Een (steen)schot in de (klim)roos

In de badkamer neemt ze altijd een douche, nooit een bad. Dat laatste doet ze wel veelvuldig in de tuin, al betreft het daar dan een zonnebad.
Ja, beste lezer, madam Menck is, althans volgens Van Dale, iemand die graag het naakte lichaam blootstelt aan de zonnestralen. Een ware zonnebaadster, kortom. Correcter is het echter om te gewagen van een zonneaanbidster. O wee diegene die mijn madam het zonlicht durft te ontnemen!
Al van bij de eerste enigszins warmte voortbrengende zonnestralen – dit jaar manifesteerden die zich zowaar al in februari – geeft ze zich geheel over aan de koperen ploert. Nu, in februari is zulks aangenaam. Maar heden lijkt het me je reinste geseling. Zweten! Klefheid! Kankerverwekkend! Je huid droogt uit en verwordt langzamerhand tot een soort gelooid krokodillenleer, schat. Je zult er héél snel oud uit zien.

Ze vindt me kleinzerig en een heuse kniesoor als ik erover begin. Want ze smeert zich in met factor 30.
Als ze op zulke discussiemomenten met haar flacon zonnelotion naar me wappert, betekent dat hetzelfde als wanneer een rechter met zijn hamer op zijn spreekgestoelte klopt: zwijgen, asjeblieft.

Toen we achttien jaar geleden deze woning en haar kale tuin betrokken, was het bangkirai zonneterras het allereerste dat ik construeerde. Het ligt zuidwestwaarts gericht. Want hey, dat impliceert zowel in de namiddag als ’s avonds zon.
Om het terras wat aan te kleden, leidde ik er, middels een omgordende pergola, een blauweregen omheen. En daar wringt thans het schoentje, want die groene geweldenaar is ondertussen enigszins uit zijn voegen gebarsten zodat hij madam Mencks avondzon in de weg staat:

“De avondzon laat nu alleen nog de oude klimroos in het licht baden,” treurde ze. “En die is bovendien op sterven na dood. Aanschouw nu toch eens die miezerige bloei. Een bloempje of vijf is zowat de gehele jaaropbrengst. Bovendien gaat de ganse plant gebukt onder de roestziekte. Denk je ook niet dat we op die plek eens iets anders moeten overwegen?”


[ Foto uit 2012 ]

Ik voelde haar naderen op kousenvoeten. U wellicht ook.
“De klimroos heeft inderdaad haar beste tijd gehad,” gaf ik uiteindelijk toe. “En de onderbeplanting kan ik wel ergens anders in de tuin kwijt.”
Haar blik verried gespeelde verbazing omwille van mijn, ahum, onverwachte uitlating.
Enfin, om een lang verhaal kort te maken: ik schetste woordelijk een voorstel voor een zonnedek ter vervanging van het verhoogde bordertje. In hout? In klinkers? Of prefereer je handmatig gepolierde tegels uit maagdelijk wit carraramarmer, schat?

“Waarom gebruik je voor zo’n kleine oppervlakte niet eens steenschotten?” opperde mijn maat ‘s anderendaags. “Oersterk, heerlijk patina en zeer betaalbaar bovendien.”
Qué?
Steenschotten?

Steenschotten worden gebruikt in ambachtelijke steenfabrieken. Stenen die net gebakken uit de oven komen, worden op de schotten gelegd om te drogen. Door de warmte van de stenen krijgen de schotten een verweerde look. Steenschotten zijn samengesteld uit een aantal afzonderlijk hardhouten regels die in elkaar passen met een tand-groefverbinding.  De afzonderlijke planken worden extra strak samengepakt met grote ijzeren houtdraadbouten. De kopse kanten worden over de gehele breedte beschermd en verstevigd door verzinkte metalen C-profielen. Steenschotten zijn voornamelijk vervaardigd uit azobé, een houtsoort van duurzaamheidsklasse 1 die onbehandeld zelfs onder water kan worden aangewend.

En steenschotten zijn het geworden. Drie stuks volstonden. Afmetingen per stuk: 1,4 meter lang, 1,1 meter breed en 4,5 cm dik. Gewicht per stuk: loodzwaar. Prijs per stuk: 25 euro.
Ik ging als volgt te werk:

1 | De klimroos eindigde in de hakselaar. De buxusbollen werden opgepot en de overige flora kreeg een nieuw tuinplekje toegewezen.
Het voormalige verhoogde plantvak werd tot tien centimeter onder het grondniveau uitgegraven om bodemcontact te vermijden:

2 | Betonstenen werden, waterpas ten opzichte van elkaar, op een gedegen bed van cement gelegd.
De klinkers die het voormalige plantvak omzoomden, werden verwijderd wegens nutteloos geworden:

3 | De steenschotten werden, netjes tegen elkaar geplaatst, op de betonblokken gefixeerd met Tec7 (*). Die bevestiging is door het grote gewicht van de steenschotten eigenlijk niet eens noodzakelijk.
De opgepotte buxusbollen kregen als trio een stek op het nieuwe zonnedek en de ligzetels werden zonder fout richting avondzon geplaatst:

En als de zon het even laat afweten, dan is zo’n ligzetel nog altijd inzetbaar voor een snelle hap:

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

______
(*) Tec7 | Professionele polymeerlijm van Belgische makelij. Ultrasterke verlijmingskracht. Toepasbaar op een breed gamma materialen, zowel binnen als buiten.

18 vs 81

Mijn vader is thans kleiner
ook van gestalte
en weer vermagerd
hij hapert af en toe

het grijze haar dat hem nog rest
bedekt ternauwernood het fronsen
al vegen borstelige wenkbrauwen
het peinzen schijnbaar uit

hij wekt de wrevel om hetgeen
hij toentertijd was,
zijn stiltes bij momenten
zeggen alles

maar als we samen graven
in oude aarde, dan glanzen
ogenblikken soms en klinkt
zijn stem weer opgewekt

Mijn vader is groot
van hart
ondanks het vele falen
het hapert af en toe

hij heeft de stiltes
aan mij doorgegeven
ze wekken interesse op
en laven het verlangen

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Lente? Feest!

Het juffertje dat mij nonkel noemt en wier tante én doopmeter madam Menck is, vierde gisteren haar lentefeest. Een vrijzinnig feest op Hemelvaartsdag: modern times, net wat u zegt. Ter verduidelijking: het betrof hier het grote lentefeest, het equivalent van de plechtige communie.
Of wij het zagen zitten om de tafeldecoratie te verzorgen, klonk het eerder deze week. Of beter: of de helft van mijn bed zulks zag zitten. Want behalve zo nu en dan haar bloempje plukken, houd ik me voor de rest ver af van madams floristisch genot.
Soit, ze zag het zitten.

