Hondsberoerd

Toen ik de voordeur opendeed, zat er een hond op de dorpel. Nee, het dier had gebeld noch geklopt; de samenloop dezer omstandigheden was louter toevallig.
De hond leek niet in het minst geïmponeerd door de bruusk openzwaaiende deur. Al evenmin schrok hij van mijn plotse aanwezigheid in de deuropening. Allicht had hij mij horen stappen in de hall. En me de sleutel horen omdraaien.
Ik schrok wél. Even toch. Tot ik zag dat het beest hoegenaamd geen kwaad in zin had. Vervolgens hurkte ik behoedzaam neer en kwam alzo op ooghoogte van het op zijn poep zittende beest terecht. Het keek me met grote droeve ogen aan maar kwispelstaartte, wat op een teken van tevredenheid wees.
“Dag hond”, sprak ik de sloeber rustig toe. Hij was vrij groot, egaal zwart gekleurd en voorzien van een lange snoet en neerhangende oren. Ik gokte op een labrador, maar van hondenmerken heb ik al even weinig kaas gegeten als van autorassen. Terstond gaf het dier me een poot.
“Wat attent van je, hond. Jij bent zowaar een gemanierd beest.” Ik nam de poot aan en kneep er zacht in. Toen liet ik hem los. Direct daarop offreerde de hond me zijn andere voorpoot. Ik moest ongewild lachen toen ik ook deze schudde.
“Van wie heb je dat geleerd? Is je baasje in de buurt?” Ik stond op, liep naar de straat maar zag niemand. Daarna opende ik routinematig de brievenbus en vond er een folder van de plaatselijke traiteur. Die mens lapte immer de ‘geen reclame’-sticker vierkant aan zijn laars. Alleen al om die reden zou ik er nooit iets bestellen.
“Woef!” klonk het plots kort en luid achter me. Ik draaide me om en blikte in twee zielige hondenogen.
“Ga je terug wandelen, hond?” Het dier bleef me aankijken. Toen ik aanstalten maakte om terug naar binnen te gaan, weerklonk er opnieuw een kort geblaf. Meteen daarop duwde het beest zijn snoet tegen de reclamefolder aan.
“Wil je die? Mij best, hoor.” Ik stak de hond de opgerolde folder toe. Ogenblikkelijk nam hij de papierrol in zijn muil en liep er mee naar de voordeur alwaar hij het pakketje voorzichtig op de mat deponeerde. Vervolgens ging hij ernaast zitten, draaide zijn kop in mijn richting en keek me afwachtend aan.
“Prachtig”, zei ik oprecht verbaasd. “Jij kunt het een en ander, zo te zien.” Ik stapte nu ook naar de voordeur en aaide de hond over zijn bol. Hij liet zich deze attentie welgevallen. “Ga nou maar. Dit is een kattenhuis, weet je. Ik vrees dat mijn poezenfamilie je aanwezigheid niet zou weten te waarderen.” De hond hield zijn kop schuin. Toen ik de deur openduwde, stond het dier op en wandelde terug naar de straat.

De dag erop was de hond er weer. Hij kwam me een poot geven toen ik mijn bestelwagen aan het volstouwen was.
“Zo, ben je d’r weer?” begroette ik hem toen ik zijn poot aannam. Ik aaide de hond even kort over zijn kop en ging verder met inladen. Het dier liep daarop naar de lavendelpartij naast de oprit en vleide zich er tegenaan. Vanuit die positie bleef het mijn werkzaamheden gadeslaan.
Toen ik na een dikke drie kwartier de laadruimte dichtgooide, sprong de hond op en wandelde naar me toe.
“Ik ben klaar, hond.” Ik gaf hem een schouderklopje en stapte richting voordeur. Toen ik de deur openduwde, keek het beest me aan, blafte even, draaide zich om en ging heen.

Gisterenmiddag vond ik de hond voor de oprit. Hij lag in de goot in een vreemde houding. Zijn linkerflank was hevig bebloed.
Ik hurkte naast het dode dier neer en streelde zacht zijn kop.
“Hij werd aangereden door een vrachtwagen. Zowat een kwartier geleden.”
Ik stond op en zag buurvrouw Carla naar me toe komen stappen.
“En die vrachtwagen is gewoon doorgereden?”
“Ik denk dat de chauffeur zich geeneens bewust is van wat hij veroorzaakt heeft. Hij raakte het dier vol met zijn achterwiel.”
“Je hebt het dus allemaal zien gebeuren?”
“Ja. Weet jij wiens hond dit is?”
“Nee. Hij draagt zelfs geen halsband. Misschien is hij gechipt, ik weet het niet.”
Er viel even een stilte. Beiden keken we naar de hond.
“Het leek wel of hij op iemand zat te wachten”, zei Carla plots zacht. “Hij zat hier al bijna een uur.”
Mijn maag werd als door een grote vuist omvat. Omwille van mij was dit arme dier de dood ingejaagd. Op mijn wang voelde ik ineens een traan bengelen.
Carla zag het en sloeg een arm om mijn schouder. “Jij bent toch echt wel een enorme dierenvriend hè, Menck”, sprak ze troostend.
Ik slikte slechts en voelde hoe een dikke brok ironie zich een weg door mijn keel baande.

Back to the wayback room

Voor de nieuwsgierigen, de benieuwden, de weetgierigen, de kijkgragen, de schouwlustigen, de kurieuzeneuzemosterdpotten en de vrouwen onder u:
‘Lemon Cake’ van We Are Colour is het behang geworden dat ik koos voor de accentmuur in de toekomstige retrokamer. Drie rollen zullen volstaan.
Dat behangsel ziet er trouwens zo uit:

Geinig papiertje, niet?
De overige drie muren zullen met een bijpassend eenkleurig vliesbehang worden gedrapeerd. De raamlijst en de kamerdeur worden met witte lakverf geschilderd, het plafond dan weer met matte roomwitte muurverf.

Nog te scoren:

  • Rollen gekleurd vliesbehang. Die kleur zal uiteraard moeten aansluiten bij het behangsel. Momenteel heb ik nog geen idee dewelke het zal worden;
  • Posterformaatfoto van madam Menck als wandversiering;
  • Een vintage ogende mat;
  • Een retroachtig luchtertje. Dit kleinood zal waarschijnlijk tweedehands dienen te worden aangeschaft. Mijn voorkeur gaat uit naar een eenvoudig vormgegeven model such as this:

Het is van 1996 geleden dat ik nog eens behangpapier mocht kiezen. De huidige werkwijze – kiezen uit lijvige staalboeken in plaats van de destijds geëxposeerde behangproefstroken in de winkel zelf – staat me tegen. Bovendien mag geen enkele catalogus naar huis worden meegenomen om in alle rust te kunnen selecteren. Pfft.
Ook de prijzen toveren heden allerminst een glimlach om de mond. Voor één rolletje behang van zegge en schrijve tien meter lengte – dat zijn, zonder verlies, vier strookjes op de muur – betaal je tegenwoordig tussen de 40 en de 120 euro. Jawaddedadde.

