Plant van de Maand (2/12)

Natuurlijk-rijk kwam op de proppen met een challenge waar ik met graagte in mee stap: ‘Plant van de Maand’. Bedoeling is om, wars van alle periodieke en veelal commercieel beladen suggesties in tuinmagazines, uw geheel persoonlijke maandeigen lievelingsflora op de lezer los te laten middels foto‘s en wat duiding.
De inspiratie en de bezieling voor deze uitdaging zal ik elke maand uitsluitend uit eigen tuin halen.

Februari is voor velen de maand van de krokussen, de helleborussen en de sneeuwklokjes. Maar tussen al dat fraais gooi ik met graagte een kleintje dat evenzo hard de show steelt: de Iris reticulata of dwergiris. Met zijn blauwe, paarse, gele en witte kleuren, of zelfs een combinatie ervan, is het een plantje dat een prominente plaats op de voorgrond verdient. Dat is sowieso een vereiste door de geringe afmetingen van deze irissoort: met een hoogte van 10 tot 15 centimeter overtroeft het weinig andere vegetatie.
De dwergiris bloeit vroeg: de aanzet begint reeds in januari, maar in februari – en dat tot een eind in maart – geeft deze olijkerd het beste van zichzelf. Bovendien laat de Iris reticulata zich veelzijdig aanwenden: in volle grond, in pot, in de rotstuin en zelfs als snijbloem of in bloemstukken. Plant dwergirissen rijkelijk tussen krokussen en er ontstaat een natuurlijk schilderijtje dat helemaal klopt qua kleuren, hoogte en standplaats. Bovendien zijn het beiden stinsenplanten (of stinzenplanten, zoals ze thans gemeenzamer zijn gekend).

Is de Iris reticulata een moeilijke plant?
Behoorlijk.
Want hoewel de bloemen meer dan de moeite waard zijn (en bovendien heerlijk geuren!), zijn dwergirissen als tuinplant vaak nogal onbetrouwbaar. Ze doen het dan slechts één jaar goed en duiken vervolgens niet meer op. Meer kans op slagen is er als je deze kleinoden als potplant aanwendt (en vorstvrij overwintert). Dien na de winter geregeld wat vloeibare meststof toe, want de hoeveelheid voedsel in een bloempot is natuurlijk eindig.
Doch wie ze in de tuin een plaatsje toekent op een zonnige tot heel tijdelijk beschaduwde plek in een eerder humusrijke en goed gedraineerde – bij voorkeur alkalische – grond, komt niet snel voor verrassingen te staan. Zorg er in dezen vooral voor dat ze ’s zomers niet nat staan; een bodem die snel het water afvoert, is zodoende een absolute vereiste. In onze veeleer zanderige tuin houden ze het zo toch al een jaar of zes vol, maar de op papier beloofde spontane snelle vermeerdering blijft helaas uit.

De grootste belager van de Iris reticulata is de slak. Die heeft het voornamelijk op de bloemblaadjes gemunt. Het voordeel is echter dat slakken nog niet zo omnipresent zijn op het moment dat de dwergiris bloeit, al hangt zulks voornamelijk van the goodwill van het vroege voorjaarsweer af.

Benieuwd naar de Plant van de Maand van andere bloggers? Of zelf inhaken op deze challenge? Klik HIER.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Reason: een reden te meer

Ze heeft me deze keer behoorlijk van mijn sokken geblazen met haar stem. Voorheen was ik niet zo’n fan van het stokkerige dat ze erin legde, maar thans krijgen stevige uithalen, doorleefde rauwheid en ware kracht een prominente plaats. Ik hoor de blackness van blues en swing als ze diep gaat, maar ook de zwartheid van bittere wanhoop en droefenis. Ze bedient, wat mij betreft voor het eerst, haar ‘instrument’ met een beheersing die de perfectie nadert. Live beluisteren is de boodschap, want de studioversie is helaas iets te overijverig van de ruwe kantjes ontdaan.

‘Reason’, dus. En ‘Reason’ is de naar méér smakende voorbode van het gelijknamige nieuwe – tweede – album van Selah Sue. We hebben er de volle vier jaar moeten op wachten, maar in die tijd vond Sanne Putseys volop inspiratie in haar rol als plusmama van de twee kinderen van haar nieuwe partner. Dat wakkerde niet alleen haar verantwoordelijkheidsgevoel aan maar heeft er ook voor gezorgd dat ze minder de tijd heeft om het verdriet in haar leven toe te laten:

Reason, look at her and tell her what to do,
so she can come back to life and won’t feel sad no more.
Please tell her where to go
so she can find a place.

Kies voor de HD-stand op onderstaande video, geef uw volumeknop een lel richting 10 en leun vervolgens behaaglijk achterover. U zult er voorwaar geen spijt van krijgen.

Voor wie de meer gepolijste studioversie wil beluisteren: klik. (Voorlopig alleen beschikbaar in België.)

Château de Chatblis

Ik heb gisteravond, met Chatblis op schoot,
de manen op haar lijfje platgestreken,
waarbij ze mij spinnend heeft aangekeken
met ogen zo onpeilbaar diep en groot,
dat het me één moment heeft toegeleken
als was ze eeuwenlang al deelgenoot
van het geheim van leven na de dood
en thans op het punt stond om te spreken.

Een aandrang waar ze niet voor is bezweken,
omdat ze langzaamaan de ogen sloot
en me een tedere kopstoot aanbood
als halve aai en onmiskenbaar teken
dat ze wilde slapen op mijn schoot
en ik mijn strelen nú moest verbreken.

Zo heb ik urenlang muisstil geweken
en lag zij met een uitgestrekte poot
te klauwen in ‘t antracietgrijs en het rood
van mijn geliefde oude fleecen deken
tot ze ineens luidklagend wakkerschoot
en ik beschuldigend werd aangekeken.

Pff, katten.

