Sneller dan een kogel: de ijsvogel

Voor u erover begint: neen, dit is niet mijn meest scherpe foto. En ja, hij kreeg een tilt-shiftbewerking om het bevallig poserende model beter te laten uitkomen.
Ik schoot de immer wonderlijke ijsvogel (Alcedo atthis) vanuit de woonkamer, dwars doorheen het dubbelglazige raam. Zulks gebeurde overigens geheel en al digitaal, want ik ben niet zo tuk op glasscherven op het tapijt.
De kleurrijkste der vissers bevond zich daarbij op een aanzienlijke afstand van me: aan de overkant van de vijver. (Waar is die telelens als je ze nodig hebt?) Daar wist ik hem ten tweede male vast te leggen dit jaar. De eerste keer was in januari.

Wat denkt u: zou ik deze fijne waarneming laten meetellen voor het Grote Vogeltelweekend van 17 en 18 januari? Of is dat toch een klein beetje valsspelen?

De onbewerkte foto:

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

De pedalen verliezen

Vanuit een zijstraat draaide plots een pyjamablauwe Opel Corsa de provincieweg op. Dat gebeurde zowat honderd meter voor me uit. Toch moest ik alsnog in de remmen, want het wagentje leek niet vooruit te branden.
Had de chauffeur een acute aanval van rechtervoetverlamming gekregen? Werd het aftandse Opeltje getrokken door een span muilezels? Of was de persoon achter het stuur een hoogbejaarde zondagsrijder?
Mijn laatste gok bleek de juiste. Toen ik vlak achter het nu toch min of meer optrekkende autootje was, zag ik twee lichtjes wiebelende grijze knikkers net boven de hoofdsteunen. Op het linkse kopje stond, enigszins scheef, een vaalgrijze pet met ruitjesmotief, het rechtse was dan weer voorzien van grote krulspeldkrullen die ongetwijfeld door een halve bus haarlak bijeengehouden werden. Een volle minuut later scheurde het wagentje aan een duizelingwekkende kruissnelheid van welgeteld eenenveertig en een halve kilometer per uur over de steenweg. De maximumsnelheid bedroeg er zeventig. Deze voorzienige grijsaard speelde voorwaar op zeker door een ruime veiligheidsmarge in te bouwen.
Niks op tegen. Ik ben een welopgevoede mens met tonnen geduld. Zeker op zondag. Bovendien ambieer ik het predicaat heer in het verkeer. Bumperkleven – en alle andere mogelijke uitingen van verkeersagressie – zijn niet aan mij besteed.
Ik liet de twee opkomende wagens passeren, gaf vervolgens een tik tegen mijn linker richtingaanwijzer en na een blik in de achteruitkijkspiegel zoefde ik de heer en mevrouw Optgemak voorbij. Op het moment dat ik een tiental meter voor ze uit was, voegde ik, netjes de rechter richtingaanwijzer gebruikend, weer in en vervolgde mijn weg aan de voorgeschreven snelheid.
En dan gebeurde het.
Ineens werd er achter mij een toeterserenade ontstoken die minstens tien volle seconden ononderbroken aanhield. Ze werd begeleid door grootlicht dat werd opgeworpen annex een boos voor de voorruit gehouden herenvuist. De krulspelddame maakte daarbij menig maal een handgebaar alsof ze een nijdig zoemende mug van vlak voor haar voorhoofd wilde grissen.
Hoewel ik inwendig kookte, gaf ik geen krimp. Ik voelde mijn handen zich strakker om het stuur spannen en zag mijn knokkels wit wegtrekken. Mijn ‘heer in het verkeer’-reputatie werd thans danig op de proef gesteld. Edoch, kalmte won het van ergernis. Uit mijn jaszak diepte ik een sigaret op, propte die tussen mijn lippen en hield ze in de vlam van mijn aansteker. Samen met een wolk blauwgrijze rook blies ik vervolgens mijn frustratie door het openstaande raam. Een minuut later was ik alweer vrolijk ‘Middle Of The Road’ aan het fluiten.

Ik geloofde amper mijn ogen toen ik, twee kilometer verderop, stond te tanken en er plots een pyjamablauwe Opel Corsa halthield voor de pomp naast me. Een kleine en gezette eindzeventiger stapte uit. Zijn hoofd was rood aangelopen.
“Gij denkt zeker dat gij de weg voor u alleen hebt, jongmens?” Hij posteerde zich naast me. De dame-met-de-krullen bleef in de wagen zitten en sloeg ons, raampje opengedraaid, van daaruit gade.
“U bedoelt?” Ik keek even naar hem en richtte vervolgens mijn aandacht weer op een plekje ergens ter hoogte van mijn benzinetank.
“Wat ik bedoel?” kaatste hij mijn vraag terug. ”Ik denk dat gij dat goed genoeg weet!” Hij begon zijn stem nu wat te verheffen.
“Om eerlijk te zijn: nee.” Ik gunde de man geen blik waardig.
“Wie blies ons daarnet bijna van de weg? Waart gij dat dan niet?”
“Mag ik er meneer attent op maken dat ik netjes voorbijstak, mijn richtingaanwijzers gebruikte en me volkomen aan de wettelijke maximumsnelheid hield?”
“Hà! Laat me niet lachen, jongmens. Gij stóóf ons begot voorbij, ja!” Ineens bengelde er een belerend wijsvingertje voor mijn neus.
Ik haakte de vulslang terug in de pomp, draaide mijn tank dicht en richtte me vervolgens op. Ik keek heden neer op een bolletje woede op korte beentjes.
“Zou die illusie niet zijn ontsproten aan het feit dat meneer zich aan het voortbewegen was met de snelheid van een negentiende-eeuwse boerenkar waardoor om het even welke andere wagen plots de schijn wekt zich te verplaatsen aan raketsnelheid? Zou het soms dát niet kunnen zijn, meneer?” Ik stapte in. Nijdiger dan gewild.
“O ja, kijk, dat is makkelijk. Loop maar weg, ja. Lafheid heet zoiets.”
Hoorbaar zuchtend stapte ik terug uit mijn auto, liep naar zijn wagen en liet mijn blik in het interieur vallen.
“Wat hebt gij in mijn auto te zoeken, jongmens?”
“O, niks. Ik wilde me er alleen maar van vergewissen dat er in uw wagentje meer dan twee versnellingen beschikbaar zijn.”
De bejaarde viel stil en keek me aan alsof hij het zopas had horen donderen in Keulen.
“Een prettige dag nog, meneer.”
Ik stapte snel in, gaf stevig gas en verliet de parking van het benzinestation met gierende banden. Daar ging mijn reputatie.