Ziezo, een kleine tussentijdse update. U bent, althans voorlopig, weer helemaal mee.

[ Foto 1 & 2: Menck|Twaait ]

De kunst van het onderscheiden

Het gros van de bloggers neemt de realiteit als uitgangspunt voor hun schrijfsels. Daarvan maakt hun eigen leef- en werkwereld het leeuwendeel uit. Maar ook onderwerpen met betrekking tot politiek, sport, televisie, muziek en dies meer worden gretig aangesneden. Dat alles maakt dat de fantasie in blogland maar weinig tot quasi niet aan bod komt. Wie daar dan wél ‘s gebruik van maakt, wordt al snel beschouwd als – in het beste geval – een zonderling, een fantast of – in het ergste geval – een bedrieger. Want de gemiddelde bloglezer gaat er nu eenmaal, bijna automatisch, van uit dat wat een blogger neerpent een ‘honderd procent’-waarheidsgehalte bezit.

Trouwe lezers van mijn huidige en vorige blogs weten dat ik de realiteit zo nu en dan al eens wat durf bij te kruiden. Vooral in cursiefjes komt zulks tot uiting. Dat tekstueel aromatiseren, is ontsproten aan het creatieve concept dat ik met graagte hanteer. Hierin krijgen de taal en de schrijfstijl de hoofdrollen en schenk ik de bijrol aan de feitelijkheid. Met andere woorden: op zulke momenten schrijf ik in eerste instantie omdat ik wil dat u het gráág zou lezen, dat u achteraf zou kunnen zeggen dat de aaneenrijging van al die woordjes u minstens eventjes in vervoering heeft gebracht.

Wat er dan echt is en wat niet?

Doet het er eigenlijk toe? Dit is een virtuele wereld. En virtueel staat per definitie voor ’slechts schijnbaar bestaand’. De grens tussen echt en onecht, tussen waargebeurd en gefantaseerd, mag wat mij betreft gerust al eens vervagen in cursiefjes.

Blijkt echter dat zoiets niet immer in dank wordt aanvaard. In het reactieluik durven dan kritische opmerkingen omtrent het waarheidsgehalte van bepaalde mijner tekstfragmenten opduiken. Ook sporadische mails wijzen me er op dat ik waarschijnlijk de waarheid zo nu en dan enig geweld aandoe. En dat verontrust me, omdat ik er van uitging dat een loopje met de werkelijkheid, een snuifje fictie of een hyperbool met een goedkeurende glimlach zou worden onthaald. Dat blijkt – helaas – niet steeds het geval te zijn.
Waarom is de onzekerheid toch zulk onlosmakelijk onderdeel van het creatieve proces geworden? Komt het doordat de twijfel domweg een kind van de verbeeldingskracht is? Of ligt het onvermogen om de fantasie uit een log te vissen aan de basis van het ongenoegen van een deel van de lezers? Ik gok op een combinatie van de twee.

Wat er ook van zij: acht jaar geleden sloeg ik een blogweg in waar ik niet meer wens van af te wijken. Het is aan u om mijn sporadisch opduikende en tussen de waarheid gevlochten imaginaties te pruimen dan wel naast u neer te leggen. En vooral: om ze te scheiden van de werkelijkheid. Er is verdomme al realiteit genoeg.

Het vuur van de herfst

Op het moment dat het meisje een handvol polychrome herfstblaadjes hemelwaarts stuurde, lachte ze uitbundig. Meteen bukte ze zich om het tafereeltje te kunnen herhalen. En nog eens te herhalen. Toen riep haar mama dat het genoeg was geweest en dat oma wachtte met de koffie.
“Ik lust geen koffie”, protesteerde de uk – ik schatte haar vier of vijf – wijl ze door de knieën ging om een nieuwe schep bont geschakeerde blaadjes te vergaren.
“Oma heeft ook lekkere koekjes”, trachtte de moeder haar dochter te verleiden.
“Ik lust geen koekjes,” kraaide de kleuter opstandig. Ze gooide haar verzamelde bladerbuit boven haar hoofd en sloot de ogen toen de blaadjes op haar kruin en schouders neerdwarrelden.
“Nú, Lore.” Mama’s geduld was duidelijk op. Ze keerde op haar stappen terug en trok haar inmiddels alweer gehurkte dochter aan haar mouw recht. Het kind stampvoette en zette haar meest overtuigende pruillip op. Zulks sorteerde een averechts effect, want moeder gaf haar ongehoorzame gebroed een klinkende oorveeg. Ik verwachte thans luidkeels gehuil, maar dat bleef wonderwel uit. In de plaats daarvan trakteerde de kleine haar moeder op een stevige trap tegen het rechterscheenbeen. Mam hinkelde verbouwereerd een halve meter achteruit, herpakte zich en doneerde haar eigen vlees en bloed een welgemikte vuistslag op de neus. Daar had Lore niet van terug; ze barstte in onbedaarlijk snikken uit.
“Waar is je zakdoek? In je jaszak? Je bloedneus zal zo meteen nog je daim jasje besmeuren en dat wil ik niet. Kom op, Lore, geef me vlug je zakdoek.”
“Ik snik heb snik hem snik niet snik bij.”
“Wát? Je hebt hem niet bij? Vanmorgen heb ik je toch uitdrukkelijk gevraagd om een zakdoek mee te nemen, weet je nog? En waarom deed je dat dan niet?”
“Ik ben het vergeten.” De tranen liepen nu in dikke meanderende stroompjes over haar wangen.
In een pedagogische reflex offreerde de moeder haar koter nóg een klets. Die was beduidend harder dan de vorige, want het kind wankelde een tel. Gek genoeg hield het huilen abrupt op.
Moederlief bukte zich, plukte een groot rood amberboomblad uit de berm en hield het haar dochter voor. “Veeg hier maar je neus mee af. En o wee als er ook maar één druppel bloed op je jasje belandt.”
Lore gehoorzaamde gedwee. Of murw, dat kan ook.

Ik had het lieflijke straattafereeltje gadegeslagen vanuit de tuin waar ik aan het werk was, leunend op de handgreep van mijn grasmaaier. Doch thans wendde ik mijn hoofd af; de duisternis zou alras vallen en ik had nog een partijtje gazon te kortwieken. Met een gezwinde ruk trok ik de benzinemaaier in gang. Ik zag nog net hoe moeder en dochter, opgeschrikt door het plotse lawaai waardoor ze ineens mijn aanwezigheid constateerden, snel hun weg vervolgden.