[ Vrij naar ‘Joris’ van Driek van Wissen Foto: Menck | Twaait – aanklikbaar voor groter ]

Alles voor de seks (met het leven als inzet)

Heuglijke tijding: afgelopen vrijdagavond zijn de eerste drie knoestige padden gearriveerd in de vijver, hun geboorte- en voortplantingsplaats. Het zijn de dappere voorbodes van many more to come. Zachtere temperaturen en regen zullen hen massaal uit hun bed lokken.
Twee daarvan volbrachten de tocht op eigen kracht, de derde hielp ik de straat over, mijn handen als vangnet gebruikend. Het verrassend gladde diertje wrong zich in tig bochten om toch maar uit die vleselijke val te kunnen ontsnappen. Onvoorstelbaar hoeveel kracht die korte maar gespierde pootjes kunnen ontwikkelen.

We staan er niet voldoende bij stil, maar de trek van overwinteringsplaats naar voortplantingsplaats is voor een dergelijke logge amfibie een waar huzarenstukje. Een pad springt nauwelijks, maar waggelt en sjokt veeleer vooruit. Als je dan weet dat sommige padden afstanden tot twee kilometer afleggen om tot bij de vijver te raken, en vijftien tot twintig minuten geen uitzondering zijn om de gemiddelde landelijke tweebaansweg over te steken (bij jonge dieren zelfs een halfuur!), ga je pas écht beseffen wat zo’n dier lijden kan. Tel daarbij het moordende verkeer en je snapt meteen de nood aan de talrijke vrijwillige overzetacties.

Jaarlijks steken op de gekende oversteekplaatsen in Vlaanderen gemiddeld 38.000 amfibieën de weg over en in piekjaren kan hun aantal tot 70.000 oplopen. Het merendeel bereikt met de hulp van vrijwillige overzetters veilig de overkant van de weg. Helaas zijn niet alle aanrijdingsplaatsen gekend waardoor er toch nog veel dieren worden gedood.
Anders dan wat velen denken, zijn het niet zozeer de wielen/banden van uw auto die het meest lethaal zijn, doch wel de snelheid waarmee u over ’s heren wegen zoeft. Bij snelheden vanaf vijftig kilometer per uur worden padden onder de auto – en zelfs tot een meter naast de auto – door de luchtverplaatsing aangezogen en tegen de bodemplaat van de wagen gesmakt of iets verder weer tegen het wegdek geslingerd. Hierdoor worden ze vaak met een opengereten lichaam op het wegdek aangetroffen. Of alsnog tot moes gereden.
In Nederland geldt dientengevolge een wettelijke snelheidsbeperking van maximaal 30 kilometer per uur in de buurt van oversteekplaatsen; in België wordt zulks slechts geadviseerd. (Door onder meer Natuurpunt.)

Zelf meedoen met de paddenoverzet?

Kijk op deze website en zoek een paddenoverzetactie bij u in de buurt.
Neem contact op met de contactpersoon van de lokale actie. Hij of zij zal u kunnen vertellen waar en wanneer er amfibieën de weg over worden gezet. Dat hangt sterk af van het weer (en is dus niet elke avond). Contactgegevens vindt u bij elke actie.
Trek laarzen en fluohesje aan en overzetten maar! Trek er zeker niet op eigen houtje op uit. Hoe goed bedoeld het ook mag zijn, mensen die geen contact hebben genomen met de lokale coördinator doen soms meer kwaad dan goed.

[ Foto: Menck | Twaait ]

Over iteratie en reprise

Middels deze blog werd flora uitgebreid geïdoliseerd,
werd muziek geromantiseerd,
werden vintage en contemporaniteit geëxalteerd,
werden kunst en cultuur geglorificeerd,
werd de fauna uitgebreid gelauwerd,
werden er boeken opgehemeld,
werden mijn ouwelui bewierookt,
werd het doe-het-zelven en het recycleren geprezen,
werd madam Menck geadoreerd,
werd creativiteit geroemd,
werd het tuinieren geloofd,
werd er met alledaagsheid gedweept,
werd de loftrompet gestoken over mijn geliefde (West-)Vlaanderen
en werden de onzin, de fantasie, het schrijfplezier, de taal alsook de zotheid omhelsd.

Aanbidding, admiratie, eerbied, adoratie, respect, ontzag en be- dan wel verwondering: ze kruiden het leven op weldadige wijze en tilden deze stek naar een oord van beroering, vervoering en zo nu en dan ook wel ‘s ontroering.

Doch soms, zoals vandaag, heb ik het gevoel dat ik mezelf aan het herhalen ben. Dat zal u misschien niet meteen opvallen, maar doordat ik halfweg dit jaar reeds negen blogjaren op een zestal weblogs achter de rug hebt, bekruipt mij dat besef wél steeds stringenter.
Herhaling is, met andere woorden, het zwaard van Damocles boven deze stek. In herhaling vallen, betekent handelen tegen de wetten van de geest. Slechts wie steeds een ander is, mag in herhaling vervallen. En laat ik nou net mijn eigenste mezelf zijn, zeg.

Kortom: crisisberaad met zijn drieën: me, myself and I. U verneemt wel wat er uit volgt. Bruikbare tips mogen uiteraard altijd worden aangereikt. Want ú daar, die ook al wat langer blogt: het kan toch welhaast niet anders dan dat u dat gevoel ook wel eens hebt?

 

[ En, o ja, zelfs dit schrijven bezondigt zich aan iteratie en reprise. Ignosce mihi, o gij getergde lezer. ]

Creatief met Helleborus

You gotta love Helleborus.
Terwijl zowat de hele tuin nog dor is en in winterslaap, is hij de voorbode van de lente. Als een soort van belofte – in diverse maten, vormen en kleuren – die stante pede stevig omarmd wordt.
En toch. Helleborus is niet immer de makkelijkste plant in de tuin. Soms slaat ze aan, soms helemaal niet. Helleborus is kieskeurig qua standplaats – een beschut plekje in de (half)schaduw in goed doorlatende, kalkhoudende en voedzame grond – en gevoelig voor allerlei schimmels en ziekten. Maar eerlijk is eerlijk: Helleborussen groeien te onzent sinds jaar en dag als kool en tieren er welig, ongeacht de soort of variëteit. Ik plant ze, knip tijdig hun bladeren, doneer ze wat kalk en verder laat ik ze ongemoeid. Geen centje pijn. Zelfs spontane zaailingen vallen me jaarlijks te beurt.