Het feestthema was ‘bont’. En bont wérd het. Daartoe werd er geopteerd voor Gerbera’s als polychrome boventoon: oersterke snijbloemen in tal van kleurvarianten.
Voorts plukte madam Menck groen uit eigen tuin: Pachysandra die zijn taak als bodembedekker op de tafelstukjes mocht verderzetten, lisdoddebladeren uit de vijver om het geheel sierlijk af te kransen en wat subtiele toetsen van bieslookbloempjes uit de kruidenbak. Ook benodigd: waterdichte potjes, oasis en enkele kopspelden om de lissen bijeen te houden. Klinkt simpel, doch vergis u niet: er kruipt behoorlijk wat werk in het bijeenzoeken van bovenstaande ingrediënten en ze vervolgens in een stemmig samenspel van 26 stukjes tafeldecoratie te gieten. Daar werd overigens nog een glazen schaal met op water drijvende Gerbera’s en gracieus geplooide lissen aan toegevoegd evenals vijftien exemplaren bescheiden servetversiering.

Het schikken van de ‘drijfbloempjes’ in de glazen schaal werd bijwijlen nogal abrupt onderbroken, hetgeen de continuïteit enigszins in het gedrang bracht:

Maar uiteindelijk kwam het allemaal goed:

Die morgen stonden alle tafelstukjes netjes te wachten op transport naar het feestoord:

Hetgeen vlekkeloos geschiedde, zodat ze voorspoedig konden worden geposteerd op (onder andere) de feestdis:

Servetstukje gevangen in een rubberen tubetje gevuld met water en afgewerkt met een frivool lintje:

Voor de rest bestaat zo’n lentefeest voornamelijk uit socializen en toosten, …

… hapjes naar binnen werken, …

… het feestvarken van een geheel aan haar generatie gelinkt presentje voorzien…

… om daarna heerlijk te tafelen – uitgebreide visfondue! – en vervolgens, naar aloude traditie, de vrouwen te laten afwassen:

Opa 1 hield zich intussen onledig met de poes des huizes op stang te jagen, …

… terwijl Opa 2 zich eerst onder de trap verschanste om wat te tukkebollen…

… maar tenslotte zijn schoonheidsslaapje uitgebreid continueerde onder de blote hemel:

En dat terwijl zijn kleinkind enkele meters achter hem joelend een gat in de lucht sprong:

Iets wat madam Menck haar metekind op de koop toe nog eens - zij het veeleer dunnetjes – nadeed:

Opa 2 gaf echter geen krimp en bleef onversaagd bomen doorzagen.
Tijd om deze feestelijke dag af te ronden.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

In de maïs

De jongen strompelde naar buiten alwaar hij zijn armen met een brede, onhandige zwaai om het meisje sloeg.
“Kus me”, sprak hij haar lallend toe terwijl hij alle moeite van de wereld had om zich recht te houden. De hardcore uit de grote feesttent overstemde stampend zijn woorden zodat het meisje haar oor tot tegen zijn mond bracht.
“Kus me!” kreet hij nu in haar oorschelp. Meteen deinsde het meisje pijnlijk grimassend terug wijl ze over haar geteisterde oor wreef. Toch kuste ze hem onmiddellijk daarna vol op de mond. Hun beider lippen en tongen bespeelden elkaar meer dan een volle minuut zonder tussenpozen. Daarna maakte de jongen zich, enigszins naar adem snakkend en net iets te ruw, uit haar omhelzing los. Dat bracht het meisje aan het wankelen. Ze had reeds vier huisbereide cocktails achterovergeslagen en die kregen haar nu in hun greep.
“Laten we naar dat maïsveld gaan”, riep de jongen naar haar terwijl hij tabak op een vloeitje aan het schikken was. Met zijn hoofd maakte hij een knikbeweging richting het vijftig meter verderop gelegen veld.
“Waarom?” vroeg het meisje. Ze peuterde een sigaret uit haar verfomfaaide pakje Camel.
“Ik moet pissen.” Hij likte zijn sjekkie met een vloeiende beweging dicht en stak het tussen zijn lippen.
“Ik niet”, meesmuilde het meisje. Ze blikte hem, zo goed en zo kwaad als dat nog ging, brutaal in de ogen.
“Blijf dan hier. Ik moet.” Hij stak de brand in zijn sigaret en laveerde vervolgens naar het maïsveld. Na een tiental meter hielt hij halt, keek achterom en riep: “Kom je?”
Owkeej, ik kom al.” Haar zuchtend uitgesproken woorden bleven buiten het gehoor van de jongen, maar toch stak hij zijn duim naar haar op en waggelde daarna verder naar het maïsveld.

“Wat doe je?” vroeg het meisje toen ze uiteindelijk bij de jongen was aangekomen. Ze boerde luid en lachte vervolgens hardop.
“Ik ben die spin uit haar web aan het pissen.” Om zijn woorden kracht bij te zetten, begon hij hevig te heupwiegen. De urinedruppels spatten daarbij in het rond.
“Gètver, vuilak, je pist verdomme op je schoenen.” Ze deed een stap achteruit. De jongen minderde zijn bewegingen maar bleef plassen.
“Jij hebt heel de bar leeggezopen, zeker?” Opnieuw boerde het meisje luidop en weer moest ze daar vreselijk om lachen.
“Bwah. Een Leffe of tien. En twee Duvels. Maar pas op, ik ben niet zat, hè.”
“Nee, ik zie het.” Ze grinnikte. “Pff, ik anders wél al. Drie cocktails is mijn limiet. Ik heb er verdomme al vier binnen.”
De jongen was gestopt met plassen en ritste zijn jeans dicht. Toen hij zich naar haar wilde omdraaien, begon hij te wankelen. Het meisje zette een pas naar voor en sloeg haar arm om zijn schouders.
“Niet zat, zei je?”
“Nope, niet zat. Enkel wat, eh, in de wind.” De jongen nam het meisje bij de hand en trok haar in de maïs. “Kom.”
“Wat?” Ze hield hem staande met een ruk aan zijn arm.
“In de maïs zien ze ons niet, snap je?” Weer begon hij haar in het veld te dirigeren. Dit keer gaf ze, te dronken om zich nog veel te verzetten, toe en volgde ze hem.