Om u maar te laten weten dat ook ik mateloos van de versicolore herfst heb geproefd deze week. Bij momenten was ik zelfs, net als Lore, tot tranen toe geroerd om zoveel moois. Want wat een heerlijk seizoen is dit toch.

> Check it vooral out, folks! <

To be continued

Mijn niet-aflatende passie voor vintagespullen jaagt madam Menck al wel eens op de kast. De hang naar retro is namelijk een liefde die we allerminst hartstochtelijk delen. Zij kleedt de woning bij voorkeur wat eigentijdser aan in plaats van terug te gaan in de tijd. En dus dienen er compromissen te worden gesloten.
Een tijdje geleden berichtte ik u op deze stek reeds over de fijne trouvaille in de kelder van de ouderlijke woning. Een rechttoe rechtaan kastje op slanke pootjes uit het begin van de zestiger jaren werd toen het mijne. Of beter: het onze. Een plaatsje in de woonkamer was het minste wat deze schoonheid verdiende. Met mijn excuses voor het afzichtelijke tapijt.

“Oké”, opperde madam Menck na wat overwegen, “maar alleen als het in hoogglanswit wordt geschilderd. Dan sluit het perfect aan bij de eettafel.”
“Ben je gek?” verweerde ik me. “Op die manier gaat de authenticiteit van het meubeltje compleet verloren. Op het internet wisselt een dergelijk stuk onvervalste ambacht van eigenaar voor enkele honderden euro’s. Dat is: als het zich in originele staat bevindt.”
“Mij best. Dan zet je het kastje maar in je bureel.”
Maar kijk, ik ben een toegeeflijke mens. Wit zou het worden. Alles voor de lieve vrede, ziet u. Wie heden oppert dat ik onder de sloef zit, zal ik niet eens strijdvaardig tegenspreken.
Zulks was echter buiten mijn lezers, mijn familie en mijn vriendenkring gerekend.

“Dat ga je toch niet doen, Menck? Dat is zoveel als moord. Zo’n prachtstuk!”
“Op je kop gevallen en blijven botsen? Zó laten dat ding. Het is een snoepje.”
“Van zulk een schoon vintagedingetje blijft een mens af. Punt.”
“Je reinste verkrachting!”

Mijn madam ging overstag. Meer nog: de combinatie retro-modern vindt ze heden zelfs al kunnen.
“Je had gelijk, schat. Het is beter zo.”
Hm. Niet ík had gelijk, maar wel alle anderen die tegen een schilderbeurt gekant waren. Doch die gedachte bleef wijselijk onuitgesproken.

Gisteren daalde ik nogmaals af in de ruime krochten van de ouderlijke woning.

Ik ben een kamer aan het inrichten in retrostijl, zoals u hier reeds vernam. En daar hoort uiteraard retromeubilair bij. De evenknie van het hierboven vermelde kastje, maar dan een ietsje volumineuzer, bevindt zich nog in de kelder.  Bouwjaar 1963, alstublieft. In originele vintagestaat. Bedekt onder een verwaarloosbaar stoflaagje. Beetje oppervlakkige schimmelplekken. Weinig gehavend bovendien. Niets dat een geutje meubelvernieuwer niet kan oplossen. Een trouvaille. Again.

Wat die bewuste in te richten kamer betreft:

Posterformaatfoto van madam Menck: check. Zwart-wit, remember?
Terugindetijdkast: check.
Retrobehang: bijna check. (Later meer.)
Bed (want het wordt een slaap-/logeerkamer): check. (Later meer. Alweer.)
Luchter: no check yet. Maar wel al véél fraais gezien op tweedehandssites.
En, o ja, ik wist ook nog een bekoorlijk bureautje op de kop te tikken voor een prikje. Eveneens pure nostalgie, of wat dacht u.

Kortom: to be continued.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Dag nieuwe man, man van mijn dromen

Om maar direct de koe bij de hoorns te vatten: ik ben geen nieuwe man. Meer zelfs: ik heb een diepgewortelde aversie tegen de term en jegens de manspersoon die zulke door de lifestylebladen opgedrongen definitie belichaamt.

Zo’n nieuwerwetse mannenmens zou gezwind en zonder morren uitvoerig deelnemen aan het huishouden. Na een drukke dagtaak stort hij zich fluitend op de afwas, lapt vervolgens breed glimlachend een stuk of wat ramen en ververst, tussen twee stofzuigbeurten in, neuriënd de volle pamper van zijn jongste spruit. Vlak voor de film begint, strijkt hij nog snel-snel een stapeltje wasgoed, ondertussen meermaals schalks knipogend naar vrouwlief die haar gemaal goedkeurend gadeslaat vanuit de luie sofa. “Zet ik je straks nog een rozenbottelthee, schat? Doch laat ik eerst even de vaatwasser leegmaken.”
Yeah, right.
Een vrouw die beweert dat er onder het echtelijk dak een soortgelijke nieuwe man vertoeft, is óf een leugenaarster van jewelste óf een schepsel dat te lui is om te helpen donderen. Een dergelijke man is dan weer, voor zover ik weet, onvindbaar dan wel een gigantische miet.
Of ík dan niks huishoudelijks verricht?
Toch. Want ook mijn madam gaat uit werken. Dat doet ze zelfs dagelijks en op voltijdse basis. Dientengevolge is het niet meer dan normaal dat ik te gepasten tijde een stofvod hanteer, de stofzuiger aansleep of een pan ontvet. Maar daarmee is dan ook zowat alles gezegd. Ik was niet, ik strijk niet, ik kook niet, ik ververs geen pampers (al zou dat kunnen toegeschreven worden aan het feit dat we geen kinderen hebben en zelf nog niet luierbehoeftig zijn) en ik ben eerlijk. Dat alles zorgt ervoor dat het etiket ‘nieuwe man’ me niet kan opgespeld worden.
Of mijn madam daar rouwig om is?
Niet!
Om te beginnen kent ze mijn kookkunsten. Of beter: het gebrek eraan. Kokkerellen is bijlange niet aan blogger dezes besteed. Een biefstuk bakken lukt me nog wel. Ook aardappelen koken vind ik geen onoverkomelijke opdracht. Zelfs wat betreft de groenten gaar stoven, acht ik de moeilijkheidsgraad aannemelijk. Maar een biefstuk bakken én aardappelen koken én groenten gaar stoven – tegelijkertijd, weet u wel – is een geenszins te overwinnen hindernis met gegarandeerd kwalijke gevolgen. En da’s dan nog maar ordinaire Vlaamse boerenkost. Laat staan dat ik een culinair verfijnder maal dien te prepareren; dát zou pas lachen worden. Groen.
En dus kookt madam Menck zelf. Dat gaat merkelijk sneller, heeft een aanzienlijk hoger slaagpercentage en sluit aardig wat gemors en/of vetspatten uit.
Wat me linea recta bij de volgende twee heikele punten brengt: wassen en strijken. Al kan ik wassen al bij voorbaat uitsluiten; dat is het werk van een machine die speciaal daartoe werd gecreëerd. Deurtje open, was erin, deurtje dicht, knop indrukken, gaat ie! Kortom, een kind kan de was doen.
De kaarten liggen enigszins anders voor wat het strijken betreft. Misschien dat ik zulks na een weinig oefening wel onder de knie zou krijgen, ware het niet dat ik dat gezeul met het hete ijzer als een behoorlijk onnodig karwei beschouw. Voor wie, zoals ik, quasi nimmer een hemd aantrekt, is strijken een volstrekt nodeloze klus. Sweaters, truien, T-shirts, jeansbroeken, sokken noch slips dienen te worden gestreken. Wie geen kledijvernietigende en energieslorpende droogkast gebruikt, zal merken dat, na het drogen van de was door ophanging, kreuken ternauwernood enige kans tot manifestatie krijgen op de aangehaalde stukken textiel. En dus strijk ik niet. En verlang ik zulks al evenmin van mijn madam. Al legt zij op haar beurt, begrijpe wie kan, mijn antistrijkpleidooi geheel en al naast zich neer. Vrouwen en logica: breek me daarover de bek niet open, meneer.