Koren op Helleborus’ molen is zijn veelzijdigheid. Hij doet het in volle grond, als potplant op een terras of balkon, als snijbloem en zelfs als drijfbloempje op water in de huiskamer. In het laatste geval laat u aan de bloemen een centimetertje steel. Vul een schaal met water en posteer de bloempjes – bij voorkeur in diverse kleuren en vormen – er zodanig op dat ze het ganse wateroppervlak bedekken. Magisch!

Het afgelopen weekend bezochten madam Menck en ik de jaarlijkse Helleborusdagen van vasteplantenkwekerij Het Wilgenbroek in Oostkamp, nabij Brugge. Die lopen overigens nog tot eind deze maand. De kwekerij is wereldvermaard omwille van haar Helleborussen. Februari is daar dan ook dé topmaand bij uitstek.
We mochten er de Helleborus Award meemaken, de allereerste editie van een wedstrijd waarin maximum 25 floristen konden meedingen. Doelstelling: het creëren van het mooiste bloemstuk met Helleborus. Dat weekend werden de werken getoond aan het publiek en heeft ook een vakjury de creaties beoordeeld en prijzen toegekend.

Maar er is meer. Want op zondag 22 februari om halfdrie presenteert Grote Tuindame Dina Deferme er ‘Een leerzame reis doorheen de seizoenen in tuinen met gemengde borders’, een voordracht over het gebruik van planten in de tuin om het gehele jaar door van te genieten.
En op zaterdag 28 februari komt Wim Lybaert (VIER) er om 14:30 tal van basisbegrippen en allerhande tips voor een geslaagde moestuin uit de doeken doen in ‘Hoe start ik een moestuin?’. De deelname bedraagt telkens vijf euro.

Bon. Ik zal er alvast bij zijn op 28 februari. En van het afgelopen weekend heb ik tal van beelden voor u. Ik heb ze netjes gerangschikt op PICMENCK, de no click image viewer van TWAAIT.

Allen daarheen!

Van naaldje tot plaatje

Driewerf hoera, want dit weekend heb ik, zonder de minste twijfel, een oude liefde van 41 lentes in mijn armen gesloten met een innigheid van heb ik jou daar. Prompt sloegen de vonken van weleer in alle hevigheid over.
Wat meer is: ik hoop van harte dat onze nog prille relatie heel lang mag blijven duren, want ik geniet er met volle teugen van. Er is weer muziek in mijn leven. Het soort muziek waar ik véél te lang van verstoken ben gebleven.

Mijn madam was oprecht blij voor me. “Wat een heerlijk model!” fluisterde ze me toe na de eerste kennismaking. “Echt een klassieke schoonheid.”
Iets wat ik alleen maar kon beamen.

“Kunnen je helden van weleer eindelijk eens uit de kast komen”, gaf ze me enthousiast mee.

“Wees maar zeker! Beter dan ze te moeten ophangen, nietwaar?”

Ik stuurde een omineuze knipoog haar richting uit. Waarna we schier gelijktijdig naar de deurklink grepen en Sint-Valentijn binnenlieten.

* * *

Deze snaaraangedreven Philips electronic 677 direct control is van bouwjaar 1976 en kwam mijn richting uit met een heuse meevaller: een – gloednieuwe! – reservenaald. (Waar kun je die dingen nog kopen tegenwoordig?) Bovendien is hij aansluitingsgewijs geheel compatibel met mijn trouwe stereoketen (anno 1991).
Hoewel Philips niet echt gekend was als platenspelermerk, viel deze draaitafel destijds op door zijn zeer goede prijs-kwaliteitsverhouding. Niet zelden kwam dit model als beste uit de tests. Natuurlijk werd het dan wel vergeleken met draaitafels uit dezelfde prijscategorie, maar het kon desalniettemin makkelijk de concurrentie aan met de toenmalige duurdere merken zoals Dual (mijn allereerste platenspeler!) en Thorens.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Blijvend bloemstuk in 10 stappen

Eigenhandig een duurzaam tafelstuk vervaardigen, hoeft niet moeilijk te zijn. Hierbij help ik u met graagte en middels tien stappen op weg, want zo’n lieverd ben ik wel.

  1. Wacht tot uw serre in brand vliegt. (Bijvoorbeeld door een korstsluiting.) Gehaaste zielen kunnen het geheel wat bespoedigen door zelf lucifers ter hand te nemen. Zorg er dan wel voor dat de verzekering kwaad opzet uitsluit, want u wilt hier uiteraard uw broek niet aan scheuren;

  2. Laat de vlammen een tijdje hun werk doen. Ondertussen kunt u, ik zeg maar wat, koortsachtig verder op zoek gaan naar uw gsm die u al ruim een uur kwijt bent;

  3. Gsm gevonden? Prima, want bij voorkeur belt u nu de brandweer. De loeiende sirenes lokken de buren naar buiten, richting uw tuin. Zulks bevordert het sociaal contact enorm. Een extra opsteker, kortom;

  4. Eens de fik geblust, neemt u spade en zaag ter hand en verwijdert u de verkoolde druivelaar;

  5. Pluk de met roet beslagen druiventrossen. Hier kunt u later brandewijn van maken. Laat u bedwelmen door zijn aroma’s van pittige vuurkruiden;

  6. Zaag de druivenstam in gewenste lengtes. Zij zullen straks de basis van uw tafelstuk vormen. Het hout laten drogen is, maar dat kon u al wel bevroeden, niet meer aan de orde;

  7. Scharrel wat plakken mos uit de tuin bijeen. Geen mos in uw tuin? Dan bent u wellicht een te propere tuinier die heel wat fraais aan zijn neus ziet voorbijgaan;

  8. Schaf u bloemschikvaasjes aan. Dat zijn kleine glazen stolpjes die door middel van wat binddraad aan de druivenstokken kunnen worden bevestigd om daarna te worden gevuld met water. U kunt deze kleinoden voor een appel en een ei verkrijgen in zowat elke bloemen- of plantenzaak;

  9. Steek in elk vaasje een bloem naar keuze. Heden prijken er bij ons bloempjes van de Viburnum tinus in. Ook Helleborus doet het prima;

  10. Schik als afwerking het mos naar eigen creativiteit rond en tussen het bloemstuk. Let wel: vers mos is vochtig. Zorg dus maar beter voor een – bij voorkeur weinig opvallende – tafelbescherming.