Brugge die Gesellighe | Kerst 2014

De Brugse winkelstraat par excellence, de Steenstraat, braakte afgelopen zondag een kleurrijke, deinende mensenzee uit op de Grote Markt. Madam Menck en ik lieten ons, geheel noodgedwongen, meevoeren op deze stuwende stroom kijk- dan wel kooplustigen. Een zwaar verkouden mannenmens hoestte meermaals onbeschaamd in mijn nek, ik kreeg tig teisterende porren in mijn rug, viel ei zo na over een verdwaalde kinderbuggy en bleef met mijn jas haken aan een scheef tegen een gevel geplaatste kerstboom vol kitscherige lampjes. De stad geurde naar een mengeling van oliebollen, warme wafels, paardenstront en glühwein. Rokerige worstenstandjes benamen me bijwijlen de adem. Er werd gelachen, geroepen en gezongen; een permanente en nimmer aflatende kakofonie van geluiden gelardeerd met allerlei muzakjes en muziekjes. En uitgerekend op zo’n dag gaan wij toeristje-in-eigen-stad spelen.
De horror?
Toch niet. Ik geniet er namelijk met volle teugen van dat provinciestad Brugge thans ook eens in de wat latere uurtjes nog volop vibreert van het leven. Ik hou bovendien van mensjeskijken en sfeerproeven, vooral in deze tijd van het jaar. Kerst heeft, hoe u het ook draait of keert, iets magisch, ook al is het dan voornamelijk opgeklopte commerciële magie. Er zijn lichtjes in tweeëndertig kleuren en evenzoveel flikkeringen, er werd een heuse schaatspiste opgetrokken met daarrond tientallen stalletjes vol prullaria die voor geen meter verkopen en er wandelen zoveel Kerstmannen rond dat zowat elke min-zesjarige prompt begint te twijfelen aan de authenticiteit van de Enige Echte. Dolletjes.
Meermaals haalde ik mijn camera boven om Brugge die Gesellighe vast te leggen. De mensenstroom achter me hield dan even halt om me mijn ding te laten doen. Ik schoot haastig en uit de losse pols, wierp de vele geduldigen een luide ‘Thank you’ toe en zwengelde vervolgens de stroom weer aan nadat een gekke Japanner inderhaast nog een foto van mij wilde nemen. Alleen God en hij weten waarom, maar het zal beslist niet zijn omdat hij dagelijks overzees mijn blog leest.
In de C&A – na de Fnac het enige winkelpand dat we bezochten; Atlantic Wall van Stephan Vanfleteren was helaas uitverkocht – schafte ik me op vijf minuten tijd een antracietkleurige trui aan van negenentwintig euro. Een verwennerijtje mijner madam. Tijdens opwellingen is ze best wel een schat.

En u? Mijdt u stereotiep het ganse jinglebellstheater als de pest of hebt u er stiekem toch een dikke boon voor?
Wat er ook van zij: ik dompel u met graagte even onder in de warme kleuren en de broeierige foule die ik op een meteorologisch koude zondagavond heb vastgelegd. Geheel virtueel, dat spreekt.

Kerst in Brugge beleeft u tenvolle middels de no click image viewer die PICMENCK heet. Mary Kristmus, gij allen.

Staken

Buurman had me ongetwijfeld horen kloppen in de tuin. Vanachter de haag sprak hij me aan, zonder me evenwel te kunnen zien.
“En, Menck? Staken vandaag?”
“Ja hoor,” antwoordde ik, “en morgen de draad.”

[ N.a.v.Wellicht allerminst een woordspeling voor niet-West-Vlamingen. Vandaar: ‘staken’ = ‘palen’ in mijn dialect. ]

Noo(t)(d) van de redactie

Dinsdag laatstleden bracht ik mijn desktop – net geen drie lentes jong! – in allerijl naar de computerkliniek met levensbedreigende complicaties. Een hartstilstand, zo leek het wel. Of op zijn minst een acute inwendige bloeding, ik wil er vanaf zijn.
Wat er ook van zij: pc-mans moest ogenblikkelijk onder de scanner. De behandelende dokter was er niet gerust op en onderwierp mijn boezemvriend meteen aan een batterij testen. “Hopelijk is er niks vitaals beschadigd”, gaf de computerarts me zorgelijk mee. “Want zulks zou wel eens een fataliteit kunnen inhouden.”
“Hij is nog geen drie, dokter”, kreet ik zorgelijk. “En ik heb weer maar eens niks geback-upt.”
“Ze leven heden niet lang meer”, duidde de arts hoofdschuddend. “Meer nog: een vroegtijdige dood zit in hun genen.”
“Dan is dit toch wel héél vroegtijdig, niet?”
“Afwachten, Menck. Afwachten. Ik doe wat ik kan.”

En dus typ ik dit berichtje vanop een pc waar ik allerminst voeling mee heb. Nood breekt nu eenmaal wet.
Of mijn eigenste bits- en byteskameraad het zal halen, is zeer de vraag. Anders gesteld: het zou op deze blog wel eens langer dan gewild stil kunnen zijn. Doch ik blijf hoopvol, dat spreekt.

Op cursus

De kans bestaat dat het op deze blog een dag of twee stil zal zijn. Zulks zal uitsluitend afhangen van het al dan niet welslagen van de cursus die mijn madam me, gul als ze is, cadeau schonk en waarvan ik morgen de eerste van twee lesdagen aanvang.
Vanwege de complexiteit alsook de moeilijkheidsgraad van de lessen, accepteert de lesgeefster maximaal acht cursisten; kun je nagaan. Het betreft een lessenreeks die overigens enkel voor mannen is bestemd.

[ DAG 1 ]

HOE GEEF IK DE PLANTEN WATER?
* Stappenplan en diavoorstelling *

TOILETROLLEN – GROEIEN ZE VANZELF WEER AAN?
* Groepsdiscussie *

VERSCHILLEN TUSSEN DE WASMAND EN DE VLOER
* Oefenen met verschillende soorten wasmanden *
(visualisatietraining)

IS HET GENETISCH GEZIEN MOGELIJK STIL TE ZITTEN ALS ZIJ FILEPARKEERT?
* Rijsimulator *

DE TV-AFSTANDSBEDIENING
* De afstandsbediening loslaten: telefonische hulplijn en diverse praatgroepen *

HOE DINGEN TERUG TE VINDEN?
* Training in het zoeken op de goede plek in plaats van schreeuwend het hele huis overhoop te halen *
(Open forum)

[ DAG 2 ]

LEGE MELKPAKKEN: KOELKAST OF PMD-ZAK?
* Groepsdiscussie en rollenspel *

BLOEMEN MEEBRENGEN VOOR HAAR IS NIET SCHADELIJK VOOR JE
* PowerPointpresentatie *

ECHTE MANNEN VRAGEN DE WEG ALS ZE VERDWAALD ZIJN
* Voordracht van een man die het eens probeerde *

DE VAAT: VLIEGT HIJ VANZELF NAAR DE VAATWASSER?
* Diepgaand debat met enkele experts *

BASISVERSCHILLEN TUSSEN JE MOEDER EN JE PARTNER
* Praktijkles en rollenspel *

HET IDEALE WINKELMAATJE ZIJN
* Ontspanningsoefeningen, meditatie en ademhalingstechnieken *

BELANGRIJKE DATA ONTHOUDEN | BELLEN INDIEN JE LATER ZAL THUISKOMEN
* Neem agenda / PDA mee naar de cursus *

LOSLATEN: ERMEE LEREN LEVEN DAT JE TOCH NOOIT GELIJK HEBT
* Persoonlijke begeleiding mogelijk *

Wish me luck!