“Er zitten hier toch geen beesten, hè?” Het meisje speurde enigszins onzeker in het rond. De volle maan liet de open plek midden in het maïsveld in een diffuus wit licht baden.
“Tuurlijk niet”, gaf de jongen haar zwaar zuchtend te kennen terwijl hij zich op zijn rug liet neervallen op een bussel platgestampte maïsstengels. Hij stak zijn beide armen naar het meisje uit. Ze glimlachte naar hem, nam zijn handen in de hare en vleide zich vervolgens naast hem neer.
De jongen draaide zich op zijn zij om haar gezicht te kunnen bekijken. Haar ogen waren gesloten.
“Je bent knap.” Zijn stem klonk allengs om onvaster.
“En jij lult”, suste ze hem.
De jongen liet zijn hand onder haar T-shirt glijden en begon haar borsten te strelen. Ze waren klein en stevig en dat beviel hem. Hij voelde haar tepels stijf worden.
Het meisje hield haar ogen gesloten, ook toen de jongen zich over haar heen boog om haar te kussen. Gretig zochten hun tongen elkaar. Al kussend ging de jongen op haar liggen en begon haar T-shirt omhoog te stropen.
“Mmmhf… wacht.” Ze duwde de jongen van zich af, ging rechtop zitten en met één vloeiende beweging gooide ze haar shirt af. Daarna knoopte ze haar bh’tje los. Ook de jongen trok zijn T-shirt uit.
Ze positioneerden zich op hun zij naast elkaar en lieten hun handen begerig over elkaars ontblote bovenlijf glijden. Nu en dan wisselden ze kussen uit, opgewonden hijgend. De jongen ritste haar jeans open en liet zijn hand in haar slipje verdwijnen. Ze omklemde zijn arm ten teken dat ze er niet klaar voor was. Het meisje trok de jongen bovenop zich, sloeg haar armen om zijn nek en plantte haar lippen stevig op de zijne. Ze voelde hoe hij stijf werd en steeds heviger met zijn bekken over het hare begon te schuren.
“Mag die broek niet…?” probeerde hij.
“Ssst”, suste ze hem. Haar mond zocht opnieuw de zijne.
Ineens plaatste de jongen zijn handen naast haar hoofd en richtte zich met een ruk op.
“Ik… Ik moet…” Hij ging rechtop zitten. Het meisje zag hem plots spastische buikbewegingen maken, alsof hij stuiptrekkingen kreeg. Meteen daarop spoot een armdikke straal gelig braaksel haar richting uit en bedolf haar ganse bovenlichaam. Ze zette het op een gillen en nog voor ze zich kon wegtrekken volgde er een tweede braakselstroom die haar buik warm maakte.

***

Hé, waar is Dieter eigenlijk?” Tom leunde op de tapkraan terwijl hij Kevin schreeuwend de vraag toewierp.
Kevin knipoogde. “Ik heb hem met Jolien in de maïs zien trekken. Die twee zijn zich kostelijk aan het amuseren.”
Tom knikte en glimlachte schalks. “Ik zal alvast maar een pint voor hem tappen. Hij zal ze kunnen gebruiken.”
Beiden lachten hardop en gaven elkaar een high-five.

Villa Poludica

“Onze interesse wordt niet aangewakkerd. De politiek wordt kleurloos bedreven en de beleidsmakers zijn verre van cool.”
Aldus twee jongeren uit mijn straat die zich zondag voor de allereerste keer naar het stembureau zullen begeven.
Het leek me zodoende wel leuk om voor dit sympathieke duo op een ludieke wijze wat ruimte op te offeren op Twaait:


[ Elio Di Rupo ]


[ Bart De Wever ]


[ Maggie De Block ]


[ Joëlle Milquet ]


[ Kris Peeters ]


[ Vincent Van Quickenborne ]


[ Filip en Mathilde ]

[ Via | aanklikbaar voor groter ]

Kunsttechniek

“Het is ongeveer op ware grootte geconstrueerd, schat ik. Niet?”
“Ik denk het wel. Maar je gebruikt het woord geconstrueerd. Betekent dit dat je het eerder kunde dan kunst vindt?”
“Hm. Beide, eigenlijk. Het is een kunstigere, zwierigere weergave van de realiteit maar tegelijkertijd komt het erg realistisch over. De kunstenaar heeft de werkelijkheid wellicht willen herinterpreteren. Alleen al het feit dat je er dwars doorheen kunt kijken, maakt het compleet afwijkend van het eigenlijke model waarop het gebaseerd is. Nu is het sierlijk, lieflijk en in veel mindere mate stoer. Dat is the real deal wél.”
Er volgde een stilte die alleen door de gemoedelijke regen werd doorbroken.
“Het lijkt wel kantwerk, maar dan van staal.”
“Ja, hè.”
“Maar vind je het ook mooi?”
“Het heeft zeker iets. En jij?”
“Ik vind het mooi, ja. Kom, ik neem wat foto’s. Sta je er eens naast als vergelijkingspunt? Anders komt de ware grootte op een foto niet over.”
“Dit miezerige weer past er wel bij. Vooral het wegroesten wordt erdoor in de verf gezet.”
“Het is eindig, zoveel is zeker. Maar dat zijn de echte dingen ook.”
“Misschien verwijst het toch nog iets teveel naar techniek in plaats van naar kunst.”
“Je kon wel eens gelijk hebben. Ik zou het in ieder geval anders hebben aangepakt.”
“Hoe dan?”
“Daar zal ik nog eens over nadenken.”
“Oké.”

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter | locatie: Middelkerke ]

Haantje de voorste

Liliums ofte lelies staan te boek als onderhoudsvrije planten. Bol in de grond, bol wordt plant, plant bloeit, klaar. Daarenboven exposeren ze hun vormen en kleuren op de meest diverse wijzen én met een breed geurenspectrum.  Lelies kunnen tegen droogte, tegen volle zon en verdragen welhaast elke grondsoort. Lelies zijn ook nog ‘s zeer winterhard en op geen enkele manier invasief. Ze kunnen in volle grond of in pot worden geplant, trekken tal van insecten aan en zijn tevens als snijbloem zeer geschikt. Je hebt hoge, middelhoge en lage soorten zodat in vrijwel elke tuin of border lelies kunnen worden toegepast. Het kan welhaast niet anders of lelies zijn je reinste verkoopstoppers.