Et voilà: een blijvend tafelstuk dat continu verandert van kleur en uitzicht zonder grote ingrepen. Zo zag het er uit tijdens de afgelopen feestdagen:

En twee weken later was het alweer helemaal anders:

Kortom: geef uw creativiteit maar eens de vrije teugel.

O ja: de serreperikelen zijn gelukkig goed afgelopen. De verzekering heeft netjes betaald en de nieuwe kas was eind oktober al een feit. Momenteel herbergt ze onze niet-vorstbestendige potplanten tot zowat eind april. Daarna zal ze worden ingepalmd door tomaten en tal van zaailingen.
Een druivelaar komt er niet meer in; onze brandewijnproeverij werd allerminst op gejuich onthaald.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Verdraagzaamheid: een vorm van moeheid?

Een paar huizen verderop woont een regelrechte poehamaker. Veel blabla en weinig boemboem; u kent dat soort volk wel.
Toch ga ik met hem om, zij het niet van ganser harte. Tijdens de nieuwjaarsreceptie van de buurt, bijvoorbeeld. Of op een feestje van de wijk. Zelfs een babbel op straat komt al ‘s voor.
Dat is mijn sterkte, maar tegelijk ook mijn zwakte: verdraagzaamheid. Ons ‘nu en dan’-contact doet hém ongetwijfeld deugd, maar mij een pak minder. In plaats van die mens eens goed te zeggen waar het op staat, luister ik, doorgaans verveeld dan wel geërgerd, naar wat hij wéér maar eens gerealiseerd, gekocht, gepland of verdiend heeft. That’s me. En dat heeft niets met edelmoedigheid te maken. Nee, ik ben simpelweg een allemansvriend én een dwazerik tegelijk. Want vrijwel iedere andere buur mijdt die kerel. Als hij zijn kop nog maar durft buitensteken, worden in onze straat gesprekken afgerond en tuinpoorten dichtgetrokken.

‘Cool, jij kan met iedereen om’, hoor ik u denken.
Zo bijster cool vind ik dat eigenlijk niet. Ik wou dat ik me eens wat vaker kon vermannen om in voorzichtige doch niet mis te verstane bewoordingen duidelijk te maken wat ik écht van iemands uitlatingen of gedrag vind. En zodoende stoom te kunnen aflaten ter preventie van een exploderende ergernis. Want buurman is zeker geen alleenstaand geval.
Echter, ik haat de koele ruzies die daar dan zo vaak op volgen. Ik verafschuw de mijdende blikken, het elkaar uit de weg gaan en de onderdrukte spanningen. Dat er mensen zijn die zich daar niet in het minst iets van aantrekken, gaat mijn petje te boven.
Wat vreemd is: met familie en vrienden heb ik dat allemaal niet. Als hun gezever me niet aanstaat, dan maak ik hen dat prompt kenbaar. Als ik vind dat ze verkeerd bezig zijn, dan krijgen ze mijn mening stante pede op hun bord. Terwijl ik bij die mensen nou net iets eerder fluwelen handschoenen zou moeten dragen en de impulsiviteit beperken, geef ik daar te vaak geen ene moer om. De achterliggende gedachte in dezen is wellicht dat wat ons bindt zodanig duurzaam is dat het wel een stoot kan incasseren. Waardoor ik, al dan niet bewust, vergeet that there’s a thin line between love and hate.
Is zulks dan een gebrek aan verdraagzaamheid mijnentwege? Of is het net bekommernis?
Verdomde moeilijk.

Als ik de poehabuur en consorten laat praten en praten, dan weet ik: jullie nonsens gaan het ene oor in en het andere uit. Want ik ben totaal niet begaan met dat slag mensen. Wat vervolgens gek genoeg resulteert in een verdraagzamere opstelling.
Het lijkt me dan toch niet geheel en al juist om te stellen dat je je vaak minder verdraagzaam opstelt tegenover iemand om wie je wél bekommerd bent. Echter, laat dat nou net hetgene zijn dat ik welhaast moet concluderen uit mijn bovenstaande overpeinzingen.
Ergens ga ik dus in de fout.
Kunt ú mij misschien zeggen wáár?

Schijn bedriegt

Wat denkt u als u bovenstaande foto ziet? Dat dit een hoop bijeen gewaaide dan wel aangeharkte bladeren is?
Schijn bedriegt. Er zijn namelijk verdroogde clematisranken in verweven alsook talloze strootjes siergras en een handvol geraniumstengels. De constructie – want dat is het wel degelijk –  heeft alzo wat weg van een omgekeerd overmaats vogelnest; zo’n dertig centimeter hoog en een doorsnee van ruim een halve meter.
Ik had een vermoeden wat eronder zat, maar wilde dat toch bevestigd zien. En ziedaar: een winterslaper die zonder de minste twijfel erg prikkelbaar zou zijn geworden indien ik hem had gewekt:

Als de wiedeweerga sloot ik egelmans abri weer netjes af na een haastige – en daardoor helaas slecht gefocuste – foto te hebben genomen.
Zulk een lumineus geconstrueerd slaapkamertje in de tuin: dat is a) het voordeel van een niet gestofzuigde winterse tuin en b) een overduidelijke hint dat ik de boel nog maar beter even de boel laat. Want toegegeven, u wordt toch ook niet graag te vroeg gewekt, nietwaar?