Irritante kutkop

Gisteren wilde een heerschap me per se “een uitzonderlijk abonnement” aansmeren. Dat poogde hij te doen via de telefoon. Die begon te rinkelen op het moment dat ik mijn gat aan het afvegen was. Ik haat rinkelende telefoons tijdens rectale reinigingswerkzaamheden. Desondanks waggelde ik, wegens een half opgestroopte broek, richting toestel en nam op.
Meteen begon de manspersoon monotoon te ratelen. Mijn vraag over hoe hij aan mijn nummer – een privé-nummer, nota bene – was geraakt, werd straal genegeerd. Hij staakte zelfs amper zijn woordenwaterval. Daarop verweet ik hem voor irritante kutkop. Toen werd het wel stil aan de andere kant van de lijn.
Of ik dat ‘s kon herhalen, vroeg hij twee tellen later.
Dat je een irritante kutkop bent, zei ik.
Er volgde weer stilte.
En ineens hoorde ik gesnik. Ik vroeg hem wie daar aan het huilen was. Het gesnik werd heviger, maar een antwoord bleef uit.
Toen daagde het me dat de telefoonmeneer zelf aan het snotteren was. Ik informeerde, thans enigszins bezorgd, naar de reden van zijn plotse verdriet.
In horten en stoten kwam het eruit: dat ik al minstens de dertigste was die hem vandaag een verwijt naar het hoofd had geslingerd. En dat hij ook maar zijn job uitoefende. Dat hij bovendien vreselijke last van aambeien had en zijn vrouw op de koop toe een affaire was begonnen met haar garagist.
Een heuse inzinking, kortom.
“U was wel degelijk irritant daarnet,” verdedigde ik mezelf. “U negeerde ook mijn vraag. En bovendien was ik mijn gat aan het afvegen toen u belde.”
“Dat kan ik geeneens meer. Ik moet in een teil lauw water gaan zitten.” Het snikken herbegon.
Ik opperde dat hij allicht dringend aan vakantie toe was. Hij keek daar niet naar uit, zei hij. Nu zijn vrouw vreemdging, was hij liever op zijn werk.
“Maar u kunt uw werk niet aan,” zuchtte ik. “Werd u niet geleerd hoe om te gaan met geïrriteerde mensen aan de lijn?”
“Er werd me hier niks verteld. Dit is de firma Trek Uw Plan, meneer. Zitten en bellen, mag ik. Van halfnegen tot halfzes. Ik word uitgekafferd, afgesnauwd en bespuwd. Door bazen. Door mensen aan de telefoon. Door collega’s. Zó gaat dat hier. Godganse dagen.”
“Maar vertrek dan. Ga daar weg, verdorie. Dat is toch geen leven op die manier?”
“Ach.” Hij zuchtte hoorbaar, maar deed er verder het zwijgen toe.
Het begon te regenen. Ik zag mijn kater dekking zoeken onder de tuintafel. Daar likte hij zijn rechter voorpoot.
“Wilt u nog iets zeggen?” Ik kuchte even. “Eh, ik moet wel…”
“Wimpel me maar af, ja. Dat was u van in het begin al van plan.”
“Omdat ik uw ‘uitzonderlijk abonnement’ niet hoef. Dáárom. Maar ik wil best wel even met u praten. Van mens tot mens en niet als potentiële klant.”
“Het heeft geen zin meer. Niks heeft nog zin. Mijn leven… Mijn leven is een puinhoop.”
“Omwille van uw werk? Is dat het? Of omwille van uw vrouw?”
“Beide. En door mijn aambeien. Vooral die.”
“Rectadon.”
“Wat zegt u?”
“Of u Rectadon al eens geprobeerd hebt? Da’s aambeienzalf. Mijn oom had vreselijke last van hemorroïden. Maar dankzij Rectadon gaat hij heden weer fluitend door het leven.”
“Echt? Hey, dat waardeer ik. Ik heb al vanalles geprobeerd, ziet u. Zonder resultaat. Maar van Rectadon heb ik nog niet gehoord. Was het erg gesteld met uw nonkel zijn, eh…?”
“Ver-schrik-ke-lijk. Gelukkig had die mens geen zittend gat of het was een megaramp geweest.”
“Rectadon. Ik heb het genoteerd. Mag ik u enorm bedanken voor deze tip? Ik voel me al een pak beter.” Zo klonk hij inderdaad ook.
“Graag gedaan. Ik wens u succes met de behandeling. Laat me maar weten wanneer u er vanaf bent.”
“Doe ik. Absoluut. Tot wederhoren, meneer, eh…”
“Zeg maar Menck.”
“Ik ben Fons.”
“Nou, het beste dan maar, hè. Fons.”
“Bedankt, Menck. Ik hou je op de hoogte.”
Er werd ingehaakt.

Ik toog fluitend toiletwaarts. Het gevoel een mens geholpen te hebben, deed me goed.
In het kleinste kamertje liet ik mijn broek terug zakken, beëindigde alsnog mijn veegwerk en bedacht daarbij hoe erg het moest zijn om aambeien te hebben. Ik huiverde en trok de wc door.

Ach luister nou toch, pa

Het werd hem een stonde droef te moede toen hij over moeder begon. Hij leunde wat achterover op de bank, wreef snel even met een zakdoek onder zijn neus, snifte kort en schier onhoorbaar, en begon over vervlogen dagen.
Het heden, laat staan de toekomst, is welhaast van generlei tel meer. Hij kijkt nauwelijks tv, bladert door geen enkele krant en laat de radio voor wat hij is. Hij leeft in de tijd die hij de zijne heeft gemaakt: vroeger. Apathie zou ik zulks niet noemen, veeleer het verlies van primaire interesses. Zelfs of het nou maandag is of dinsdag is niet altijd even zonneklaar. De dag komt en hij ondergaat hem, soms met enige zin, meestal met tegenzin.