Maar goed; we waren over de nieuwe man bezig.
Een zekere Vlaamse bioloog (warrig krullend haar, konijnensmoel, pedant, u kent hem wel) stelt dat de nieuwe man eigenlijk niet meer – maar ook niet minder – dan een nieuwe vader is. Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben. Mannetjes bij mensen, in tegenstelling tot die bij de meeste andere zoogdieren, kunnen een vaderrol opnemen. Bij het gros van de zoogdieren verdwijnt de man na de bevruchting. Bij de mens blijft hij (of dat is toch de bedoeling), omdat samenwerking met de moeder gunstig is voor de overleving van de baby. De nieuwe man is aldus simpelweg een vader in een evolutie naar meer zorgzaamheid.
De evolutie van zorgzame vaders is de laatste tijd bovendien enorm versneld doordat wij, in vergelijking met de echt grote gezinnen van vroeger en in tegenstelling tot andere zoogdieren, nog maar weinig kinderen krijgen. Hoe minder kinderen, hoe meer belang een vader erbij heeft zich zorgzaam op te stellen. Want anders dreigt hij geen enkele inbreng in de volgende generaties te hebben. En dat kan nooit de bedoeling zijn.

Vertelde ik u reeds dat ik géén vader ben? Dacht het wel.

Kleur of zwart-wit: het verdict

In het voorgaande logje kon u merken hoe mijn besluiteloosheid middels tal van reacties – waarvoor dank! – werd omgeturnd tot een uiteindelijke beslissing: de zwart-witfoto leidt de ranking.
Enkele mensen brachten geen directe stem uit, maar vroegen zich veeleer af tegen welke muur de foto zou worden opgehangen: Een felgekleurde wand? Een bleek behangetje? Of gewoon maagdelijk wit? Terechte opmerkingen; ik had inderdaad wat meer randinformatie moeten meegeven.
Zeer sporadisch werd er geopperd om maar meteen te opteren voor beide weergaves. In deze gevallen kregen zowel de kleurfoto als zijn zwart-witte evenknie een punt.
En tenslotte polste ik uiteraard ook naar de mening van madam Menck: zij geeft de voorkeur, zij het na behoorlijk lang aarzelen, aan kleur. Haar beslissing kon evenwel de stand niet meer ombuigen, en dus komt de zwart-witfoto als winnaar uit de bus:

Aantal stemmen zwart-witfoto: 19
Aantal stemmen kleurfoto: 13

De plek waar de foto zal worden opgehangen, is een kamer die momenteel duchtig onder handen wordt genomen en uiteindelijk zal worden geverfd, behangen en gedecoreerd in retrostijl. Denk sixties, begin seventies.
De keuze voor behang en verf staat heden nog niet vast, maar zeker is dat we donkere alsook felle kleuren zullen mijden.

De ingelijste posterformaatfoto hebt u nog tegoed, dat spreekt. Doch eerst maar eens die kamer afwerken.

Besluiteloos

Onderstaande foto wil ik laten vergroten tot posterformaat en vervolgens van een geraffineerde lijst voorzien. Niet dat het zo’n meesterlijke prent is, maar er kleven heuglijke herinneringen aan vast en het onderwerp van de plaat is me nu eenmaal bijzonder dierbaar.
Helaas raak ik er met de beste wil van de wereld niet uit wat esthetisch de meest geslaagde grootformaatweergave zou zijn: kleur of zwart-wit? Vandaar dat ik me met graagte tot u richt, beste lezer.

“Die keuze moet je toch zélf maken, Menck.”

Ja ja, I know, maar het probleem is net dat ik hoe-ge-naamd niet weet welke versie te kiezen. Omdat ze me allebei gewoon evenveel aanspreken. Omdat de pro’s en contra’s van de zwart-witfoto geheel en al in balans zijn met die van de kleurfoto. Omdat si en omdat la.

En daarom ga ik dus de democratische toer op en verneem ik graag úw voorkeur. De prent met de meeste stemmen zal straks zonder dralen worden geëtaleerd in mijn werkplek.
Kortom: shoot!

O ja: beide foto’s zijn aanklikbaar voor een grotere weergave. Zulks kiest wat lekkerder.

