuwd omdat daar ruimte vrijkomt. Dit bijzondere concept is nog niet eerder op deze schaal in vuurwapens toegepast.

Het was zeventien minuten voor drie toen ik die nacht mijn “taxi” belde. Zevenentwintig minuten later werd er grootlicht opgegooid in de straat. Ik stopte de Calico onder mijn trui tussen mijn broeksriem en begaf me naar het wachtende voertuig.
De chauffeur was een jonge Noord-Afrikaan. Of zoiets.
“Ken je de weg, knul?”
“Jawel, sir.”
Dertien minuten later stapte ik uit.

Onder een straatlantaarn begon ik een sigaret te rollen. De wind nam het vloeitje haast ogenblikkelijk mee. “Fuck!” Ik diepte een nieuw velletje op en herbegon, iets gestresster nu. Mijn zenuwen stonden gespannen.
Op mijn horloge was het even over halfvier. Mijn hand gleed reflexmatig naar de Calico alvorens ik de brand in mijn saffie stak en daarna schichtig de straat overstak. Voor me doemde de haag rond nummer 17 op. Ze was hoog, onverzorgd en quasi ondoordringbaar wegens massa’s doornen. Het donkergroene en deels afbladderende hek, de enige toegangsmogelijkheid, was op slot. Het lukte me vrij goed om er overheen te klauteren, ondanks de stalen punten bovenop het rasterwerk. Ik zette me af en landde zacht op een smal klinkerpad. Een vijftal seconden bleef ik, roerloos gehurkt, luisteren. Niks. Vervolgens trok ik de achtertuin in.

De maan liet een bos heesters in flets licht baden. Ik ontwaarde een grindpad en vermeed het. Onder een grote treurwilg schroefde ik langzaam maar gedecideerd de geluidsdemper op de Calico. Daarna richtte ik met gestrekte arm het wapen even naar de maan en keek langs de stalen loop recht in haar pokdalig gezicht. Prima.
Nadat ik het pistool onder mijn oksel had geklemd, stapte ik tergend traag in de richting van de linker benedenkamer. Daar sliep hij. “Hij is te dik om nog boven te raken”, had Tom me toevertrouwd. “En hij slaapt altijd, eender welk seizoen, met het raam open.”
Tom kreeg gelijk.

Onder het raam stonden vier lege terracottapotten op het betegelde pad dat de woning omsloot. Het leek me beter om ze niet opzij te zetten maar vanaf hier goed op te letten waar ik mijn vijfenveertigers neerplantte.
Rechts van het raam hield ik halt, leunde met mijn rug tegen de gevel en spitste de oren. Er was geen enkel geluid waarneembaar. Hij sliep toch wel al, zeker? Ik hield mijn adem in – vijf, tien seconden. Een zacht, welhaast monotoon gezucht bereikte mijn oren. Hij was er. En hij sliep bovendien als een roosje.
Op het moment dat ik naar de Calico wilde grijpen, voelde ik hem ineens vanonder mijn oksel schuiven. Met een katachtig snelle uithaal kon ik maar nipt verhoeden dat het pistool op het tuinpad kletterde. Het zweet brak me terstond langs alle kanten uit. Ik onderdrukte een zucht, draaide me om en ging pal voor het open raam staan. Mijn ogen waren ondertussen gewend geraakt aan het duister en de maan was mijn compagnon.
Hij lag op zijn rug, had de dekens opzij gewoeld, en zijn pafferige gezicht werd zwak verlicht door het nachtschijnsel. Het enige wat hij droeg was een lichtkleurige ouderwetse onderbroek. Op het moment dat ik mijn wapen wilde richten, voelde ik een niesbui opkomen. Terstond liet ik de Calico zakken en duwde mijn wijsvinger hard tegen de onderkant van mijn snufferd. De prikkel ebde weg. Ik richtte opnieuw, legde gedecideerd aan en vuurde.
Vier, vijf (zes?) gedempte plopjes ontsnapten aan de Calico. In de beklijvende stilte van de nacht klonken ze me echter in de oren alsof iemand met een pollepel op een blikken ketel sloeg. Ik schrok op uit de extase, keek pijlsnel links en rechts van me en draaide me daarna als een wervelwind om. De zenuwen gierden nu in hoog tempo door mijn bezwete lijf.
Het bleef volkomen stil. Er vlogen geen vogels verschrikt uit de bomen op, er liepen geen katten angstig schreeuwend weg en nergens hoorde ik iemand een rolluik optrekken. In mijn kop was ik alles honderdvoudig aan het uitvergroten.
Ik draaide me weer om naar het slaapkamerraam. Hij lag er nog net zoals daarstraks. Alleen had zowat drie kwart van zijn hoofd zich muurwaarts verplaatst waar het nu in honderden bloederige partikels tegenaan kleefde. Een stroperige stroom donker bloed gutste schoksgewijs uit wat er restte van zijn schedel. De hoofdsteun van zijn bed was twee spijlen kwijtgespeeld door de kogelregen. Op die open plaats hing thans een ondefinieerbaar kluwen druipende slierten; een donkere massa met talloze bleke stukjes in vervat.
Ik moest hier weg.
Nu.