 

O ja, na hun winterslaap zijn egels überschattig, zeker na een gulle portie malse kattenbrokjes. Al blijft knuffelen desalniettemin een difficiele situatie:

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Altijd Ergens

Dat ik geregeld eens een camera hanteer, maakt van mij nog geen fotograaf. De Van Dale online denkt daar nochtans anders over; een fotograaf wordt er omschreven als ‘iemand die foto’s maakt’.
Een beetje kort door de bocht. Fotografen schrijven met licht in plaats van simpelweg iets vast te leggen. Een goede foto is je reinste verwennerij voor het oog. Je mag er niet naar kijken, je moet er van opkijken. Een goede foto is een beeld waar je je langer dan vijf seconden op focust. Omdat het emoties losweekt. Omdat het dynamisch en expressief is en er uitspringt. En dus niet zozeer omdat het beeld perfect scherp is of foutloos belicht. Al is dat altijd mooi meegenomen, natuurlijk.

Michiel Hendryckx is, zonder de minste twijfel, een fotograaf. Dat bewijst zijn nieuwste boek, ‘Altijd Ergens’, eens te meer. Het bewijst tevens dat hij ook een begenadigd schrijver is. In zijn begeleidende teksten geeft de auteur niet alleen een schat aan informatie mee, maar durft hij ook als geen ander jaloersmakend romantisch te zijn.
Vorige week heb ik me het lijvige werk aangeschaft. Wie geregeld de weekendbijlage van De Standaard ter hand nam, wist dat het er zat aan te komen. Door tal van voorpublicaties werd mijn interesse danig gewekt. Voor het DS Weekblad reisde Hendryckx namelijk gedurende twee jaar wekelijks naar een andere plek voor een beeld en een verhaal – de wereld rond van Wakayama over Gent en Dover naar Seattle en terug.

Is het, kortom, een goed boek?
Het is een fantastisch boek!
Wie sterke foto’s wel naar waarde weet te schatten, zal het werk zonder enige twijfel in de armen sluiten. Dat geldt overigens evenzeer voor wie graag leest; Hendrickx’ teksten zijn uiterst genietbaar.

‘Altijd Ergens’ is vóór alles een statement in nederigheid. Als we iets gemeen hebben, dan is het dat we allemaal wel altijd ergens zijn. In huis, op het werk, in een wachtkamer of een gevangenis. Of gewoon op reis. Reizen is op zich niets bijzonders. Het is hoogstens een iets nieuwsgieriger manier van ergens thuis zijn.
Dit boek draagt de stille wens in zich de lezer uit te dagen om me achterna te reizen, al dan niet letterlijk. Daar is niks oneervols aan. Altijd is wel iemand ons voor geweest, nergens nog komen we voor het eerst. Alle reizigers zijn volgers.

Michiel Hendryckx, ‘Altijd ergens’, drukkerij Die Keure, uitgeverij Hannibal – ISBN 978 94 9208 1032 | 236 pagina’s | € 35

[ Foto’s 1,3,4,5: Menck | Twaait – Foto 2: Michiel Hendryckx, uit ‘Altijd Ergens’ ]

Photo Challenge: ‘Beeld van een beeld’ (2/12)

Wie het gat waar ik woon via de westkant binnenrijdt, kan onmogelijk naast deze grote bronzen schone kijken. Ze staat te midden van een rondpunt dat momenteel heraangelegd wordt. Het beeld is van dorpsgenoot Irénée Duriez.

Duriez (°1950 te Torhout) verwierf bekendheid als beeldhouwer en maker van hoofdzakelijk vrouwelijke figuren, als schepper van een oorspronkelijk robuuste en daarna geleidelijk zuiverdere en slankere elegantie.
Brons is zijn bouwstof, de afbeelding zijn taal. Hij beschouwt het levende model als een stimulans, als een bron van creativiteit die hem intrigeert, raakt en verleidt in verschillende houdingen, standpunten, gevoeligheden en emoties.

Zijn werk is een ode aan de jonge vrouw. Een bewuste keuze die tot uiting komt in de verfijning van zijn driedimensionale aanpak, in de verwezenlijking van handen, voeten en gezicht, in de subtiele integratie van een tastbare emotie, spieren en spanningen. Het is gekend dat beeldhouwers volumes graag aanraken en betasten – een kuit, een dij, een rug – om daarna die voelervaring te herhalen, als het ware op basis van het geheugen van hun handen. De aangeraakte vorm ligt verankerd in de hand en vertaalt zich vervolgens in klei of was.
In zijn figuren wil Irénée Duriez perfectie en gevoeligheid weergeven, zijn vakmanschap en creativiteit roemen en respect betonen voor de lichaamsvormen van zijn model. Zijn beelden belichamen de triomf van het volume, weerspiegelen zijn basisvisie over de beeldhouwkunst en geven een vrouwelijk en bloeiend sensueel archetype weer.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

De Tien Totalitaire Bloggeboden

U hebt Facebook de rug toegekeerd? U hebt thans lang genoeg gelurkt of vanop de zijlijn toegekeken? U vindt Twitter niet diepgaand genoeg en bent Tumblr onderhand zo beu als kouwe pap?
Als het gevolg daarvan is dat u eindelijk zélf eens een weblog wil beginnen, dan houdt u maar beter rekening met de Tien Totalitaire Bloggeboden.

  1. Zeur noch zanik. Wees bovendien karig met het opwekken van medelijden. Tenzij u kanker hebt; daarover schrijven is een instant hit.

  2. Schud bijwijlen eens wat humor uit uw mouw. Als u geen grein gevoel voor schertsende luim hebt, kunt u maar beter over uw zwangerschap/kindje(s) schrijven; zulks is een gebruiksklaar succes bij drachtige deernen en kakelverse moedertjes.