Eh, nee, toch niet.
Meer zelfs: de verkoop boert danig achteruit, believe you me.
De reden dient u niet te zoeken bij de Lilium zelf, doch bij diens belager: het leliehaantje (Lilioceris lilii). Want als er één ding is waar u op aan kunt: als u lelies in de tuin zet, zult u dra het leliehaantje leren kennen. En die kennismaking verloopt doorgaans niet geheel en al van harte.
O ja, een leliehaantje is met zijn felrood borststuk, zijn glanzende dekschilden en zijn bevallige tasters een attractief insect. Maar zoals dat zo vaak het geval is: rood staat voor alarm. Het beestje straalt hiermee een waarschuwende ‘laat me met rust’ uit. Zo heeft geen enkele vogel dit kleinood op zijn menu staan wegens de walgelijke smaak. En dus kunnen leliehaantjes hun vraatzucht naar hartenlust botvieren. Vooral de bladeren van de Liliums moeten het ontgelden. En als ze écht grote honger hebben, moeten zelfs uw Frittilaria’s eraan geloven.
Het beestje houdt op de koop toe van een lange vakantie: van april tot augustus kamperen zowel de kevers als hun larven op de leliebladeren. Dolletjes hierbij is de camouflage van de larven: de eigen slijmerige ontlasting wordt op de bovenzijde van het lichaam uitgesmeerd. Hierdoor lijken ze sprekend op een hoopje vogelpoep dat elk dier met veel graagte links laat liggen.
Bestrijden, zegt u? Da’s een erg difficiele kwestie. Doordat de kevers niet synchroon eitjes afzetten, maar gedurende meerdere maanden, maakt dat ze als plaag heel moeilijk te belagen zijn vanwege de constante aanvoer van larven. De kevers handmatig vangen en ze daarna tot moes herleiden, is zowat de enige optie. Doch let hierbij op: bij de minste beweging van de plant laten die krengen zich op de grond vallen. Hou dus bij voorbaat uw hand onder elk te vernielen leliehaantje.

Lelies in hun volle schoonheid in de tuin houden, heeft zodoende wél heel wat voeten in de aarde. En die voeten zijn te onzent die van madam Menck. Getrouw voert ze elke dag na haar dagtaak een leliehaantjesvernielingsronde uit. Pure noodzaak. En ook al groeien sommige lelies haar – letterlijk – boven het hoofd, ze versaagt geenszins. Want dan, en dan alleen, krijg je specimen die bij menigeen ronduit bewonderende oohs en wows ontbinden. Ik serveer ze u te gepasten tijde op deze blog.

[ Foto 2: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Een ongewenste wheelie

Afgelopen maandagmiddag.
Ik ben me aan het verplaatsen van werkplek a naar werkplek b. Dat gebeurt, zoals wel vaker, met de combinatie bestelwagen plus aanhangwagen.
De aanhanger is amper geladen. Toch dokkert hij op een manier die ik nog niet eerder meemaakte. Omdat de weg waarop ik mij bevind in een typisch Belgische staat verkeert (lees: barsten, putten en bulten) maak ik mij geen zorgen. Ik draai de volumeknop van mijn radio wat meer naar rechts zodat het gerammel overstemd wordt.
Aan een druk kruispunt hou ik halt. Dat is iets wat ik al wel eens pleeg te doen bij een op rood springend verkeerslicht. In mijn spiegel zie ik een auto naderen. Alvorens hij netjes achter me aansluit, gooit de chauffeur een paar keer met zijn grootlichten. Ik groet deze vriendelijke mens terug door alle knipperlichten enkele tellen te activeren.
Het licht springt op groen en ik trek op. Binnen de vijf minuten geeft mijn teller een astronomische 49,62 kilometer per uur aan. Op de radio wordt The Architect van Deus ingezet. Ik draai het volume nog wat hoger en zet het op een meefluiten.
En dan gebeurt het.
Ineens zie ik dat een wiel mijn wagen langs rechts inhaalt. Een wiel, zoals in velg en band en al. Net toen ik ‘langs rechts inhalen mag niet’ wilde denken, hoor én voel ik een gigantische klap die meteen gevolgd wordt door een door merg en been gaand geschraap. In drie tellen zakt de teller van 49,62 kilometer per uur terug naar nul.
Mijn auto staat nog recht, maar in mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe mijn aanhangwagen op halfzeven hangt. En dan daagt het me: dat foutief inhalende wiel, dat is godsamme het mijne!
Auto’s toeteren. Een wandelaar wijst naar het op het voetpad gestrande wiel en vervolgens naar mijn aanhanger. Yep dude, ik heb het onderhand wel al door.
Ik zet mijn vier knipperlichten aan en stap uit. Naast mijn aanhanger ontwaar ik een stukgedraaide kogellager. Voor de Vlamingen alhier: da’s een rollement. Ook de naaf waar het wiel normaliter opschuift, is gebroken.
De wijzende voetganger van daarnet komt naar me toegestapt. “Alles oké, maat?” Al meteen familiair op de koop toe.
“Met mij wel, maar mijn kar is er minder goed aan toe,” leg ik hem, geheel overbodig, uit.
“Dat heb ik nu echt nog nooit meegemaakt,” licht de man me toe.
“Ah, u bezit ook een aanhanger?” informeer ik, enigszins de logica volgend.
“Neen,” antwoordt hij, daarbij een gezicht trekkend van ‘Heb ik dat dan beweerd misschien?’
Ik verlies mijn interesse in dit heerschap en mompel ‘even bellen’ waarna ik in mijn wagen stap. “Met Filip” groet mijn garagist me, tot mijn grote opluchting, aan de andere kant van de lijn. (Enfin, lijn: ik bel met mijn gsm. Maar u begrijpt me wel.)

Ondertussen is mijn aanhangwagen hersteld. Maar straks moet ik met een volumineuze en behoorlijk zware lading een afstand van 150 kilometer overbruggen, daarbij voornamelijk de snelweg benuttend. Ik weet nu al dat ik constant ‘hopelijk breekt er geen wiel af – hopelijk breekt er geen wiel af’ zal denken als ik me tegen 120 kilometer per uur aan het verplaatsen zal zijn. Want tot op heden durf ik me nog steeds niet voor te stellen welke gevolgen een dergelijke breuk zou hebben gehad in volle vaart.

Oerechance gehad,’ zegt men dan bij ons. En zo is het maar net.