Dat hij wat vaker onder de mensen moet komen, adviseer ik hem meermaals. Maar het is te koud, te vroeg donker en “wat heb ik nog te vertellen?”. De fietstochten, ja, die mist hij thans. En de wandelingetjes. Want zo kruist er nog eens iemand mijn pad, Menck. De winter staat hem tegen; die donkere, koude, veel te lange en eenzame winter. Avonden gevuld met gepeins en naar het plafond staren, dagen gevuld met praktische handelingen. Zijn pillen. Zijn eten. En het sorteren van de rekeningen, de dienstencheques en ook wel de was ophangen en het opbergen van de boodschappen die mijn zus al jarenlang elke woensdag voor hem doet. Zij is, serieus, een heldin.

Op zaterdagavond zet hij voor ons chips op tafel, en nootjes en stukjes droge worst en geïmporteerde druiven, gemicrowavede kippenbilletjes en flessen allerhande. Zelf consumeert hij dan niks. Zijn kinderen, daar doet hij het voor. Zonder zijn kinderen zou hij er al niet meer zijn, zegt hij. Herhaalt hij bij elk bezoek. Het maakt me trots. Het maakt me vooral intriest.
Mijn vader behoeft slechts één iets: verstrooiing middels mensen om zich heen. Maakt niet uit wie. Zelfs de spreekwoordelijke hond-met-een-hoedje is oké voor een babbeltje. Hij schreef zich, na enig aandringen, in bij de seniorenbeweging Okra. Hij heeft regelmatig contact met zijn buren. Hij is vol lof over zijn twee veel jongere buurvrouwen die hem in hun hart dragen. “Allez, ik, een ouwe zak van 81.” Maar de vele leemtes tussen de contacten verteert hij slecht. Mijn vader is de mens zonder hobby’s, moet u weten. Zo goed als niets draagt zijn onverdeelde interesse weg. Nu mijn moeder er niet meer is, krijgt hij deze lacune dagelijks vol in het gezicht geslingerd.

Van dag tot dag leven onder het juk van de existentie, de dagen ondergaan, de nachten gelaten en verdoofd opsouperen en dat alles zonder beslag te kunnen/willen leggen op de cruciale tier in het immer te korte aardse bestaan: ik kan me er voortaan iets bij voorstellen doch verdring dat denkbeeld meer dan ooit uit alle macht.

zoals je daar nu zit
je haren heel erg wit
de rimpels op je handen
zo droefgeestig maar zacht
wie had dat ooit gedacht
je bent zoveel veranderd
ach luister nou toch pa
het is nog niet te laat
want leven kun je leren

[ vrij naar ‘Pa’ van Doe Maar ]

[ Foto: Menck | Twaait ]

Niemand gaat verloren


Luc De Vos, de zanger van Gorki, held van schrijver dezes, eeuwig schone mens, is gisteravond overleden. Hij was 52 jaar. Het is nog niet duidelijk hoe hij om het leven is gekomen. Het parket en de politie van Gent onderzoeken de omstandigheden. Vandaag volgt een autopsie.
Het lichaam van Luc De Vos werd gevonden in zijn werkappartement in de buurt van zijn woning. Het parket laat weten dat er geen sporen van uitwendig geweld zijn.
Luc De Vos werd geboren in Wippelgem bij Gent als jongste van een groot katholiek gezin. Hij brak vrij laat door, op zijn 27e, toen hij in 1990 met Gorky (toen nog gespeld met ‘y’) derde werd in Humo’s Rock Rally. Een jaar daarop leerde ook het grote publiek Luc De Vos en Gorky kennen, met hits als ‘Anja’, ‘Soms vraagt een mens zich af’ en ‘Mia’.

Dat laatste nummer, eigenlijk een B-kant, kreeg een cultstatus toen het drie keer na elkaar werd verkozen tot nummer 1 in ‘De Tijdloze 100’ van Studio Brussel, en daarna ook in andere lijsten met klassiekers. Zelfs de Vlaamse muziekprijzen zijn naar het nummer genoemd: de MIA’s.
In ‘De laatste show’ vertelde De Vos ooit hoe ‘Mia’, dat hij omschreef als een hartenkreet, tot stand kwam. “Dat moet in mijn kamertje geweest zijn in 1988 of 1989. Ik woonde nog bij mijn moeder, ik had nog nooit een lief gehad. Ik was toen ook werkloos en wist van geen hout pijlen te maken.”

Behalve zanger was Luc De Vos ook columnist, onder andere voor radiozender Studio Brussel en het Gentse stadsmagazine Zone 09/. Hij schreef ook boeken, zoals ‘De verworpenen’, ‘Het woord bij De daad’, ‘De rest is geschiedenis’, ‘De volksmacht’ en de roman ‘De laatste mammoet’.
Onlangs maakte Luc De Vos nog een geslaagde passage in de quiz ‘De slimste mens ter wereld’ op Vier, waar hij drie keer kon deelnemen.

Luc De Vos laat een vrouw (Sandra Heylen, 43) en een zoon (Bruno, 14) achter.


UPDATE 30/11/2014:

Het parket liet gisteravond al weten dat er geen sporen van uitwendig geweld waren aangetroffen, maar liet toch een autopsie uitvoeren om de doodsoorzaak te achterhalen.
“Daaruit is gebleken dat er geen sprake is van kwaad opzet en dat er evenmin aanwijzingen zijn dat er sprake zou zijn van zelfdoding, maar dat de doodsoorzaak zou te wijten zijn aan acuut falen van een aantal vitale organen”, zegt woordvoerster An Schoonjans van het Gentse parket. “Uit respect voor de familie en de nabestaanden zullen we daaromtrent geen verdere details communiceren.”

De tuin veruiterlijken

Bovenstaande foto, van afgelopen zomer alweer, toont u de zuidwestkant van onze tuin vanop de straat. Wellicht is het eerste dat u opmerkt de massieve haag en daaraan gelieerd onze hang naar privacy. Dat was, achttien jaar geleden, voorwaarde nummer één toen we de woning betrokken: een heg. En vlug wat. Wie, zoals wij, op een hoek woont, kent het probleem: zonder dichte omheining voelt het aan alsof je naakt bent en door duizend ogen wordt bekeken.
Omdat we zo rap mogelijk aan het zicht wilden onttrokken worden, kozen we voor een snelgroeiende groene muur: Cupressocyparis (x) leylandii. Een mondvol, maar na nauwelijks vier jaar heb je een volwaardige haag van om en bij de twee meter hoog. Ander voordeel: leylandiihagen zijn betaalbaar. Wie daarentegen stevig in de slappe was zit, zal mogelijks opteren voor een nóg snellere oplossing: een houten dan wel betonnen schutting. Maar zeg nou zelf: kan het nog sterieler? Triple bah, dus.