Als de drank is in de man…

Drinken en rijden gaan niet samen. Ik vertel u niks nieuws. Maar die bewuste zaterdagavond was ik behoorlijk in de wind. En ik reed.
Een zekere nonchalance kenmerkte mijn rijstijl: linkerarm buiten de auto, rechterhand losjes op het stuur en een voet die het gaspedaal gestaag neerwaarts dirigeerde. De muziek stond loeihard. Ik voelde me geheel relaxed.
Ik wilde een sigaret uit mijn pakje grijpen, bedacht me vervolgens, en schoof de gekreukte verpakking terug in mijn borstzak. Ze gleed soepel naar beneden. ‘Ik heb geen gordel aan,’ besefte ik daardoor ineens. Rijden zonder gordel is voor mij normaliter als wandelen met een string aan: het voelt absoluut niet goed. Maar die avond lachte ik om wat ik als een akkefietje afdeed.
Er kwam een tegenligger aan. Zijn lichten verblindden me een wijl, waardoor ik even afgeleid raakte. Om god weet welke reden week de onverlaat plots van zijn baan af en kwam op me afgestevend. Met beide handen omvatte ik stevig mijn stuur en gaf een korte ruk naar rechts. De tegenligger zoefde voorbij en miste mijn auto op een haar na. De adrenalinestoot die hierop volgde, ontnuchterde me enkele seconden. Daarna zuchtte ik luid en langgerekt. Ik voelde hoe mijn armen zich terug ontspanden. Ik had een botsing weten te vermijden. Ternauwernood, maar dat besef drong niet door.
Het verkeer werd drukker. Ik trachtte me te concentreren maar werd zenuwachtig. Netjes rechts houden was geen sinecure door het ontbreken van een witte lijn. Het vergde het uiterste van mijn in nevels gevangen beheersing. Achter mij reden twee auto’s die me poogden in te halen. Ik gaf gas bij en bleef ze voor. Vergiste ik me of steeg uit een van de auto’s daadwerkelijk gejoel op?
Langs de kant van de weg was het een drukte van belang. Luid pratende, wild gesticulerende en hardop lachende mensen. Vooral jongeren. Zaterdagavondsfeer. In drommen troepten ze samen, vervaarlijk dicht tegen het drukke gerij aan. Ik vond dat onverantwoord en liet het blijken middels een vangbeweging ter hoogte van mijn voorhoofd. Her en der opgeheven middelvingers waren mijn deel.
Voor mij remde een auto af. Ik liet het gas opkomen en vertraagde. Een achterligger – van waar kwam die plots? – had mijn afremmen te laat opgemerkt en botste in volle vaart achterop mijn auto. Met een wilde slingerbeweging sloeg mijn hoofd naar achter. Het raakte iets hards. Een korte, hevige pijnscheut volgde. Ik denk dat ik schreeuwde.
Wat toen gebeurde, ging snel. Ik stapte uit en wandelde uiterlijk beheerst doch inwendig kokend naar de auto die me geramd had. Achter het stuur zat een kortharige jongeman met naast hem (zijn liefje? Zijn zus?) een jeugdige passagierster.
“Awel maat, niet gezien dat ik remde? Totaal onverantwoord hoe weinig afstand je bewaarde. Jij hebt nog niet lang je rijbewijs zeker?” Mijn stem sloeg over. Ik ademde zwaar.
De twee keken elkaar even aan. Daarna haalde hij zijn schouders op. Zij knikte naar hem, hij draaide driftig aan zijn stuur, gaf gas en vertrok.
“Hey! Getverderrie! Vluchtmisdrijf!” Ik kreet. Omstanders draaiden hun hoofd in mijn richting. Ze lachten.
“Menck!”
Die stem herkende ik. Mijn madam. Ik ontwaarde haar tussen de samengetroepte menigte.
“Heb je dat gezien? Die lul rijdt gewoon verder.”
“Menck, kom hier. Straks gebeuren er ongelukken.”
Straks? Er is zonet een ongeluk gebeurd, tiens.
“Ga van die piste af. Kom nou.” Er werd hardhandig aan mijn mouw getrokken. Ik keek op en blikte in haar ogen.
“Wat wil…?”
“Met een glas teveel op in de autoscooters stappen, is duidelijk niks voor jou, schat. I told you.” Er verscheen een spottende grijns op haar gezicht. “Maar aandoenlijk was je wel.”

Mijn fijne buur(t)

Mijn buren gaan scheiden. Dat is geen prettige tijding, en al zeker niet als je er, zoals ik, een goede band mee hebt. Hij blijft, zij vertrekt. Want zij is vreemdgegaan. Zo simpel ligt dat.
Een geluk bij een ongeluk: er zijn geen kinderen mee gemoeid. En da’s best, want die zijn daar hoedanook steeds de dupe van. Zodoende zal buurman alleen achterblijven en gaat buurvrouw terug bij haar ouders wonen. Voorlopig, naar verluidt. Want haar ouders waren daar niet al te zeer mee opgezet. Daar kan ik inkomen. Na tien jaar plots je dochter weer over de vloer: ’t is geen lachertje. Zeker niet als ze ook nog ‘s de helft van het meubilair met zich meebrengt. Want ondanks dat ze haar toekomstige ex-man meermaals heeft bedrogen, wordt het geen vechtscheiding. En dus wordt de inboedel netjes verdeeld.
Buurman is er het hart van in. Dat zie je ook aan hem. Hij heeft de laatste tijd verdacht vaak roodomrande ogen. Zulks kan het resultaat zijn van een ernstige verkoudheid, maar ik sluit dat uit. Telkens als buurman verkouden is, hoor ik hem quasi onafgebroken zijn neus snuiten. Dit keer snuit hij hem niet. Hij zal dus veel huilen. Wat logisch is. Plots je vrouw verliezen: er zijn voorwaar leukere dingen denkbaar. En al zeker als je zoveel van haar houdt als hij. Houdt, jawel. Doet hij nog steeds. Zelfs nadat ze –tig keer met Steven van de Noordlaan in bed is gedoken, Pieter die in de wasserette werkt had binnengedaan en haar kapper haar ettelijke keren heeft geknipt tussen de lakens. Ook thuis. Toen was buurman werken. Buurman werkt zowat altijd, eigenlijk. Ik verdenk hem ervan net iets te veel te werken. Op den duur verwaarloosde hij zijn eega. En dan is ze vertier op een ander beginnen te zoeken. Zo gaat dat alhier.
Uiteraard was, op buurman na, gans de straat er allang van op de hoogte dat buurvrouw vreemdging. Als er weer maar eens een onbekende auto voor haar deur stond en de rolluiken naar beneden werden gelaten, dan wisten we hoe laat het was: te vroeg voor buurman om al thuis te komen. Iets wat hij op zekere dag wél deed. Geheel onverwacht, zo bleek. Want de rolluiken waren dicht. Zevenenvijftig seconden later weerklonk er geschreeuw en gevloek. Adriënne, de straatoudste, was net haar stoep aan het vegen. Zo had ze alles live meegemaakt. En rondverteld. Dat doet Adriënne altijd. Niemand is echt tuk op haar. Maar ze vindt toch telkens een luisterend oor.
Buurvrouw had het evenmin makkelijk. Dat vertelde ze me een week voor ze definitief zou afreizen. Want buurman had haar exact één week gegeven om haar boeltje te pakken. Een verdraagzame vent, die buur van me. Zo zijn ze wel, de mensen alhier. Verdraagzaam. Behalve als het op vreemdgaan aankomt. Iets wat statistisch gezien gelukkig niet zo vaak voorkomt in deze straat.
Buurvrouw kon niet kiezen, zei ze. Steven, Pieter of kapper Jean; ze raakte er maar niet uit. Ik had met haar te doen. Kiezen is verliezen, moet u weten. En dat is immer pijnlijk. Ze huilde toen ze me om raad vroeg.
“Wie van de drie, Menck?” informeerde ze vol hartensmart.
“Ik zou voor Steven gaan. Die heeft geen eigen vrouw,” adviseerde ik haar geheel naar waarheid.
“Dan wordt het Steven.” Ze snikte nog wat na toen ze het zei, keek me een wijl dankbaar aan, draaide zich vervolgens gedecideerd om en ging terug naar binnen.
Ik was blij dat ik haar zo onbaatzuchtig te hulp had geschoten. Zulks verwarmt het hart. Ja, het is waarlijk een fijne buurt alhier.