[ Foto: Menck | Twaait ]

Twaait: niet zonder gevolgen

Ik trap een open deur in als ik u vertel dat het aan de kust vaak waait. Vaak hárd waait, bovendien. De naam van deze blog is echt niet zomaar gekozen.
Afgelopen weekend werd bovenstaande stelling nog maar eens onderstreept. In onze tuin werd toen ineens een soortement van valwind opgebouwd. Ik heb hier maar één woord voor: bangelijk.
In een mum van tijd werd het tuinmeubilair – zware teak – opgetild en tegen de klimophaag gesmakt. De venijnige woei zette vervolgens zijn weg verder langs het dertig meter lange tuinpad. Doordat het pad aan weerszijden ingesloten is door hoge begroeiing, is het veeleer smal te noemen. Door een dergelijke lange en smalle doorgang kan een reeds boosaardige wind nog tig keren worden versterkt. En alzo geschiedde.
Het gevolg van zoveel bruut geweld is dat de bovenbegroeiing van de zeventien jaar oude en flink uit de kluiten gewassen Wisteria sinensis (blauweregen) van zijn tunnelpergola werd gelicht en integraal naar voren werd geworpen. Alsof u in één venijnige ruk het donsdeken van uw bed pelt en over het voeteneinde pleurt, zeg maar. Polsdikke takken werden daarbij versplinterd als waren het de botjes van een veldmuisje in een klem.
Als ik thans onder de tunnelpergola sta en naar boven kijk, is de enige aanblik die van de wolken in plaats van een dicht bladerdek. Onwezenlijk na dat laatste al zoveel jaren te hebben aanschouwd.
Nog een geluk bij een ongeluk dat een Wisteria sterk mag worden teruggesnoeid na de bloei. En die bloei is heden welhaast wijlen. Een snoeischaar zal hiertoe niet volstaan; er zal een gedegen takkenzaag aan te pas moeten komen. Het wordt, met andere woorden, een bijzonder ingrijpende terug naar af.

Weet u: soms wou ik dat ik in het binnenland woonde.
Enfin, héél soms maar.

2 weken geleden:

Vandaag:

De ganse bovenbegroeiing (afkomstig van de zes blauweregens tegen de tunnelpergola) hangt nu als een groen gordijn voor de ingang. Links ervan ontwaart u de kaalgeplukte pergola:

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Groeien als kool

Bij een Oost-Vlaams koppel eindtwintigers construeerde ik in november 2012 een 7,70 meter lange plantenbak in kerngeïmpregneerd vurenhout. Bezoekers van deze blog die over een olifantengeheugen beschikken, zullen zich de uiteenzetting daarover misschien nog herinneren. De diagonaallezers onder u serveer ik met graagte een snelle geheugensteun middels onderstaande foto:

Eind mei van vorig jaar ging ik over tot de aanplant nadat de bak integraal was gevuld met twee kubieke meter teelaarde verrijkt met champignonmest. Dit verhoogde tuingedeelte is overwegend zongericht. De wens: rijkbloeiende vaste planten van diverse hoogtes:

In het tegenoverliggende – hoofdzakelijk schaduwrijke – stuk tuin werd de vorm van de bak enigszins herhaald, doch dit keer op de begane grond. De wens alhier: voornamelijk hosta’s, verrijkt met “wat andere schaduwminners”.
Tegen de belendende garagemuur werd tevens een handvol exemplaren wilde wingerd (Parthenocissus) ter aarde besteld:

Ondertussen zijn we nog geen jaar verder, zijn de eindtwintigers dertig geworden en verwachten ze volgende maand hun eersteling. Life in the fast lane, en dat is evenzeer van toepassing op de flora in deze kleine stadstuin.
De onderstaande prenten dateren van afgelopen vrijdag:

Groeien als kool, heet zoiets. Ik wens het alvast ook hun spruit toe.
Kool?
Spruit?
“Scha-at, wat eten we vanavond?”

[ Foto’s: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Wegwerpweekend in zicht

Dag ma,

Ik heb twee helleborussen voor je zerkje geplant. Die vond je ieder voorjaar zo betoverend mooi. Jammer dat ze hun hoofdje laten hangen, zei je vaak. Wellicht zou je dat nu ook over mij zeggen. Ja, zelfs na vijf maanden valt het me nog steeds bijzonder zwaar om je hier te zien rusten. Dan huil ik in alle stilte. En dat wil ik niet in je bijzijn; je zag je kinderen graag vervuld van geluk.

Morgen zouden pa en jij vijftig jaar getrouwd zijn geweest. Ik zou jullie bedolven hebben onder de bloemen. In mijn hoofd was de organisatie van het feest al in kannen en kruiken. O ja, je zou gestraald hebben. En gelachen met mijn flauwe fratsen. Ik zag je al nippen van een glas champagne. Twee, hooguit drie nipjes zouden het zijn geweest. Daarna zou pa het glas van je hebben overgenomen. Ik zou Dancing In The Dark van Bruce Springsteen hebben opgelegd. Loeihard en de bassen op tien. Daar genoot je al van sinds we het als tieners in ons clubhuis in de kelder op de platenspeler pleurden. Maar morgen zal ik alle muziek de kop indrukken. Alleen in mijn hoofd zal Camille Saint-Saëns’ Danse Macabre spoken. Opnieuw en opnieuw en opnieuw, akelig luid en niet te stoppen.

Zaterdag zou je eenentachtig zijn geworden. Traditiegetrouw zou ik een verjaardagskaart voor je hebben ontworpen. Dat je dat allemaal kan met een computer, zou je verwonderd hebben gereageerd. En weerom zou ik je hebben uitgelegd wat Photoshop is. Je zou aandachtig hebben geluisterd en af en toe hebben geknikt. Meteen daarna zou je over iets anders zijn begonnen.

En zondag is het Moederdag. Of beter: zou het Moederdag zijn geweest. De witte rozen die ik je zou hebben geschonken, zal ik nu op je kleine zerkje leggen. Ik beloof je dat ik me dan wél sterk zal houden.

Je ziet, lieve moedertje, het zou een ongelooflijk lang en immens feestelijk weekend zijn geworden. Nu zal het slechts een ongelooflijk lang weekend worden. Ongelooflijk zoals in ongeloof. Lang zoals in ellendig lang.
Ik denk dat ik nu maar wegga. Het begint zelfs wat mistig te worden. Alsof ik mijn hoofd veruitwendig. Moet ik je nu slaap zacht toefluisteren? Hier afscheid nemen zal nooit wennen. Ik mis de afscheidskus die je me telkens gaf zo verdomde hard. Help je me om het donkere weekend door te komen? Ik hou van je en zal dat altijd blijven doen.
Tot zondag.