Keerzijde van de medaille: Cupressocyparis leylandii is niet van het mooiste dat er is. Monotoon donkergroen doorheen alle seizoenen. Bovendien zijn er twee scheerbeurten per jaar (lente – herfst) vereist wegens de enorme groeikracht. En de laatste jaren zijn leylandiihagen ook zeer gevoelig voor ziektes: cipressenkanker, Kabatinakanker en botryosphaeriakanker. In natte tuinen komt ook vaak nog wortelrot voor, veroorzaakt door Phytophthora cinnamomi. Tof hè, al die moeilijke namen.
Het ergste zijn echter de takluizen. Ze zijn ongeveer 3 millimeter groot, hebben een bruine schutkleur, zitten meestal goed verstopt in de haag en zuigen sap uit de plant. Dit veroorzaakt bruine twijgen. Uiterlijk zie je dorre plekken in de haag. Vooral oudere hagen worden aangetast: aantastingen doen zich voor in hagen van minstens 10 jaar oud die ook nog eens strak gesnoeid worden. Jonge hagen waarin de wind en de regen vrij spel hebben, worden niet zo vaak belaagd.

Hoe problematisch, arbeidsintensief en steriel zo’n leylandiihaag ook moge wezen, ze vormt zonder meer een prima achtergrond voor borders. Ter staving een stukje van onze tuin aan de binnenkant van de haag die u daarnet nog saai zag staan wezen vanop de straatkant. Toegegeven: zulks is direct gans andere koek:

Afgelopen zomer zag ik echter voorbeelden van hoe het helemaal anders kan. Anders en véél beter. Mét een houten schutting bovendien. Want die hoeft heus niet saai te zijn vanop straat:

De tuin naar buiten doortrekken, heet zoiets. En dat kan niet met een haag zoals de onze omwille van de snoeinoodzaak. Dat kan in feite met geen enkele haag, tenzij u verwildering hoog in het vaandel draagt.
Heden weet ik: achttien jaar geleden namen we een foute beslissing door te opteren voor een leylandiigedrocht. Edoch, we waren een pak minder ervaren en hadden simpelweg de nodige valuta niet voorhanden. Tja.

Vandaag hoop ik stiekem dat onze haag liever vroeg dan laat het loodje legt.
Foei, Menck, zulks druist regelrecht in tegen de principes van een floraliefhebber. Maar laat ik u geruststellen: ik zou daar wel iets tegenoverzetten. Iets waar niet alleen wij maar ook de straatpassanten zouden kunnen van genieten. Iets zoals bijvoorbeeld het hemelse straatzicht dat ik u een alinea geleden presenteerde. En zelfs ordinair tuingaas kan worden aangewend, want ook dat koele materiaal kan warm worden aangekleed en daarmee op magistrale wijze aan het oog worden onttrokken:

Afsluitend wil ik u meegeven dat ik hoegenaamd niks heb tegen hagen, maar dat er zoveel fraaiere alternatieven voorhanden zijn. Alternatieven waar ik, mocht onze voorlopig nog groene heg het laten afweten, zonder de minste twijfel zou voor opteren. Het feeërieke van een tuin binnen de omheining ook nog ‘s kunnen veruiterlijken: ik heb er een arm voor veil. Proverbial, of course.

Los van mijn betoog: doen deze foto’s u ook zo ontzettend naar de lente verlangen?

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Geen bal op de tv…

Terwijl de tv staat te blèren in de woonkamer, en madam Menck zo goed als ingedommeld onder haar fleecedekentje op de bank ligt, hield ik me vanavond met iets gans anders onledig.
Ik verklap niet meteen wat, doch u mag zich gerust aan een gokje wagen.
TIP: fashionista’s zullen het beslist een afkeurenswaardige bezigheid vinden. Of net niet, dat kan ook.

Mogelijks licht onderstaande foto een tipje van de sluier.

[ Foto: Menck/Twaait | zelfontspanner ]

Als in een flits

Op een behaaglijk feestje afgelopen weekend vond een vriend het op zeker moment tijd worden dat ik eens achter mijn camera vandaan kwam. “Ik zie nooit foto’s van jou noch van jullie beidjes”, verklaarde hij zich nader. Niet geheel ten onrechte, overigens. En zodoende moesten wij prompt van ‘kijk eens naar het vogeltje’ doen wijl hij zich vlak voor ons posteerde met zijn pocketcameraatje.
Op zijn “Say cheese!” ging enkel mijn madam in; ik was te zeer gefocust op de astatische wijze waarop hij zijn digitaaltje hanteerde. Het vele gerstenat dat hij eerder die avond vlotjes had weggedronken, was daar beslist niet vreemd aan. Desondanks slaagde hij erin een aanvaardbare foto te nemen die hij me ’s anderendaags reeds doormailde.

En zodoende, beste lezer, heb ik na vele jaren nog eens een prent van madam Menck en ik in mijn bezit. De schone en het beest anno 2014, zeg maar.
Ik heb alvast één iets geleerd uit deze opname: ik kan maar met veel moeite vatten dat ik thans zo oud ben als de mensen die ik stokoud vond toen ik jong was. Fuck zeg, voor ik het weet zijn de kaarsjes op mijn verjaardagstaart duurder dan de taart zelf.

[ Foto: JDW ]

Twaait 2.0

Na exact 300 schrijfsels steekt deze blog in een nieuw jasje. Daarmee heb ik getracht om de lees- en kijkbeleving te vergroten:

Foto’s worden thans weergegeven op een pixelbreedte van 830 in plaats van de vroegere 640;
Aanklikbare links staan voortaan in het blauw en zijn onderlijnd;
Eenvoud en soberheid heersen nog meer dan vroeger;
Het formaat van deze blog past zich aan aan de schermgrootte van desk-/laptops, tablets en smartphones.

Een foto zoals hij met het oude thema werd weergegeven:

En eentje in het formaat dat u voortaan zult te zien krijgen:

Hopelijk kunt u de nieuwe lay-out evengoed smaken als ik. Mochten er zich onverhoopt toch problemen stellen met de weergave, trek dan maar aan mijn mouw middels het reactieluik of via e-mail.

Zo. En dan nu op naar de volgende 300 blogstukken.