Preludium?

Merde!
Ineens was het pikdonker.
Enigszins op de tast legde ik mijn boek op de grote rieten linnenmand.
Merde!” riep ik nog eens. Luider dit keer.
Zowel de grote bolle lamp boven het bad als de drie halogeenspots boven de dubbele lavabo hadden het begeven. Toen daagde het me: een elektriciteitspanne.
Ik ging rechtop zitten. Een golf badwater klotste daarbij over de rand, onmiddellijk gevolgd door een klaagkreet. De humide ondulatie moest op Chatblis zijn terechtgekomen. Mijn dikke kattin posteert zich traditiegetrouw naast de kuip als ik badder. Thans hoorde ik hoe ze zich blazend uit de voeten maakte.
Merde!” vloekte in ten derde male, heel luid nu. Ik bewoog mijn rechterhand tastend over het deksel van de linnenmand op zoek naar een handdoek. Ik stootte mijn boek op de ondertussen kletsnatte grond en kieperde een lege koffiemok om. Geen handdoek te bespeuren.
Zo voelt het dus als Stevie Wonder een bad neemt, dacht ik toen ik voorzichtig uit het water stapte. Hevig druipend schuifelde ik naar het handdoekenrekje.
Nadat ik me haastig had afgedroogd, bewoog ik mijn linkervoet heen en weer over de vloer tot ik tegen mijn slippers stootte. Vervolgens begaf ik me als je reinste pantoffelheld met voor me uitgestrekte armen richting keuken. Ik liep nergens tegenaan en vond de zaklamp op het aanrecht. De batterijen bleken overjaars.
Ineens realiseerde ik me dat de straatlantaarn voor de woning geen licht door de ramen wierp. Het was pikdonker in de keuken. Op zijn minst gans de straat zat dus zonder elektriciteit. Fijn was dat; naar de zekeringskast lopen, desnoods met behulp van kaarslicht, kon ik nu wel vergeten. Kaarsen, begot! Waar liggen die krengen?
Ik schuifelde verder, richting living. Toen ik op een speeltje van de poezen trapte, weerklonk er een schel gepiep. Ik schrok me het apezuur.
Op de tafel stond een theelichtje in een glazen houder. Nu nog een aansteker. Die zat in mijn broekzak. Mijn broek lag in de badkamer. Zwaar zuchtend vatte ik de terugweg aan. Het afschakelplan zal rampen teweegbrengen, flitste het door mijn hoofd, waarna ik hard tegen een stoel stootte, mijn knie bezeerde en God aanriep in niet voor publicatie vatbare termen.
In de badkamer vond ik na enkele handtastelijkheden mijn jeans. Ik trof mijn aansteker in de achterzak. And then there was light. Opmerkelijk hoe krachtig zo’n simpel kaarsschijnsel is na tien minuten volslagen duisternis. Ik wandelde, de kaars voor me uit houdend, terug naar de woonkamer. Ik plaatste het theelichtje op de salontafel en liet me zuchtend in de plasticlederen fauteuil vallen.
Hoe afhankelijk is de mens van elektriciteit? Niet te schatten! Die gedachte kwam bij me op toen ik doelloos in een magazine bladerde en merkte dat de tekst nauwelijks leesbaar was bij het licht van één simpele kaars. De vlam flakkerde daarenboven als gek, zodat het leek alsof de letters dansten.
Ik kon geen tv kijken, geen muziekje opleggen en niet computeren. Het enige wat ik kon doen, was wachten. Wachten tot de een of andere behulpzame ziel de stroom weer tot leven wekte.

“Hè? Menck?”
Ik werd ruw wakker geschud.
“Wat zit jij hier verdomme naakt te slapen? Ondertussen is je bad wel mooi afgekoeld!” Mijn madam.
Leuk. Er was terug spanning in huis.

Hoog van de (wacht)toren blazen

“Gooi mij maar uit uw blogroll,” zei ik die zondagochtend, nog half slapend, tegen een van de twee Jehovagetuigen.
Hij keek me molmig aan.
Ik schraapte mijn keel, wees op zijn papier en gaf hem te verstaan dat hij me maar best uit zijn adressenlijst haalde.
“Bent u daar wel zeker van?”
Was ik daar zeker van? Ik trok mijn pyjamabroek een kleine twintig centimeter op, deed een net iets te brute stap achteruit en greep naar de deurklink.
“Ik ben daar honderd procent zeker van. Dag dag, heren.”
Mijn stemintonatie, samen met mijn niet mis te verstane lichaamshouding, gaven een duidelijk signaal: gaat weg, gij lastigaards, zodat ik de deur kan sluiten en terug in bed kan duikelen.
“Mag ik u dit nog overhandigen?” De arm van een van de twee lanterfanters schoot vooruit, boekje in de hand. Hij kwam bijna klem te zitten tussen de dichtgaande voordeur.
“Nee, u mag dat niét,” verzekerde ik hem met een stem die thans een paar tonen was geklommen.
“U mist zo de waarheid, meneer. En die is bijzonder interessant”, hield het heerschap hardnekkig vol.
Nu gooide ik de deur vol open en deed twee stappen voorwaarts, tot ik vlak voor de mondige aanhouder stond. Mijn neus raakte net niet zijn snufferd.
“Zal ik ú eens de waarheid verkondigen? Hier en nu. Zal ik?” Op dit vroege uur waren er nog geen voorbijgangers, anders hadden ze me beslist donkerrood zien aanlopen.
“Kalm meneer. Wind u niet zo op, alstublieft.”
“Waar is die lijst? Waar is-ie? Geef op dat vel papier!” Ik trok het met een venijnige ruk uit zijn clipboard.
“Wilt u alstublieft…”
“Een balpen, die wil ik. Geef mij uw balpen eens, kom.” Ik hield hem mijn geopende hand voor. De kerel was wellicht te verbouwereerd om niet gedwee te voldoen aan mijn plotse verzoek.
“Kijk, dit meneertje…” – ik trok hardhandig een dubbele streep door mijn adres – “… wil niet, ik herhaal: NIET meer bezocht worden. Nooit meer. Capiche?” Ik gaf hem het nu aardig gekreukelde A4-tje terug.
De geheel uit zijn lood geslagen Jehova-adept nam het velletje aan, vergat zijn balpen terug te vragen en zette het ei zo na op een hollen richting straat, zijn collega in zijn kielzog.
Ik sloot de deur, bukte me om Zohra, die op de stemmen was afgekomen, te strelen en slofte vervolgens hoofdschuddend richting toilet. Teveel opwinding is erg bevorderlijk voor de stoelgang, zo bleek alras.