[ Foto: Menck|Twaait ]

Golden brown

“Hij verliest gegarandeerd zijn naalden niet, ook al heeft hij geen wortelkluit meer,” meldde de dienstdoende verkoper me zo’n vijf maanden geleden. We klonken op de aanschaf met een bekertje glühwein.
Heden kan ik u, met de hand op het hart én met staalhard fotografisch bewijs op deze blog, verzekeren dat daar geen gebenedijd woord van gelogen was.

“Het is een sta-in-de-weg,” liet madam Menck me weten. Dat was medio januari.
“Dat het een verdomde sta-in-de-weg is,” herhaalde ze in februari.
En in maart.
In april trouwens ook.
En in mei, hoewel de maand nog maar zes dagen oud is, kreeg ik het al tien keer te horen. Minstens.

Zou ze me iets duidelijk willen maken, denkt u?

[ Foto: Menck|Twaait ]

Gelukkig kent hij meer van vrouwentongen

Mijn achterbuur schept er een immens genoegen in om iemand beet te nemen of op het verkeerde been te zetten. Dergelijke gein is de eerste keer nog grappig, de tweede keer al iets minder en de daaropvolgende keren zelfs ronduit ergerlijk.
Toen hij mij op zekere dag, ondertussen toch al zeven of acht jaar geleden, eens raad kwam vragen omtrent een klimplant om tegen zijn achtergevel te laten groeien – hij is een volslagen plantenleek – ontspon zich onderstaand gesprek.

“Ik zoek een klimmer die rijkelijk bloeit, Menck. Liefst een voorjaarsbloeier. Tegen mijn achtergevel heb ik een hardhouten trellisscherm bevestigd dat helemaal mag worden ingepalmd.”
“Hoe hoog is dat scherm, Bruno?”
“Hoe hoog?” kaatste hij mijn vraag terug. “Ik schat tussen de anderhalve en twee meter.”
“Oké. Een bloeiende klimplant die zowat twee meter hoog wordt, dus.”
“Maximaal, hè. Anderhalve meter is ook prima. Hij mag zeker niet boven het klimrek gaan groeien. Dan kruipt zo’n slingerplant al snel onder de pannen of raakt de dakgoot misschien wel verstopt.”
“I see. Vind je het een bezwaar als ik opteer voor een bladverliezende plant?”
“Blad verliezen? Wat bedoel je? Op de duur alleen nog stengels of zo?”
“In de winter, bedoel ik. Geen groenblijver, kortom. ’s Winters kaal en in het voorjaar opnieuw in het blad.”
“O, datte. Geen probleem. ’s Winters zit een mens toch binnen, niet?” Hij gaf me een veel te harde schouderklop, ook al was die ongetwijfeld amicaal bedoeld.
“Ik stel een clematis voor, Bruno. Een soort die rijkelijk bloeit in het voorjaar, zoals je vroeg. Wit? Roze? Meerkleurig? Zeg maar.”
“Mens, ik ken niks van planten. Wat was de naam ook alweer?”
“Clematis. Of bosrank in het Nederlands. Voorkeur voor een bepaalde kleur?”
“Nee jong, doe maar iets. Jij kent er meer van dan ik. Ik ken alleen maar iets van vrouwentongen. Dat laatste woord mag je in mijn geval ook van elkaar schrijven, Menck. Heb je ‘m?” Weer die schouderklop, thans gevolgd door een bulderlach in combinatie met een vette knipoog.
Ik lachte, geheel ter beleefdheid, een weinig mee. “Ik ken dan weer meer van sansevieria’s, Bruno.”
“Voilà, voilà, elk zijn ding hé, buur. Trouwens, zo’n climaris…”
“Clematis.”
“Whatever. Dat moet je toch niet al te veel snoeien, hoop ik. Want daar ben ik als de dood voor.”
“Ha, die snoei je zelfs beter niet, Bruno. Kan hij niet tegen. Gewoon laten doen.”
“Fijn, fijn. Kan jij voor de levering zorgen? Ik schep dan wel een putje om hem in te zetten. Da’s teamwork, Menck.”
Weer die lach. Gelukkig bleef de schouderklop dit keer uit.

Ondertussen zijn we acht jaar verder. De clematis doet het nog altijd uitstekend. Al vindt Bruno dan weer dat ik hem serieus in de zak heb gezet. Maar dat heeft een gunstige bijwerking: hij heeft me sindsdien geen enkele keer meer beetgenomen. Hij heeft tevens geen enkel advies meer bij me ingewonnen omtrent flora. Maar de clematis snoeit hij niet omdat ik hem adviseerde zulks te allen tijde te vermijden.
Ach, een geintje. Want daar is Bruno toch zo tuk op. Tot hij zelf eens wordt beetgenomen.

Wat vindt u overigens van mijn zeer bewuste keuze, beste lezer? Een Clematis montana ‘Rubens’, een rijkbloeiend kleinood waarbij snoeien inderdaad niet hoeft.
Bruno’s woning is er mijns inziens een pák fraaier op geworden.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Pump it up!

Wie op zanderige, goed doorlatende grond tuiniert, weet het wel: geen centje pijn in natte winters maar tal van planten meteen halfstok in droge zomers. De boel de boel laten kan bij dat laatste resulteren in flora die finaal het loodje legt. Om zulks te vermijden, dient er stevig begoten, gesproeid of beregend te worden.

In een dergelijke droge en zongerichte tuin die ik enkele jaren geleden heb aangelegd en nog steeds onderhoud, mengde ik alvorens aan te planten een niet geringe hoeveelheid compost verrijkt met vochthoudende bentoniet door de aarde. Dit ving het probleem te groten dele op. Doch bij langdurige droogte blijkt deze ingreep desalniettemin inadequaat zodat er alsnog flink moet worden gesproeid. De vele watergiften gebeurden daarenboven steeds met leidingwater wegens het ontbreken van een andere bron zoals een regenwaterput of een boorput. Het sproeien vertaalde zich in een jaarlijkse waterrekening van ver boven de duizend euro. Bemerk de verleden tijd van de laatste twee zinnen. Want er werd ingegrepen.