Dolgedraaid

“Monstruositeit, daar draait het om. En stinken, meneer. Patchouli. Alles om toch maar op te vallen.”
Jeugd was duidelijk een intricaat gegeven voor dit heerschap. Waarom hij dan, stijfjes in een kleurloos pak gehesen, in deze overwegend door tieners en twens bezochte staminee rondhing, ontging me compleet.
“Eén voor één: bacchantisch, ik zeg het u”, continueerde hij. Ik had hem ternauwernood aangekeken, maar dat leek hem niet te deren. “Moet u trouwens niks?” Hij wees op de overmaatse bel cognac in zijn hand. “Ik trakteer.”
“Nee, dank u. Ik moet straks draaien.”
“Draaien?”
“Platen. Ik ben de diskjockey van dienst. Wacht u ook op de fuif?” In gedachten grinnikte ik.
Hij zette behoedzaam zijn cognac neer op de bar, draaide zich traag in mijn richting en plantte zijn handen op zijn knieën.
“Dus jíj bent hier verantwoordelijk voor het lawaai?” Ineens tutoyeerde hij me.
“Toch vanavond, ja.”
“Zal dat verlopen zoals vorige week? En de week daarvoor?” De stemverheffing die hij hanteerde hield duidelijk dreiging in.
“Hoe verliep het dan? Ik was hier toen niet.”
“Luid!” riep hij. Prompt besefte hij dat hij zich zelf bezondigde aan wat hem irriteerde. “Luid”, herhaalde hij, ditmaal dertig decibel lager. “Zo verdomde luid dat ik ie-de-re zaterdag lig te schudden in mijn bed. Ik woon hier wat verderop, moet je weten. Elke zaterdag is effenaf onlijdelijk voor me.”
“Hebt u al oordopjes geprobeerd? Die blijken echt te helpen. Mijn vrouw bezigt ze als wapen tegen mijn gesnurk en dat wil heel wat zeggen.”
“Ben je ermee aan ’t lachen, gast?”
“Ik ben zelden zo ernstig geweest, meneer.” Ik wenkte de verderop staande barman middels een opgestoken arm en lipte het woord cola. Hij knikte.
“Op jouw leeftijd is het belachelijk om je zo te vereenzelvigen met dit… dit…” – hij wees naar de gedurig groeiende schare jongeren in het café – “…tuig!”
Gaudeamus igitur iuvenes dum sumus”, repliceerde ik, met moeite een grijns onderdrukkend.
“Ach zo, gij zijt er ook zo eentje.”
“Zo eentje?”
“Een rebel, rapalje, een dwarsligger, quoi.” Hij klokte heftig zijn cognac achterover en liet het lege glas hard neerkomen op de toog.
“Troubles?” De barman bracht mijn cola.
“Och, een wat vinnige conversatie, meer niet”, knipoogde ik.
“Laat je maar niet op stang jagen door Herman. Hij, eh, discussieert graag. Nog een gratis cognacje, Herman?” Hij legde de nadruk op ‘gratis’.
“Gratis?” interpelleerde ik.
“Ja. Herman gedoogt onze fijne feestjes op voorwaarde dat hij hier elke zaterdag gratis mag komen drinken. Dat zijn we jaren geleden al overeengekomen, nietwaar Herman? Je hebt het onze dj toch uitgelegd, mag ik hopen?”
“Ik moet maar eens gaan. ’t Is al laat”, mompelde Herman. Welhaast gezwind liet hij zich van zijn barkruk glijden. Zonder ons aan te kijken stapte hij naar de uitgang.
“Ik zal vanavond een nummertje voor je draaien, Herman!” riep ik hem na.  “Lijkt een vleugje rock je wel iets? ‘k Zal de muziek dan wat luider zetten, oké?”
Herman sloeg de deur met een harde klap achter zich dicht. Enkele aanwezigen lachten luidop. Ik nam een slok van mijn cola.

Hondsberoerd

Toen ik de voordeur opendeed, zat er een hond op de dorpel. Nee, het dier had gebeld noch geklopt; de samenloop dezer omstandigheden was louter toevallig.
De hond leek niet in het minst geïmponeerd door de bruusk openzwaaiende deur. Al evenmin schrok hij van mijn plotse aanwezigheid in de deuropening. Allicht had hij mij horen stappen in de hall. En me de sleutel horen omdraaien.
Ik schrok wél. Even toch. Tot ik zag dat het beest hoegenaamd geen kwaad in zin had. Vervolgens hurkte ik behoedzaam neer en kwam alzo op ooghoogte van het op zijn poep zittende beest terecht. Het keek me met grote droeve ogen aan maar kwispelstaartte, wat op een teken van tevredenheid wees.
“Dag hond”, sprak ik de sloeber rustig toe. Hij was vrij groot, egaal zwart gekleurd en voorzien van een lange snoet en neerhangende oren. Ik gokte op een labrador, maar van hondenmerken heb ik al even weinig kaas gegeten als van autorassen. Terstond gaf het dier me een poot.
“Wat attent van je, hond. Jij bent zowaar een gemanierd beest.” Ik nam de poot aan en kneep er zacht in. Toen liet ik hem los. Direct daarop offreerde de hond me zijn andere voorpoot. Ik moest ongewild lachen toen ik ook deze schudde.
“Van wie heb je dat geleerd? Is je baasje in de buurt?” Ik stond op, liep naar de straat maar zag niemand. Daarna opende ik routinematig de brievenbus en vond er een folder van de plaatselijke traiteur. Die mens lapte immer de ‘geen reclame’-sticker vierkant aan zijn laars. Alleen al om die reden zou ik er nooit iets bestellen.
“Woef!” klonk het plots kort en luid achter me. Ik draaide me om en blikte in twee zielige hondenogen.
“Ga je terug wandelen, hond?” Het dier bleef me aankijken. Toen ik aanstalten maakte om terug naar binnen te gaan, weerklonk er opnieuw een kort geblaf. Meteen daarop duwde het beest zijn snoet tegen de reclamefolder aan.
“Wil je die? Mij best, hoor.” Ik stak de hond de opgerolde folder toe. Ogenblikkelijk nam hij de papierrol in zijn muil en liep er mee naar de voordeur alwaar hij het pakketje voorzichtig op de mat deponeerde. Vervolgens ging hij ernaast zitten, draaide zijn kop in mijn richting en keek me afwachtend aan.
“Prachtig”, zei ik oprecht verbaasd. “Jij kunt het een en ander, zo te zien.” Ik stapte nu ook naar de voordeur en aaide de hond over zijn bol. Hij liet zich deze attentie welgevallen. “Ga nou maar. Dit is een kattenhuis, weet je. Ik vrees dat mijn poezenfamilie je aanwezigheid niet zou weten te waarderen.” De hond hield zijn kop schuin. Toen ik de deur openduwde, stond het dier op en wandelde terug naar de straat.

De dag erop was de hond er weer. Hij kwam me een poot geven toen ik mijn bestelwagen aan het volstouwen was.
“Zo, ben je d’r weer?” begroette ik hem toen ik zijn poot aannam. Ik aaide de hond even kort over zijn kop en ging verder met inladen. Het dier liep daarop naar de lavendelpartij naast de oprit en vleide zich er tegenaan. Vanuit die positie bleef het mijn werkzaamheden gadeslaan.
Toen ik na een dikke drie kwartier de laadruimte dichtgooide, sprong de hond op en wandelde naar me toe.
“Ik ben klaar, hond.” Ik gaf hem een schouderklopje en stapte richting voordeur. Toen ik de deur openduwde, keek het beest me aan, blafte even, draaide zich om en ging heen.