Wist-je-datje (1)

De theorie van de meeste tuinders:

Mos is allergisch voor kalk.
Dolomiet is een kalkgesteente.
Mos groeit dus niet op dolomiet.

Ah nee?

Tussen theorie en realiteit gaapt bijwijlen een gigantische kloof, zeg ik u.
Kalk als mosbestrijder – in bijvoorbeeld uw gazon – is, gelooft u me maar, klinkklare commerciële onzin.

Zo. Een eerste wist-je-datje van een tuinmens die met graagte – en grotendeels gestoeld op beroepsmatige ervaring – al wel eens tegen een heilig huisje durft te schoppen.
Staving zou ons alhier veel te ver leiden, maar wie echt insisteert, wordt mogelijks – desnoods mailsgewijs – aanhoord.

[ Foto: Menck/Twaait, uit eigen tuin | aanklikbaar voor groter ]

Struinen in de Middeleeuwen (UPDATE op 27/10)

Mijn madam en ik, samen met de schone ouders, doken onlangs in de duistere catacomben van een in het jaar 944 na Christus opgetrokken majestueus gebouw dat, als onrechtstreeks gevolg van de tweede Franse inval, in de 18e eeuw werd gesloopt.
Om deze wijdverbreide onderaardse gangen annex spelonken te kunnen betreden, dienden we eerst een poepchic en meer hedendaags bouwwerk te betreden. Van de bevallige deerne achter de balie kregen we de toestemming om in de mysterieuze middeleeuwse krochten af te dalen.
Tot ik er onlangs op werd gewezen, was ik me er totaal niet van bewust dat er zoiets imposants schuilging onder een overbekend plein van mijn geboortestad.
In moeilijke lichtomstandigheden nam ik flitsloos tal van sfeerfoto’s. U vindt ze hieronder.

Rest uiteraard mijn vraag: We bevonden ons in middeleeuwse catacomben, maar weet u ook van welk door het verleden opgeslokt gebouw?
Onderaan dit logje licht een video een tip van de sluier zonder evenwel de naam te verraden.

En terug naar buiten:

Aan wie op dit punt in dit logje nog vraagtekens ziet, presenteer ik onderstaande video.
Let wel: SPOILER ALERT.
Al moet ik er volledigheidshalve bijvertellen dat de “wijsheid” die de juffrouw in het filmpje verkondigt de waarheid serieus geweld aandoet.

[  V I D E O  ]

* * *

UPDATE 27/10/2014:

We bevonden ons inderdaad in de catacomben van de verdwenen Brugse Sint-Donaaskathedraal onder De Burg – het plein waarvan sprake in dit logje – in Brugge.
Meer uitleg vind je HIER.

De catacomben betreden, gebeurt middels de receptie van het ‘Crowne Plaza’-hotel op de Burg:

Dit is hoe De Burg er toentertijd uitzag. Rechts op de foto herken je het nog immer aanwezige stadhuis, links de verdwenen Sint-Donaaskathedraal (voorheen Sint-Donaaskerk):

Deze ets toont hoe het majestueuze gebouw eruitzag:

Met dank aan Tiny voor deze toffe uit-tip!

Twoei

Pas nadat ik de buurvrouw met wijd opengesperde ogen en mond voorbij het raam van onze woonkamer zag vliegen, op de voet gevolgd door twee van onze tuinstoelen, wist ik: het waait wellicht redelijk hard. Toen ik daarna de voordeur opentrok om me van de ernst van de situatie te vergewissen, werd ik behoorlijk van mijn sokken geblazen; er heerste voorwaar een loeiharde woei. “Daar komen brokken van”, was het eerste dat door mijn hoofd flitste op het moment dat ik buurvrouw, wild molenwiekend met haar vlezige armpjes, richting een geparkeerde auto zag dwarrelen. Gelukkig werd ze vijf meter achter de wagen op straat gepleurd en brak het asfalt haar val. Mijn tuinstoelen kon ik vervolgens ongeschonden uit onze haag plukken.

U begrijpt dat ik middels bovenstaande alinea de waarheid wat geweld aandoe. Het waren namelijk onze tuinstoelen die op straat belandden en buurvrouw in onze haag.
Om maar te zeggen dat het afgelopen dinsdag redelijk waaierig was. De herfst liet ons voor het eerst dit jaar kennismaken met zijn sinistere kantje en kwam daarbij uiterst onstuimig uit de hoek. Zo onstuimig zelfs dat ik vreesde voor het voortbestaan van de wintergroene eik in de voortuin. Hij bleek gelukkig een pak veerkrachtiger dan ik voor mogelijk had gehouden. Kregen wel een flinke bolwassing: de bolcatalpa’s. De snedige wind wierp zich op als nietsontziende snoeischaar en daar waren tal van takken niet tegen opgewassen. Doch behalve een pak al te wassend hemelwater, twee rondtollende potten met Hosta’s en wat horizontaal gepositioneerde vaste planten, bleef de flora gespaard van vernieling.
Tuin – najaarsstorm: 1 – 0. Fijn zo.

Evenzo fijn was de aanblik van het uitspansel. Want dat mat zich in ijltempo tal van uiterst uiteenlopende dreigende looks aan. Het schouwspel vervulde me met ontzag, mede door de donkere roffels en de vele vileine bliksemschichten waarmee het gepaard ging. Ik kon er, gedurende een minuut of vijf, slechts een handvol – helaas minder kwalitatieve – foto’s van nemen, want een nieuwe hoosbui kondigde zich in volle hevigheid aan. Maar op die vijf minuten tijd kreeg ik wel uitermate gevarieerde wolkenformaties te zien.

De natuur: da’s bijwijlen toch iets onvoorstelbaar boeiends, beste lezer.

Alvorens ik de woning binnenstapte - en geheel losstaand van dit relaas - schoot ik ook nog snel deze plaat:

Als ik dit stilleventje vergelijk met zijn zomerse evenknie…

… kan ik maar één iets besluiten: de natuur, da’s bijwijlen toch iets onvoorstelbaar moois, beste lezer.