Het plaatsen van een afdoende grote regenwaterput – voor deze tuin 15.000 liter of meer – met de nodige aansluitingen en pomp is een bijzonder ingrijpende klus en bovendien een erg dure grap – tussen de 3.000 en 5.000 euro, al naargelang de omstandigheden en benodigde werkwijze.
En dus contacteerde ik Jan (een brouwer in hoofdberoep) en Louis (gepensioneerd), twee nietsontziende, nimmer aflatende en immer goedgemutste avonduurlijke waterspeurders. Hun missie: in deze dorstige tuin naar grondwater boren.
Hoe een en ander vorige week donderdagavond in zijn werk ging, leg ik u hieronder foto-, video- en schetsgewijs uit. Volgt u even mee?

Als locatie werd voor de oprit gekozen, temeer daar deze slechts met dolomiet bekleed is en er zodoende snel kon worden geboord. Voor zij die thans denken dat er vooraf naar wateraders wordt gependeld of eerst een soortement van aquadans in strooien rokjes wordt opgevoerd: ja, sinterklaas bestaat , net zoals de paasklokken.
Meteen harde actie, met andere woorden.

En die begint met het hanteren van een grondboor op een willekeurig gekozen plaats:

In het alzo bekomen gat wordt er een pvc-buis gepropt. Daarop komt straks de waterbak die u hier nog ondersteboven ziet liggen. Bemerk tevens de boor die zo meteen tien meter de grond zal induiken:

De binnenband die over de pvc-buis werd geschoven, doet dienst als dichtingsring. Lucht aanzuigen moet koste wat het kost worden vermeden:

Dit is de boorpomp. Zij zal tijdens het boren onder hoge druk water in de schacht spuiten om de harde lagen in slib te transformeren. Op die manier wordt het boorwerk – iets wat geheel handmatig (!) gebeurt – vergemakkelijkt. Nadat de gewenste diepte werd bereikt, wordt de pomp in zuigmodus geschakeld om het gevonden grondwater op te trekken:

Het water dat onder hoge druk door de boorschacht wordt gestuurd, wordt uit een vat van 1.000 liter gezogen. Dit vat werd de dag voordien opgesteld en gevuld:

Er wordt handmatig water uit het vat in de aanzuigbuis gepompt. Daarna wordt de machinerie met een hels kabaal gestart:

De boor wordt klaargezet. De darm die water onder hoge druk de grond instuurt, is er aan bevestigd. Beiden zullen nu naar grondwaterniveau worden gedirigeerd:

I’m going deeper underground:

Het eerste stuk zit in de grond. In sneltempo wordt een tweede stuk aangehaakt, want de pomp blijft water sturen. Er is slechts 1.000 liter water in de citerne en het peil zakt zienderogen:

Een overzichtsschets vat het hele proces samen:

Driewerf helaas; de missie wordt voortijdig afgebroken. De boorbak kan niet op de band en zodoende niet vacuüm worden geplaatst. De schuldige is het onverhoopt overmaatse wortelgestel van de belendende laurierhaag:

Er zit niets anders op dan alles te herhalen op enkele meters afstand van de haag. De citerne is intussen halfleeg. Er wordt een tuinslang ingelegd om bij te vullen, maar die fungeert zoals het mugje dat een plasje in de zee doet. Spannend! Zal er genoeg water zijn om een tweede boring te voltooien?

Dit keer staat de bak wél op de dichtingsband. Er wordt succesvol geboord tot op een diepte van tien meter. De boorstangen met de daaraan bevestigde slang worden naar boven gehaald:

In de schacht wordt een socarexdarm tot helemaal beneden geschoven. Op de kop ervan is een grondfilter gemonteerd. De schacht wordt vervolgens terug opgevuld met het bovengehaalde slib:

Het bovengrondse stuk darm wordt naderhand een halve meter ingegraven en alzo aan het zicht onttrokken. Een klein stukje blijft bovengronds bezijden de oprit om daar op een hydrofoorpomp te worden aangesloten:

En om zeker te zijn dat het grondwater wel degelijk werd bereikt, wordt een testpomp gemonteerd:

En ziedaar: water! Aanvankelijk nog wat troebel zoals u op de foto kunt merken, maar na tien minuten al zo helder als, eh, pompwater:

Tot slot wordt de definitieve hydrofoorpomp gemonteerd, inclusief twee aansluitingen voor een tuinslang:

Laat die hete zomer nu maar komen!

 

[ Wetenswaardigheden ]

  • Het boren neemt een goed uur in beslag. In dit geval dus twee uur, aangezien er een tweede poging diende te worden ondernomen;
  • U dient zelf voor 1.000 liter water te zorgen. Daartoe is een uit kunststof vervaardigd IBC-vat, zoals hier werd gebruikt, uitermate praktisch. Dergelijke vaten worden vaak gratis of tegen een zacht prijsje aangeboden op zoekertjessites;
  • De plek waar zal worden geboord, dient toegankelijk te zijn voor de benodigde machinerie. Bij het boren komen aanzienlijke hoeveelheden slib en water vrij;
  • Handmatige boringen, zoals in dit geval, kunnen tot op maximaal tien meter diepte worden uitgevoerd. De meeste hydrofoorpompen zijn overigens niet in staat om op grotere dieptes nog water op te trekken. Wordt er op tien meter diepte geen water bereikt, dan hebt u pech (of dient u groter en duurder geschut in te schakelen);
  • Grondwater kan (meestal: zal) ijzer bevatten. IJzer veroorzaakt roestplekken. Grondwater gebruikt u dus beter niet om uw terras te reinigen noch om op (bleekbloeiende) planten te spuiten. Geef, zoals dat overigens hoort, water tussen de planten. Een gazon besprenkelen, kan geen kwaad omdat het vaak wordt gemaaid;
  • Grondwaterwinningen waarvan het debiet lager ligt dan 500 m³/jaar en die uitsluitend voor huishoudelijke doeleinden dienen, zijn vrijgesteld van een vergunningsaanvraag;
  • En dan de prijs, natuurlijk. De booractiviteiten kostten 230 euro en de hydrofoorpomp 65 euro. Met andere woorden: voor net geen 300 euro hebt u levenslang gratis water!

[ Foto's & schets: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Potente lente

Oeverloos lange benen in te korte rokjes, de buurvrouwman in bloot bovenlijf, pruttelende grasmachines, de geur van verbrande worsten, joelende kinderen, bejaarde wielertoeristen die luidkeels de halve straat opeisen, een jengelende ijskar, zonnebankbruine juffrouwen met gekrompen T-shirts, het buurjongetje van tien dat enthousiast zeepbellen blaast, languit luierende katten, opengegooide cabrio’s, een blauw uitspansel vol witte strepen, een topless zonnende madam Menck, een begerig kijkende meneer Menck, bloeddorstige muggenvrouwtjes, de zoete geur van zonnebrandolie, buurtwinkeltjes die de deuren laten openstaan en een vuurspuwende luchtballon boven onze woning: de lente toonde zich de afgelopen dagen overduidelijk van haar fraaiste kant.