Gisterenmiddag vond ik de hond voor de oprit. Hij lag in de goot in een vreemde houding. Zijn linkerflank was hevig bebloed.
Ik hurkte naast het dode dier neer en streelde zacht zijn kop.
“Hij werd aangereden door een vrachtwagen. Zowat een kwartier geleden.”
Ik stond op en zag buurvrouw Carla naar me toe komen stappen.
“En die vrachtwagen is gewoon doorgereden?”
“Ik denk dat de chauffeur zich geeneens bewust is van wat hij veroorzaakt heeft. Hij raakte het dier vol met zijn achterwiel.”
“Je hebt het dus allemaal zien gebeuren?”
“Ja. Weet jij wiens hond dit is?”
“Nee. Hij draagt zelfs geen halsband. Misschien is hij gechipt, ik weet het niet.”
Er viel even een stilte. Beiden keken we naar de hond.
“Het leek wel of hij op iemand zat te wachten”, zei Carla plots zacht. “Hij zat hier al bijna een uur.”
Mijn maag werd als door een grote vuist omvat. Omwille van mij was dit arme dier de dood ingejaagd. Op mijn wang voelde ik ineens een traan bengelen.
Carla zag het en sloeg een arm om mijn schouder. “Jij bent toch echt wel een enorme dierenvriend hè, Menck”, sprak ze troostend.
Ik slikte slechts en voelde hoe een dikke brok ironie zich een weg door mijn keel baande.

Back to the wayback room

Voor de nieuwsgierigen, de benieuwden, de weetgierigen, de kijkgragen, de schouwlustigen, de kurieuzeneuzemosterdpotten en de vrouwen onder u:
‘Lemon Cake’ van We Are Colour is het behang geworden dat ik koos voor de accentmuur in de toekomstige retrokamer. Drie rollen zullen volstaan.
Dat behangsel ziet er trouwens zo uit:

Geinig papiertje, niet?
De overige drie muren zullen met een bijpassend eenkleurig vliesbehang worden gedrapeerd. De raamlijst en de kamerdeur worden met witte lakverf geschilderd, het plafond dan weer met matte roomwitte muurverf.

Nog te scoren:

  • Rollen gekleurd vliesbehang. Die kleur zal uiteraard moeten aansluiten bij het behangsel. Momenteel heb ik nog geen idee dewelke het zal worden;
  • Posterformaatfoto van madam Menck als wandversiering;
  • Een vintage ogende mat;
  • Een retroachtig luchtertje. Dit kleinood zal waarschijnlijk tweedehands dienen te worden aangeschaft. Mijn voorkeur gaat uit naar een eenvoudig vormgegeven model such as this:

Het is van 1996 geleden dat ik nog eens behangpapier mocht kiezen. De huidige werkwijze – kiezen uit lijvige staalboeken in plaats van de destijds geëxposeerde behangproefstroken in de winkel zelf – staat me tegen. Bovendien mag geen enkele catalogus naar huis worden meegenomen om in alle rust te kunnen selecteren. Pfft.
Ook de prijzen toveren heden allerminst een glimlach om de mond. Voor één rolletje behang van zegge en schrijve tien meter lengte – dat zijn, zonder verlies, vier strookjes op de muur – betaal je tegenwoordig tussen de 40 en de 120 euro. Jawaddedadde.

Ziezo, een kleine tussentijdse update. U bent, althans voorlopig, weer helemaal mee.

[ Foto 1 & 2: Menck|Twaait ]

De kunst van het onderscheiden

Het gros van de bloggers neemt de realiteit als uitgangspunt voor hun schrijfsels. Daarvan maakt hun eigen leef- en werkwereld het leeuwendeel uit. Maar ook onderwerpen met betrekking tot politiek, sport, televisie, muziek en dies meer worden gretig aangesneden. Dat alles maakt dat de fantasie in blogland maar weinig tot quasi niet aan bod komt. Wie daar dan wél ‘s gebruik van maakt, wordt al snel beschouwd als – in het beste geval – een zonderling, een fantast of – in het ergste geval – een bedrieger. Want de gemiddelde bloglezer gaat er nu eenmaal, bijna automatisch, van uit dat wat een blogger neerpent een ‘honderd procent’-waarheidsgehalte bezit.

Trouwe lezers van mijn huidige en vorige blogs weten dat ik de realiteit zo nu en dan al eens wat durf bij te kruiden. Vooral in cursiefjes komt zulks tot uiting. Dat tekstueel aromatiseren, is ontsproten aan het creatieve concept dat ik met graagte hanteer. Hierin krijgen de taal en de schrijfstijl de hoofdrollen en schenk ik de bijrol aan de feitelijkheid. Met andere woorden: op zulke momenten schrijf ik in eerste instantie omdat ik wil dat u het gráág zou lezen, dat u achteraf zou kunnen zeggen dat de aaneenrijging van al die woordjes u minstens eventjes in vervoering heeft gebracht.

Wat er dan echt is en wat niet?

Doet het er eigenlijk toe? Dit is een virtuele wereld. En virtueel staat per definitie voor ’slechts schijnbaar bestaand’. De grens tussen echt en onecht, tussen waargebeurd en gefantaseerd, mag wat mij betreft gerust al eens vervagen in cursiefjes.

Blijkt echter dat zoiets niet immer in dank wordt aanvaard. In het reactieluik durven dan kritische opmerkingen omtrent het waarheidsgehalte van bepaalde mijner tekstfragmenten opduiken. Ook sporadische mails wijzen me er op dat ik waarschijnlijk de waarheid zo nu en dan enig geweld aandoe. En dat verontrust me, omdat ik er van uitging dat een loopje met de werkelijkheid, een snuifje fictie of een hyperbool met een goedkeurende glimlach zou worden onthaald. Dat blijkt – helaas – niet steeds het geval te zijn.
Waarom is de onzekerheid toch zulk onlosmakelijk onderdeel van het creatieve proces geworden? Komt het doordat de twijfel domweg een kind van de verbeeldingskracht is? Of ligt het onvermogen om de fantasie uit een log te vissen aan de basis van het ongenoegen van een deel van de lezers? Ik gok op een combinatie van de twee.

Wat er ook van zij: acht jaar geleden sloeg ik een blogweg in waar ik niet meer wens van af te wijken. Het is aan u om mijn sporadisch opduikende en tussen de waarheid gevlochten imaginaties te pruimen dan wel naast u neer te leggen. En vooral: om ze te scheiden van de werkelijkheid. Er is verdomme al realiteit genoeg.