O ja: staat alles nog recht bij u of hangt het er maar slapjes bij na de rukwind?

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Dissonante desolaatheid

De zon had aanvankelijk wat moeite om door de grillige witte wollendeken heen te breken en er stond een stevige woei op het schier verlaten strand. Doch middels een temperatuur die schaamteloos met de eenentwintig graden flirtte, was zondag 19 oktober 2014 alweer een dag die meteorologische records verpulverde.
De lucht was bijwijlen beladen met een ziltigheid die nog het sterkst aan de geur van rauwe mosselen deed denken. Madam Menck en ik kuierden langs de vloedlijn. Af en toe wisselden we met enige stemverheffing wat indrukken uit; de gierende wind en de bulderende baren bemoeilijkten een gemoedelijke conversatie. Kitesurfers en strandzeilers beleefden je reinste hoogdag en ontlokten ons niet zelden een brede glimlach of een bewonderende kreet, wijl de meeuwen misnoegd in dichte drommen tussen al die felle kleuren heen laveerden.  Een horde krombekstrandlopers zocht doodgemoedereerd naar een hapklare brok tussen een grillige golfbreker, zich daarbij niks aantrekkend van twee luidruchtige hengelaars op de kop van de bealgde rotsformatie.
Op dit stuk strand heerst een desolaatheid zonder weerga. Zee, zand en duinen, zover het oog reikt; een stevige vuistslag in het gezicht van allen die zich immer laatdunkend uitlaten over de Belgische kust omwille van de hoogbouw, de drukke terrassen en het kunstmatige, welhaast plastic sfeertje dat er zou heersen. En neen, deze badplaats is heus geen alleenstaand geval. Wie wat verder durft te kijken dan wat ons via de toeristische sector wordt opgedrongen, zal zich hooglijk verbazen over de onweerstaanbare ongereptheid die slechts aan de welwillenden is voorbehouden. Het gras is, believe you me, heus niet altijd groener aan de overkant/het buitenland.

Doch is er iemand die al weet
hoe deze badplaats heet?

Check it out op PICMENCK, folks! De eerste (vooral niet-kustbewoner) die het juiste antwoord aanbrengt, verdient mijn volstrekte adoratie.

[ Link ]

Archaïsch of atypisch?

Het houdt me bezig en het laat me koud.
De laatste weken heeft het eerste deel van bovenstaande zin stevig aan kracht gewonnen. En daar maak ik me thans wat zorgen over. Of die hoofdbrekens al dan niet terecht zijn, laat ik voorlopig nog even in het midden.
U moet weten: ik loop achter. Achter op de verduiveld snel evoluerende maatschappij waarin ik heden steeds krampachtiger mijn evenwicht tracht te bewaren. Want ik ben, en ik zeg het niet graag, hoegenaamd niet meer mee met wat is en dientengevolge ongewapend tegen wat komen zal. Doch laat ik iets concreter worden alvorens u uw wenkbrauwen tot op uw voorhoofd gaat fronsen.

Ik heb een gsm. Dat was, jaren geleden, je reinste overwinning op mezelf. Maar weet u wat? Ik heb die gsm nóg. Diezelfde, jazeker. En ik gebruik hem ook nog steeds, dat is het strafste van heel de zaak. Ik kan er mee bellen. Ik kan er, mocht ik daar de moed voor vinden, zelfs mee sms’en. Maar daar stopt het.
Iedereen – maar dan ook werkelijk iedereen – uit mijn vrienden- en kennissenkring jongleert dezer dagen met een smartphone of tablet. Ze goochelen met apps, surfen eender waar ze zich bevinden op het internet, raadplegen hun mailbox, zwieren gezwind zelfgemaakte filmpjes op het www en – u schetst mijn verwondering – scrollen door én vergroten foto’s door met hun vingers over het scherm te wrijven. De eerste keer dat ik zulks zag – dat was eergisteren, als ik me niet vergis – stond ik als aan de grond genageld van ongeveinsde verbazing. En wordt dat schermpje daar dan niet ongelooflijk vettig van?

Nog een voorbeeld, dit keer uit de meer huiselijke kring: het televisietoestel. De huidige modellen zijn vooral groot en dun en fungeren niet zelden als halve computers. Nu, te onzent pronkt er ook een lichtbak, daar niet van. Maar de nadruk ligt op ‘bak’. Ja, zo’n toestel dat u zich wellicht nog slechts herinnert uit de tijd dat Walter Capiau nog hot was. Een bakelieten gevaarte van een halve meter diepte met een dikglazig bol scherm van zegge en schrijve 69 centimeter diameter. Plasma? LED? Onze oudbakken kolos huivert bij het aanhoren van die termen.

En ik ga verder met mezelf tot hopeloos achterhaald te bombarderen. Want wie tokkelt er heden nog op een desktop? Jahaa, het soort pc dat nooit het bureel verlaat wegens verankerd aan driehonderdzevenenveertig kabels. Even lekker surfen op de bank? Dan moet ik de bank mijn bureel binnen sleuren. Maar ik kan al online bankieren, dat dan weer wel.

Geen touchscreen, geen iPad, -Pod, -Tunes of -Phone, geen oversized LED-scherm, geen docking station en geen blitse multiroommuziekinstallatie. Ja, zelfs geen handsfree kit in de wagen, geen WIFI-verbinding en geen fucking hexacopterdrone met ingebouwde hogedefinitiecamera in de tuinschuur. À propos: geen tuinschuur ook.

Ik vroeg me af of ik 2015 nog haal zonder dat er talloze meewarige blikken op me afgevuurd zullen worden. Of wacht, het was 2014.
Freddy De Vadder zou zeggen: “Ik heb dat niet nodig.” Maar het laatste wat ik wil, is me aan die obsolete mannenmens spiegelen.
Noodzaak? Of toch nog altijd maar handige commerciële manipulatie van een beïnvloedbare wegwerpmaatschappij die er vooral bij wil horen?

Fuck jong, ik ben waarlijk nog maar een veertiger maar voel me ineens vijfenzeventig.

Welles, nietes

Vanmorgen werd er op de voordeur gebonsd. De postbode met een aangetekende zending.
Een goed uur later werd er weer op de voordeur geklopt. De getuigen van Jehova met een boodschap.
Toen er deze middag nog maar eens op de voordeur werd gelild, was de maat vol: ik stopte nieuwe batterijen in de deurbel en hing er een niet mis te verstane boodschap onder.

Ondertussen werd er alweer twee keer op de voordeur gebonkt. Ik heb niet ogengedaan en de deurbonkers boudweg in de regen laten staan. Ze moeten maar leren lezen, verdomme!