  3. Vermijd ellenlange lappen tekst. De aandachtsspanne van de gemiddelde lezer is relatief kort. Als u daarenboven uitpakt met kleine fonts en felgekleurde of te rijk gevulde achtergrondjes, kunt u het al helemaal vergeten.

  4. Gooi regelmatig eens wat (zelfgenomen!) foto’s in de strijd. Ze ventileren en adstrueren uw tekstblokken. O ja: pleur zo nu en dan ook eens een moeilijker woord op uw stek. Dat staat geleerd en positioneert u hoger op de schaal van adoratie.

  5. Reageer veelvuldig op tal van blogs. Wie een reactie geeft, krijgt er meestal eentje terug. Wie bij niemand reageert, zal uiteindelijk in de woestijn staan roepen. Het is dé ongeschreven wet van de blogosfeer.
    Echter: gooi geen stokken in het hoenderhok. Het gros van de bloggers heeft lange tenen en verdraagt kritiek net zo goed als maagzuur na een nachtje doorzakken.

  6. Als u ‘Ik reedt’ en ‘U verkeerd’ in uw teksten laat sluipen, trekt u een beperkt lezerspubliek aan. U treft dit volkje ook op 2dehands.be en in het reactieluik van Het Laatste Nieuws online.

  7. Door over uiteenlopende onderwerpen te schrijven, is nog niemand gestorven. Integendeel: vermijd dat uw lezersschare u vriendelijk doch dringend adviseert om toch maar eens een andere zaag te spannen. Variatie en spontaniteit vormen een wezenlijk bestanddeel van het menselijk geluk.

  8. Het hebben van een Groot Bloggend Voorbeeld, dat u uit idolatrie gaat na-apen of op wiens succes u tracht te drijven, is een absolute no-go. Graantjes meepikken van bloggers die hoge ogen gooien, getuigt van persoonlijke onkunde en een onomstotelijk gebrek aan inspiratie en originaliteit. Bovendien moet u dan officieel als miet worden bestempeld.

  9. Ga lange blogstiltes uit de weg. Eén – en bij voorkeur twee of meer – stukjes per week zijn de conditio sine qua non om niet als would-be-blogger te worden aanzien. Uw aanvankelijk lezerspubliek zal u anders al snel wegen en te licht bevinden.
    Het druk hebben, is evenmin een excuus. Of is ’s avonds een uurtje tv opofferen te veel gevraagd, misschien?

  10. En last but not least: neem alles wat uw typende collegae aan het scherm toevertrouwen met een stevige korrel zout. *insert wink*

De krakers van het ijskasteel

Zondag 1 februari.
Het hagelt, het regent, het sneeuwt natte vlokken.
Tussen twee buien door trek ik onder een zwaarbeladen uitspansel de verzopen tuin in. Hij geurt naar kleffe aarde en rottend loof.
Het houten terras is doorweekt, groenig en verraderlijk glad, de vijver treedt ei zo na buiten zijn oevers. Het is halfvijf en er heerst een complete stilte. Prompt trekt er een rilling over mijn rug; de winter kietelt me treiterig.
Maar! Zelfs met een koude hand liefkoost de lijzig ontwakende natuur de krakers van het ijskasteel. Krokus en helleborus, longkruid en hemerocallis, winteriris en judaspenning: ze beschimpen stuk voor stuk dit barre seizoen en lonken naar de lente. Ik zou die winterse schonen in mijn tuin in een gedicht willen zetten. Doch waarom zou ik? Ze bevinden zich per slot van rekening waar ze zijn moeten: in een gedicht daarbuiten. Dat van het verlangen.

U treft het HIER.

Gedichtendag

Toen ik vorig jaar op vier december,
vijf minuten voor de nacht,
als overblijver het gelag afsloot,
doofde Ruth het licht boven de bar
en kwam naar me toe.

De hele avond, zei ze,
had er een vrouw voor het raam gestaan,
en naar mij gekeken.

Ik keek naar buiten maar zag niemand.
Alleen zij had haar gezien, verklaarde ze;
en nu was ze verdwenen.

Ik vroeg haar hoe ze er uit had gezien,
en zij beschreef mijn moeder,
die twaalf maanden tevoren was gestorven.

Toen vroeg ik of ze opgewekt had gekeken.
Neen, juist niet, zei ze.

Adembenemend

Onderstaand vindt u het relaas van een allereerste kennismaking, jaren geleden. In volstrekte privékring, want ik was een bleu. (En ik ben dat vandaag nog steeds.)