Het vuur van de herfst

Op het moment dat het meisje een handvol polychrome herfstblaadjes hemelwaarts stuurde, lachte ze uitbundig. Meteen bukte ze zich om het tafereeltje te kunnen herhalen. En nog eens te herhalen. Toen riep haar mama dat het genoeg was geweest en dat oma wachtte met de koffie.
“Ik lust geen koffie”, protesteerde de uk – ik schatte haar vier of vijf – wijl ze door de knieën ging om een nieuwe schep bont geschakeerde blaadjes te vergaren.
“Oma heeft ook lekkere koekjes”, trachtte de moeder haar dochter te verleiden.
“Ik lust geen koekjes,” kraaide de kleuter opstandig. Ze gooide haar verzamelde bladerbuit boven haar hoofd en sloot de ogen toen de blaadjes op haar kruin en schouders neerdwarrelden.
“Nú, Lore.” Mama’s geduld was duidelijk op. Ze keerde op haar stappen terug en trok haar inmiddels alweer gehurkte dochter aan haar mouw recht. Het kind stampvoette en zette haar meest overtuigende pruillip op. Zulks sorteerde een averechts effect, want moeder gaf haar ongehoorzame gebroed een klinkende oorveeg. Ik verwachte thans luidkeels gehuil, maar dat bleef wonderwel uit. In de plaats daarvan trakteerde de kleine haar moeder op een stevige trap tegen het rechterscheenbeen. Mam hinkelde verbouwereerd een halve meter achteruit, herpakte zich en doneerde haar eigen vlees en bloed een welgemikte vuistslag op de neus. Daar had Lore niet van terug; ze barstte in onbedaarlijk snikken uit.
“Waar is je zakdoek? In je jaszak? Je bloedneus zal zo meteen nog je daim jasje besmeuren en dat wil ik niet. Kom op, Lore, geef me vlug je zakdoek.”
“Ik snik heb snik hem snik niet snik bij.”
“Wát? Je hebt hem niet bij? Vanmorgen heb ik je toch uitdrukkelijk gevraagd om een zakdoek mee te nemen, weet je nog? En waarom deed je dat dan niet?”
“Ik ben het vergeten.” De tranen liepen nu in dikke meanderende stroompjes over haar wangen.
In een pedagogische reflex offreerde de moeder haar koter nóg een klets. Die was beduidend harder dan de vorige, want het kind wankelde een tel. Gek genoeg hield het huilen abrupt op.
Moederlief bukte zich, plukte een groot rood amberboomblad uit de berm en hield het haar dochter voor. “Veeg hier maar je neus mee af. En o wee als er ook maar één druppel bloed op je jasje belandt.”
Lore gehoorzaamde gedwee. Of murw, dat kan ook.

Ik had het lieflijke straattafereeltje gadegeslagen vanuit de tuin waar ik aan het werk was, leunend op de handgreep van mijn grasmaaier. Doch thans wendde ik mijn hoofd af; de duisternis zou alras vallen en ik had nog een partijtje gazon te kortwieken. Met een gezwinde ruk trok ik de benzinemaaier in gang. Ik zag nog net hoe moeder en dochter, opgeschrikt door het plotse lawaai waardoor ze ineens mijn aanwezigheid constateerden, snel hun weg vervolgden.

Om u maar te laten weten dat ook ik mateloos van de versicolore herfst heb geproefd deze week. Bij momenten was ik zelfs, net als Lore, tot tranen toe geroerd om zoveel moois. Want wat een heerlijk seizoen is dit toch.

> Check it vooral out, folks! <

To be continued

Mijn niet-aflatende passie voor vintagespullen jaagt madam Menck al wel eens op de kast. De hang naar retro is namelijk een liefde die we allerminst hartstochtelijk delen. Zij kleedt de woning bij voorkeur wat eigentijdser aan in plaats van terug te gaan in de tijd. En dus dienen er compromissen te worden gesloten.
Een tijdje geleden berichtte ik u op deze stek reeds over de fijne trouvaille in de kelder van de ouderlijke woning. Een rechttoe rechtaan kastje op slanke pootjes uit het begin van de zestiger jaren werd toen het mijne. Of beter: het onze. Een plaatsje in de woonkamer was het minste wat deze schoonheid verdiende. Met mijn excuses voor het afzichtelijke tapijt.

“Oké”, opperde madam Menck na wat overwegen, “maar alleen als het in hoogglanswit wordt geschilderd. Dan sluit het perfect aan bij de eettafel.”
“Ben je gek?” verweerde ik me. “Op die manier gaat de authenticiteit van het meubeltje compleet verloren. Op het internet wisselt een dergelijk stuk onvervalste ambacht van eigenaar voor enkele honderden euro’s. Dat is: als het zich in originele staat bevindt.”
“Mij best. Dan zet je het kastje maar in je bureel.”
Maar kijk, ik ben een toegeeflijke mens. Wit zou het worden. Alles voor de lieve vrede, ziet u. Wie heden oppert dat ik onder de sloef zit, zal ik niet eens strijdvaardig tegenspreken.
Zulks was echter buiten mijn lezers, mijn familie en mijn vriendenkring gerekend.

“Dat ga je toch niet doen, Menck? Dat is zoveel als moord. Zo’n prachtstuk!”
“Op je kop gevallen en blijven botsen? Zó laten dat ding. Het is een snoepje.”
“Van zulk een schoon vintagedingetje blijft een mens af. Punt.”
“Je reinste verkrachting!”

Mijn madam ging overstag. Meer nog: de combinatie retro-modern vindt ze heden zelfs al kunnen.
“Je had gelijk, schat. Het is beter zo.”
Hm. Niet ík had gelijk, maar wel alle anderen die tegen een schilderbeurt gekant waren. Doch die gedachte bleef wijselijk onuitgesproken.

Gisteren daalde ik nogmaals af in de ruime krochten van de ouderlijke woning.

Ik ben een kamer aan het inrichten in retrostijl, zoals u hier reeds vernam. En daar hoort uiteraard retromeubilair bij. De evenknie van het hierboven vermelde kastje, maar dan een ietsje volumineuzer, bevindt zich nog in de kelder.  Bouwjaar 1963, alstublieft. In originele vintagestaat. Bedekt onder een verwaarloosbaar stoflaagje. Beetje oppervlakkige schimmelplekken. Weinig gehavend bovendien. Niets dat een geutje meubelvernieuwer niet kan oplossen. Een trouvaille. Again.

Wat die bewuste in te richten kamer betreft:

Posterformaatfoto van madam Menck: check. Zwart-wit, remember?
Terugindetijdkast: check.
Retrobehang: bijna check. (Later meer.)
Bed (want het wordt een slaap-/logeerkamer): check. (Later meer. Alweer.)
Luchter: no check yet. Maar wel al véél fraais gezien op tweedehandssites.
En, o ja, ik wist ook nog een bekoorlijk bureautje op de kop te tikken voor een prikje. Eveneens pure nostalgie, of wat dacht u.

Kortom: to be continued.

[ Foto’s: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]