Maar eigenlijk wist ik dat ook door simpelweg onze tuin te betreden.
En wat meer is: u kunt heden hetzelfde doen.
Op PicMenck, that is.

Barbewok

Afgelopen zondag – ja, die van bimbambeieren – kozen wij geen eieren voor ons geld maar wel een in de korfwok geprepareerde paella.
Een korfwok, vraagt u?
Ha, dat is het door de behendigste vriend van onze familie eigenhandig geassembleerde woktoestel dat middels houtskool wordt verhit. Die houtskool bevindt zich in een soortement van gietijzeren vuurkorf die op zijn beurt onder een oversized metalen wadjan – 90 centimeter diameter, alstublieft – is gemonteerd. Een barbecue, welhaast, maar dan eentje waarvan het rooster is vervangen door een grote wok. Deze combinatie wordt door ons dientengevolge ook wel eens barbewok genoemd. Of die dingen kant-en-klaar in de handel verkrijgbaar zijn, is me een raadsel.
Het spreekt voor zich dat wokken op een dergelijke manier slechts in open lucht kan geschieden, tenzij u rook en roet als keukengerelateerde verschijnselen beschouwt. Dat was afgelopen zondag, toen de lente redelijk welwillend was, geen enkel probleem. Het in open lucht wokken, that is.
Roerbakken is zeg maar helemaal mijn ding. En dan vooral als er zeevruchten mee gepaard gaan. Scampi, gamba’s, mosselen en dies meer: halleluja. Al moet ik hier eerlijkheidshalve aan toevoegen dat de mosselen op waren. Op zoals in nergens meer vers te verkrijgen. Zodoende rijkten we de paella aan met stukjes kip als remplaçant. Minder lekker doch ça va.
Check out deze poepsimpele bereiding met een ronduit hemels gerecht als resultaat:

Eenmaal de wok is opgewarmd, worden er groenten in gekieperd. Daar horen tevens paprika en enkele straffere pepertjes bij. Er wordt geen vocht toegevoegd; de wok werd vooraf ingesmeerd met kokosolie:

Vervolgens wordt de – ongekookte – rijst geïnsereerd. Aan de gezichten te zien, is dit een tamelijk heuglijk gegeven:

Mijn schoonmoeder voegt saffraan toe wijl de omstanders ontspannen toekijken:

Na uitbundig roeren wordt alles geblust met ordinair water. Ook daarna geldt: blijven roeren:

“Volgens mij komt dat hier niet goed,” zegt madam Menck:

Toch wel, dus. De hoofdingrediënten worden geïnterpoleerd:

Madam Menck neemt het roer(en) over. Haar gezicht verraadt volstrekte instemming:

Op de smeulende houtskool wordt tot slot sprokkelhout gegooid. De vlammen laaien hoog op. De pan wordt alzo stevig verhit voor de finishing touch…:

… het afkoken:

En daarna is het simpel: duimen en vingers aflikken, zoals dat heet.
Een servet, iemand?

[ Foto's: Menck/Twaait | Locatie: (schoon)ouderlijke tuin | aanklikbaar voor groter ]

Would-be Hallerbos

Niet dat hij nou meteen kan wedijveren met het gekende Hallerbos, maar deze privétuin wekte gisteren desalniettemin mijn verwondering tijdens een avondlijke paaswandeling:

[ Foto: Menck/Twaait | Locatie: Zedelgem | aanklikbaar voor groter ]

Patate d’amour

Daarnet verraste ik mijn schat
met een ongeschilde patat
als teder klein gebaar
vindt u dat allicht raar

Weet echter vooral dat
ware liefde zit vervat
in minuscule zaken
die recht het hartje raken

Geen protserige ringen
of andere dure dingen
liever origineel
met ‘n vrucht vol zetmeel

Ja, madams gemoed schoot vol
bij ‘t schenken van een knol
doch wedden dat u ook smelt
door deze pieper van het veld:

[ Foto: Menck | Twaait ]

Vergeelde wijsheid

‘Wat zou het voorjaar zijn zonder geel?’ las ik in een tuinmagazine, onderwijl met een zucht van verlichting een hardnekkige bolus uit mijn getergde rectum wringend. Lezen doe ik dezer dagen nog slechts in het kleinste kamertje, moet u weten. Tijdsgebrek heet zoiets als ik me niet vergis.
Het artikel werd welhaast obligatoir gevoed met een handvol foto’s van alom gekende geelbloeiende voorjaarsflora.
‘Wat een quatsch,’ fulmineerde ik binnensmonds, daarbij instant een tweede ongeleid projectiel met een luide plons het morsige water insturend. En ik haalde me prompt verschillende soorten lentebloeiers in blauw, rood en wit voor de geest: tulpen, blauwe druifjes, kievitsbloem, boshyacint, anemoon, gebroken hartje, magnolia, vergeet-me-nietje, spirea, judaspenning, Brunnera, longkruid, sierkers en zelfs de door mij enigszins verafschuwde primula’s. Is er, op het blad van de Vlaamse Vaste Plantenvereniging na, nog wel een uit de band springend tuinmagazine verkrijgbaar in ons land? Zijn al die zogezegd vooraanstaande floristische glossy’s geen flauwe afdrukjes van elkaar die jaarlijks dezelfde prak herkauwen in een lichtelijk gewijzigde vorm? Tussen de schreeuwerige commerciële boodschappen door treft u er wijsheden die slechts als dusdanig beschouwd worden door volslagen tuinanalfabeten. In een tijd waar het internet het papier almaar stringenter in een vergeethoek duwt, snap ik niet hoe zoveel pulp nog een bestaansreden heeft en hoe al die tuinblaadjes überhaupt nog het hoofd boven water kunnen houden.
Ik klapte het boekje dicht, wierp het in de lavabo en plukte drie maagdelijk witte velletjes toiletpapier van de rol. Die laatste handeling herhaalde ik zeven keer, ondertussen evenzoveel keer bedenkend dat dit het enige papier is dat de moeite van het produceren dubbel en dik waard is. Meteen daarna: bestaat er eigenlijk een bruinbloeiende plant?

Geel, verdomme.
In onze tuin is dat wel even anders. Een overdosis wit, om maar eens iets te noemen. Zo maagdelijk als wit maar kan zijn.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]