“Maar ontspan je dan toch eens!”
Die verzuchting kwam van mijn madam, die gans uitgestrekt en met gesloten ogen ruggelings op een blankhouten bank lag. Op haar buik verzamelden zich onafgebroken glinsterende zweetdruppels die zowat iedere twintig seconden aanzwollen tot een plasje. Via haar zij gleed dat vervolgens in ragfijne stroompjes uiteen op de badhanddoek.
“Ik krijg hier verdomme geen adem.”
“Ga dan liggen. Hoe hoger je zit, hoe heter de lucht en hoe benauwder je het krijgt.”
Ik zuchtte, moest daardoor hoesten, en ging neerliggen. “Dit noemen ze dan ontspanning. Een marteling is het, ja. Hoelang dienen we in dit kotje te blijven?”
“Nog…” Ze bracht haar arm omhoog en blikte op haar uurwerk. “…negen minuten.”
“Ik ga dood.”
“Doe maar. Dan ben je tenminste stil.” Ze liet haar arm weer langs haar zij vallen en sloot opnieuw de ogen.
Het bezoek aan dit wellnesscenter was mijn idee geweest. “Verrassing, schat! We zullen ons eens heerlijk laten verwennen,” had ik vorige week gekraaid, daarbij een reservatiekaart voor haar neus wapperend. Ik werd op een blijdschapkreet en een stevige smakkerd onthaald. Nu ik me in deze gloeiendhete saunacabine bevond, was mijn aanvankelijke enthousiasme geheel bekoeld. Dit was je reinste foltering.
“Moet je nou kijken,” riep ik na een tijd uit.
“Wat dan?” Ze bleef roerloos en met gesloten ogen liggen.
“Mijn ballen zijn zowaar aan het koken in eigen nat! Beangstigend hoe dieprood ze zijn. We hadden een eierwekker moeten meebrengen.”
“Die is er.”
“Wat bedoel…?”
Ineens weerklonk er een gerinkel alsof iemand een oude fietsbel beroerde. De vijftien minuten stomen waren voorbij. Ik sprong recht, trok de matglazen deur open en ademde diep in.
“Zin om wat af te koelen, heterd?”
“En of! Een drankje?” Ik loerde naar de belendende privébar.
Sort of. Kom maar mee.” Ze ging me voor naar een deels afgesloten wit betegelde ruimte. Aan het plafond hing een soort vooroorlogse houten emmer met een trekkoord aan. Ze stapte eronder, gaf een ruk aan het touw en werd terstond bedolven onder een wilde watervloed. Er volgde een korte gil, wat op-en-neergehuppel en een luide ‘Pfieuw!’
“Nu jij! Dit is echt een tintelsensatie van jewelste.”
“Is dat water op temperatuur?” Ik keek bedenkelijk naar de emmer die nu automatisch opnieuw aan het vollopen was.
“Voel maar!” Ze dirigeerde me speels maar kordaat onder de emmer en voor ik er erg in had spatte de ganse inhoud met een bruuske gulp over me heen. Had iemand me op dat moment in een wak op de Noordpool gegooid, dan zou zulks een gelijkaardig resultaat hebben opgeleverd: ik gilde als een speenvarken en liep wild armwiekend onder de emmer vandaan. Mijn madam gierde het uit.
“Fuck jong, mijn hart!” Ik legde ostentatief mijn hand op mijn borst.
“Tere ziel, toch. Dit is super voor de bloedsomloop,” hikte ze na. Ze hield me een handdoek voor die ik gretig aannam. “Schenk jij maar twee drankjes in, dan ga ik alvast in de jacuzzi.”
Twee minuten later zaten we, beiden met een groengele cocktail in de hand, in een ruime en zalig warme wildwatertobbe.
Dit noem ik nu eens genieten!” Ik nam een nip van mijn glas en liet me behaaglijk achterover zakken. “Hoe lang duurt deze ronde?”
“Een halfuur.”
“Fan-tas-tisch.” Ik sloot de ogen.
“En daarna…” Ze plooide het rietje naar haar mond en nam een slok van haar drankje.
“Wat?”
“…doen we alles nog eens over.”
“Nee!” Ik ging rechtop zitten en keek haar recht in de ogen. “Hierna volgt toch iets anders, mag ik hopen?”
“Oké, het is enigszins anders. In plaats van in de sauna stappen we straks in een Turks stoombad. Maar nadien komt eveneens de emmer.”
Haar lach die volgde op mijn gekreun overstemde abondant het wilde watergeraas van de jacuzzi.

Plant van de Maand (1/12)

Natuurlijk-rijk kwam op de proppen met een challenge – die term kent overigens een ware opmars in de blogosfeer –  waar ik met graagte in mee stap: ‘Plant van de Maand’.
Bedoeling is om, wars van alle periodieke en veelal commercieel beladen suggesties in tuinmagazines, uw geheel persoonlijke maandeigen lievelingsflora op de lezer los te laten middels foto‘s en wat duiding.
De inspiratie en de bezieling voor deze uitdaging zal ik uitsluitend uit eigen tuin halen.

Good things come in small packages. Dat fijne gezegde gaat zeker op voor de uiterst bevallige dame die ik vandaag aan u wil voorstellen.
Januari is op tuingebied doorgaans een enigszins kleurloze maand. De eerste Helleborussen doen weliswaar verwoede pogingen om hun bloemblaadjes open te plooien, Winterzoet (Meloenboompje | Chimonanthus praecox) schittert als nooit tevoren en de Toverhazelaar (Hammamelis) alsook de Viburnum farreri stelen thans volop de show, doch hun winterbloei is ondertussen zodanig vertrouwd geraakt dat schier niemand er nog verwonderd van opkijkt.
Als ik u echter vertel dat één mijner clematissen momenteel volop in bloei staat, zult u allicht wél de wenkbrauwen fronsen. Want clematissen zijn óf voorjaars- óf zomerbloeiend, toch?
Niet helemaal juist. Het is net de winterse tuin die de uitgelezen playground van de Clematis cirrhosa ‘Freckles’ is. En yep, dat mag best wel verwondering wekken voor een van oorsprong mediterrane groenblijver. Zulks houdt ook meteen het nadeel van de plant in: ze intendeert strikte voorwaarden om een succesvolle uithouder te worden: in de zon, op een beschutte standplaats in goed doorlatende grond. Zorg er tevens voor dat de voet van de plant niet in de volle zon staat. Dat kan door een groenblijvende onderbeplanting aan te wenden.
Toch heeft Clematis cirrhosa soms de merkwaardige gewoonte om in de zomer zijn blad te verliezen. Dit zou een kenmerk  zijn van de natuurlijke toestand waarbij planten hun bladeren afstoten als bescherming tegen droogte.
Maar! De ‘Freckles’ is je reinste aandachtstrekker. Een bosrank die bloeit in januari! Zelfs – en zo heeft de ervaring van de afgelopen tien winters me geleerd – strenge vorst deert haar niet. Als ze maar goed beschut staat. Met beschut bedoel ik overigens niet ‘in de serre’, al mag dat natuurlijk wel.
De bloempjes zijn klein, zoals u op een van de onderstaande foto’s kunt bemerken, maar hun kleuren zijn onwinters warm. Bovendien haalt u met deze fraaie klimmer een relatieve nieuwigheid in de tuin, want de Clematis cirrhosa ‘Freckles’ werd pas in 1989 geïntroduceerd. Ze werd ontwikkeld door Raymond Evison van de Guernsey Clematis Nursery.