De Noord-Afrikaanse taxi was in velden noch wegen te bespeuren zodat ik aangewezen was op de benenwagen. Ik struikelde vier keer, hoestte ettelijke malen de longen uit mijn lijf en droop onderhand van het zweet. Toen ik uiteindelijk de achterdeur van mijn woning openduwde, waren de veters van mijn Nikes al los. Binnen trok ik de nieuwe sportschoenen uit en gooide ze bovenop een berg papierproppen in de haard. Uit de mand met sprokkelhout griste ik een bussel droge twijgen en posteerde die ijlings onder de Nikes. Bevend tastte ik in mijn binnenzak naar mijn aansteker maar vond hem niet. “Merde! Mèèèrde!” Ik griste een doosje lucifers van het salontafeltje, trok het ruw open en vloekte luidkeels toen de ganse inhoud zich op het tapijt verspreidde. “Licht! Ik heb hier verdomme licht nodig!”
“Ontspan je toch, Menck.”
Prompt verstijfde ik. Meteen trok al het bloed uit mijn gelaat weg. Toen ik me omdraaide, keek ik recht in het met een glimlach getooide gezicht van Tom. Hij had me al die tijd geobserveerd vanop de bank.
“Hoe…?”
“Ssst, Menck. Ontspan je nu toch eens. Hier.” Hij reikte me een rietje aan.
Toen pas ontdekte ik de twee sneeuwwitte lijntjes op de tafel.
“Wat heeft dit te betekenen, Tom? Huh?” Ik bleef hem aangapen.
“Dit, mijn beste Menck, is een toost op het welslagen van je opdracht. En dit…” Hij plofte een minutieus dichtgekleefd bruin pak op het tafeltje. “… is voortaan allemaal van jou. We staan quitte.”
Ik voelde hoe mijn spieren zich ontspanden.
“Neem je het rietje nog aan of moet ik er blijven mee zwaaien?” Tom lachte.
“Lap me dat nooit meer, kerel.” Ik nam het strootje van hem over en ging naast hem zitten op de bank.
“Je bent vrij van schulden, maat. En ik ook. Ik ook. Dankzij jou.” Een schouderklop. “De gek is morsdood. En zijn geld rendeert.”
“Dat kun je wel zeggen, ja.”
Ik wierp een snelle blik op het bruine pakket, knipoogde naar Tom, boog me voorover en liep diep snuivend het ganse lijntje af.

Ground Control lost Major Tom

A little piece of you
The little peace in me
Will die [This is not a miracle]
For this is not America

Blossom fail to bloom
This season
Promise not to stare
Too long [This is not America]
For this is not the miracle

There was a time
A storm that blew so pure
For this could be the biggest sky
And I could have
The faintest idea

[For this is not America, sha la la la la, …]

Snowman melting
From the inside
Falcon spirals
To the ground [This could be the biggest sky]
So bloody red Tomorrow’s clouds

A little piece of you
The little piece in me
Will die [This could be a miracle]
For this is not America

There was a time
A wind that blew so young
For this could be the biggest sky
And I could have
The faintest idea

[For this is not America, sha la la la la, …]

The chainsaw massacre

“Die boom is echt wel véél te groot geworden. Hij neemt onze zon weg!”