Aan al wie een tuin, hoe klein ook, of zelfs slechts een koertje of balkon heeft, kan ik deze winterse schoonheid van harte aanbevelen. Just handle it with care.

[ Foto’s: Menck | Twaait – uitz. f. 3 ]

De kamer van ooit

Nu de winter zich van zijn meer venijnige kant laat zien, vind ik de tijd om binnenshuis eens wat orde op zaken te stellen. Dat verklaart overigens de wat langere stilte op deze webstek.
Benevens het nodige papierwerk heb ik tevens mijn tanden gezet in het sinds november vorig jaar on hold geplaatste behangpapierwerk. En alzo krijgt de retrologeerkamer – eindelijk! – gestadig vorm. Het plafond is van twee nieuwe lagen verf voorzien. Hetzelfde geldt voor het raam en de deur. Ook het alhier voorgestelde vintagebehangetje kleeft ondertussen netjes aan de muur. Aan één accentmuur, that is. Want de overige wanden werden gedrapeerd met af-fabriek grijsgekleurd vliesbehang. Zulks schiet lekker op wegens rollen van een meter breed.
Aan de aanschaf van een tweedehands vintage plafondlamp, zoals oorspronkelijk overwogen, heb ik uiteindelijk verzaakt. Geen mooie modellen voorradig op zoekertjessites, belachelijk overgewaardeerde “originele” luchters uit de sixties (de sporadisch opduikende echt authentieke exemplaren waren veelal voorzien van nergens meer verkrijgbare cirkelvormige TL-lampen) en ‘mogelijks werkt alles nog’. Enfin, ik gooide ten langen leste de handdoek in de ring en heb dan maar geopteerd voor een nieuwerwets-maar-met-enige-inschikkelijkheid-retro-ogend kleinood uit de meubelgigant der kötbullar. Wél met een langlevende en energiezuinige LED-lamp, dat spreekt.
Het zware werk volgt nog: het gigantische retromeubel – niet demonteerbaar, helaas – uit de ouderlijke kelder naar hier halen én de nieuwbakken kamer binnen krijgen, allicht via het raam. Daarna komt het bed aan de beurt, maar de plaatsing daarvan zal gelukkig wél door de deur kunnen geschieden wegens alreeds netjes uit elkaar gehaald.
De kers op de taart is de ‘finishing touch’-aankleding van de kamer; altijd cool, zoiets.

Eenmaal alles achter de rug, serveer ik u de eindupdate. Kortom: to be continued, folks. Eens te meer.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Poepchic

“Zou die ook gewoon gaan schijten?” alludeerde mijn vader toen hij de Britse Queen stijfdeftig zag handjes schudden op tv.
“Nee pa, zij beschikt over een lakei die de kak met een fijn gouden schepje uit haar rectum lepelt.”
Mijn vader draaide zich in mijn richting, zag dat ik onbewogen naar het scherm bleef staren en schudde vervolgens zijn witgrijze hoofd. “Je leest of hoort daar toch nooit iets over”, neuzelde hij enigszins minachtend wijl hij de zapper hanteerde.

Hoe is het mogelijk, beste lezer, dat iets dat zo menselijk is en zo’n elementair deel uitmaakt van het bestaan, wordt stilgezwegen, van de baan geschoven en verbannen tot dat waarover men absoluut niet hoort te spreken eens men een zekere status heeft bereikt?
Want eenieder weet: een boer kakt wél. Een tuinier ook. Een bouwvakker kakt én laat bovendien met opzet luide scheten wijl hij naar de vrouwen fluit vanop de een of andere stelling. Zelfs een advocaat wordt al ’s aan kakken gelieerd, doch alleen dan als hij ’s zaterdagsmiddags in short zijn gazon aan het maaien is. Eens terug op kantoor wordt die visie automatisch bijgesteld. En voor u me aan de mouw trekt: ja, ze bestaan, advocaten die nog zelf hun gras maaien. Waarschijnlijk zijn het slechts de pro Deo’s der advocatuur, doch soit.

Gelukkig is er Cristina Guggeri. Zij schuwt kak niet. Zelfs niet de kak van wereldleiders. Die worden daardoor ineens een stuk menselijker voorgesteld. Rangen en standen worden vlotjes door de plee gespoeld. Doch vergis u niet, want naar verluidt schoffelen poepchique oppergezagsdragers de aambeien middels met zeep doordrenkte bolussen. Enfin, ‘k heb het ook maar van horen zeggen.

17 & 18 januari: vogels voeren en beloeren!

Noteer deze gevleugelde data alvast in uw agenda: 17 en 18 januari 2015. Want dan pakt Natuurpunt uit met de jaarlijkse tuinvogeltelling. Dit jaar gebeurt dat onder de enigszins ambigue noemer Vogelweekend.
Om het de vogelaars onder u wel heel makkelijk te maken, heb ik, middels toelichtende foto’s, de 36 vaakst voorkomende tuinvogels alfabetisch geënumereerd. Ik baseerde me daarbij op persoonlijke waarnemingen in eigen tuin en die van klanten. En omdat ik een sympathieke mens ben, heb ik er ook maar meteen de vogeltellijst voor het komende weekend aan toegevoegd. Kortom: uitprinten, observeren en noteren.

De foto’s, alsook de tellijst, vindt u HIER. Aldaar kunt u tevens uw reacties kwijt.
Die pagina, ‘Tuinvogels A-Z’, zal voortaan immer raadpleegbaar zijn vlak onder de header van deze blog. Altijd handig.

Meer dan 20.000 mensen in ruim 14.063 tuinen hebben 372.411 vogels geteld tijdens Het Grote Vogeltelweekend van 2014. Zoals uit de voorlopige resultaten al bleek, heeft de zachte winter dat jaar voor verschuivingen gezorgd in de resultaten. Voor het eerst sinds 2011 was niet de vink, maar de huismus de meest getelde vogel in de Vlaamse tuinen. De vink stond op twee, de koolmees sloot de top 3.