Aan het woord waren de rechterburen van mijn vader. Dat zijn blijkbaar mensen die de zon als hun eigendom claimen.
De boom in kwestie betreft de overjaarse berk in de ouderlijke tuin. Die majestueuze witschors staat mooi te wezen op minstens vijftien meter afstand van de perceelgrens. Met zijn hoogte van welhaast twintig meter is het geen kleine jongen, maar om nu te zeggen dat hij de zon wegneemt, is je reinste lulkoek. Ik wist overigens niet dat een boom de zon kan wegnemen. Als in: ik pluk je uit de hemel, gij vermaledijde koperen ploert.
“Laat je niet overhalen, pa”, adviseerde ik mijn vader die avond. “Je weet dat er een stel mierenneukers naast de deur woont. Door de berk komt hun terras ’s zomers hooguit een kwartiertje in de schaduw te liggen. Omwille daarvan ga je die oude reus toch niet neerhalen?”
“Neerhalen? Ik denk er niet aan. Maar drastisch snoeien wil ik misschien nog overwegen. Ik sta liever op goede voet met mijn buren, Menck. Het is me geen geruzie waard.”

Wie een berk aanschaft, beste lezer, weet op voorhand hoe groot hij zal worden. Kies in functie daarvan diens standplaats en besef bovenal dat een berk normaliter nooit dient gekortwiekt te worden. Meer zelfs: een berk drastisch terugsnoeien is een erg delicate operatie waarvan de gevolgen nimmer met zekerheid kunnen worden voorspeld. De sapstroom komt al erg vroeg in het jaar op gang en dat kan tot het zogenoemde bloeden leiden. En als een berk begint te bloeden, doet hij dat zelden bescheiden, soms met geheel of gedeeltelijk afsterven tot gevolg.
Wie, om welke reden dan ook, toch een berk gaat kortwieken, doet zulks bij voorkeur tussen halfweg december en de tweede week van januari. Door de kou ligt de sapstroom stil. Als het echter rapper dan verhoopt weer warmer wordt, kan het bloeden alsnog inzetten. Nogmaals: een erg delicate actie, en al zeker tijdens een winter als deze waar er van echte kou nog steeds geen sprake is.

Ondanks mijn eerdere tegenkantingen – “Van een berk moet je afblijven, pa!” – bleek mijn vader enkele dagen later ineens niet meer te vermurwen. De buren hadden hem er ongetwijfeld nog een paar keer op aangesproken.
En zodoende werd de berk gekortwiekt. Drastisch gekortwiekt. Ik zou bijna van kandelaberen gewag willen maken. Het resultaat is een voor meer dan de helft ingekorte hoofdstam en een stuk of wat resterende affreus kale zijstompen. De boom, of wat er thans moet voor doorgaan, doet me denken aan The Texas Chainsaw Massacre: pure horror als gevolg van gewelddadig en nietsontziend kettingzaagwerk, akelige bloedscènes incluis. Dit is een steek door mijn tuiniershart en een echte aanfluiting van de hovenier die prat gaat op zijn respect voor de natuur.

“Als de berk dit al overleeft, zal hij nooit meer uitgroeien tot de statige schoonheid die hij voorheen was”, gaf ik mijn vader mee. We stonden op het verhoogde terras getweeën naar de gehavende sukkelaar te staren. “Hij zal veeleer lijken op een overmaatse struik op stam dan op een fiere boom doordat hij een heksenbezem van flutstammetjes zal aanmaken in plaats van een nieuwe top te vormen.”
“Het is goed zoals het is”, was mijn vaders dwarse antwoord. “Bovendien gaat zulke kerngezonde reus heus zo snel niet naar de filistijnen.”
“On verra, papa.”
“En stront is kaka”, repliceerde hij infantiel rijmend ten teken dat verdere discussie niet aan hem besteed was.
“Ik krijg het koud, ik ga naar binnen”, besloot ik.
“Koud? Zo koud is het nochtans niet.”
“Het is de aanblik van zoveel doffe ellende die me koude rillingen bezorgt, pa.” Waarna ik resoluut de veranda instapte en de deur achter me dichttrok.

[ Foto: Menck | Twaait ]