Patate d’amour

Daarnet verraste ik mijn schat
met een ongeschilde patat
als teder klein gebaar
vindt u dat allicht raar

Weet echter vooral dat
ware liefde zit vervat
in minuscule zaken
die recht het hartje raken

Geen protserige ringen
of andere dure dingen
liever origineel
met ‘n vrucht vol zetmeel

Ja, madams gemoed schoot vol
bij ‘t schenken van een knol
doch wedden dat u ook smelt
door deze pieper van het veld:

[ Foto: Menck | Twaait ]

Vergeelde wijsheid

‘Wat zou het voorjaar zijn zonder geel?’ las ik in een tuinmagazine, onderwijl met een zucht van verlichting een hardnekkige bolus uit mijn getergde rectum wringend. Lezen doe ik dezer dagen nog slechts in het kleinste kamertje, moet u weten. Tijdsgebrek heet zoiets als ik me niet vergis.
Het artikel werd welhaast obligatoir gevoed met een handvol foto’s van alom gekende geelbloeiende voorjaarsflora.
‘Wat een quatsch,’ fulmineerde ik binnensmonds, daarbij instant een tweede ongeleid projectiel met een luide plons het morsige water insturend. En ik haalde me prompt verschillende soorten lentebloeiers in blauw, rood en wit voor de geest: tulpen, blauwe druifjes, kievitsbloem, boshyacint, anemoon, gebroken hartje, magnolia, vergeet-me-nietje, spirea, judaspenning, Brunnera, longkruid, sierkers en zelfs de door mij enigszins verafschuwde primula’s. Is er, op het blad van de Vlaamse Vaste Plantenvereniging na, nog wel een uit de band springend tuinmagazine verkrijgbaar in ons land? Zijn al die zogezegd vooraanstaande floristische glossy’s geen flauwe afdrukjes van elkaar die jaarlijks dezelfde prak herkauwen in een lichtelijk gewijzigde vorm? Tussen de schreeuwerige commerciële boodschappen door treft u er wijsheden die slechts als dusdanig beschouwd worden door volslagen tuinanalfabeten. In een tijd waar het internet het papier almaar stringenter in een vergeethoek duwt, snap ik niet hoe zoveel pulp nog een bestaansreden heeft en hoe al die tuinblaadjes überhaupt nog het hoofd boven water kunnen houden.
Ik klapte het boekje dicht, wierp het in de lavabo en plukte drie maagdelijk witte velletjes toiletpapier van de rol. Die laatste handeling herhaalde ik zeven keer, ondertussen evenzoveel keer bedenkend dat dit het enige papier is dat de moeite van het produceren dubbel en dik waard is. Meteen daarna: bestaat er eigenlijk een bruinbloeiende plant?

Geel, verdomme.
In onze tuin is dat wel even anders. Een overdosis wit, om maar eens iets te noemen. Zo maagdelijk als wit maar kan zijn.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Een kater na Poes

Ha, kijk, madam Menck toen ze nog jong en onbesproken was. We schrijven 1997, het jaar waarin we onze huidige woning kochten na eerst veel te lang een miserieflat te hebben gehuurd aan een ronduit dubbeltongige huisjesmelker. Eindelijk vrijheid en eindelijk ook een huisdier: Poes. Op de foto was ze nog geen jaar oud.
Poes verkreeg haar weinig originele naam omdat we toentertijd simpelweg niks beters wisten te verzinnen. Indien we destijds voor een hond hadden geopteerd, zou dat beest ongetwijfeld gewoon Hond hebben geheten. Al klinkt dat, toegegeven, toch net iets belachelijker. Echter, alles beter dan de namen die buurman zijn katten toebedeelt: die van de mens waar hij ze haalt. Zo heet zijn laatste aanwinst Germaine, genoemd naar een alleenstaande weduwe zonder man. Beetje pech dat ze slechts een kater in de aanbieding had.

Anno 1998 schaften we ons een tweede kat aan. Zulks gebeurde met de intentie om Poes een speelkameraadje te bezorgen. Ze heeft haar nieuwbakken gezel echter nooit een blik waardig gegund. Voor haar was het een indringer die aasde op haar heerschappij. Middels tientallen welgemikte meppen, een handvol corrigerende knauwen en een krab of vijf riep ze de opdringerige huisgenoot al snel tot de orde. Doordat die stakker zich op zijn beurt dan weer eenzaam ging voelen, haalden we dan maar een derde kat in huis. Een beest dat, zo bleek alras, door Poes wederom geheel werd genegeerd.

Haar grote liefde? Haar baasjes. Op de schoot zitten, aangehaald willen worden, kopjes geven en me ’s avonds netjes mijn pantoffels, mijn krant en – mocht ik zulks al vereisen – ook nog een kop koffie brengen. Aanhankelijk, trouw, gedienstig en poeslief, dus. Behalve voor poezen, doch zulks vernam u reeds.

Een maand geleden werd Poes blind. Schier van de ene dag op de andere. Dat ze hierdoor tegen deuren, muren en meubilair botste, was slechts tien seconden lachwekkend. Daarna vonden we het allerzieligst.
Blindheid bij katten wordt in 99 procent van de gevallen veroorzaakt door een veel te hoge bloeddruk. En een te hoge bloeddruk is dan weer een teken dat de gezondheid het stilaan laat afweten. Het werd alras duidelijk dat Poes aan het laatste van haar negen levens was begonnen.
Eergisteren vond ik haar op haar favoriete plekje bij de amfibiepoel. Maar hoe ze eruitzag, baarde me oprecht zorgen: onverzorgd, fel vermagerd en amper nog in staat zich te verplaatsen. Pijn leed ze evenwel niet. Het beest was gewoon óp:

Afgelopen nacht heeft ze, na een doodsstrijd van drie uur te hebben gestreden op mijn schoot wijl ik haar bedolf onder de aaitjes, het loodje gelegd. Ik ben niet te beroerd om toe te geven dat ik mijn ogen uit mijn kop heb geschreid. Idem dito toen ik haar in de tuin naast een bos vergeet-me-nietjes ter aarde heb besteld. Ruim zeventien jaar samenzijn veeg je niet zomaar van tafel.

RIP Poes, you were the fucking best.
Je zult niet worden vervangen omdat je onvervangbaar was. Het achtergebleven trio volstaat bovendien ruimschoots als privédierentuin.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Over the top

Wie een regionale tentoonstelling van twee ogenschijnlijk onverenigbare onderwerpen op touw zet, kan maar beter uitpakken met wat doeltreffende publiciteit. Flyers, hoe kleurrijk ook, belanden echter steeds vaker ongelezen bij het oud papier en bovendien zijn ze, net zoals streekkranten en reclamebladen, in veel bussen niet eens meer welkom.

Dan maar iets dat wél over de tong gaat in de goegemeente (*):

(*) Doorgaans met de uitlachmodus ingeschakeld, dat wel. Of hoe – ongetwijfeld goedbedoelde - promotie ook averechts kan werken.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Stemmige stilte

Sedert maandag ben ik mijn stem kwijt. Eerst was er heesheid, daarna niks meer.
Bij een poging om te spreken, produceer ik een soortement van amechtig gehijg dat nog het meest lijkt op het schorre keelgeschraap van een eindnegentiger die tijdens de laatste seconden van zijn leven op zijn sterfbed zijn al even oude eega nog snel probeert diets te maken dat hij zijn broek volgescheten heeft. En dus ga ik zwijgend door het leven. Zulks klinkt simpel, maar dat is het hoegenaamd niet. Neem nou de telefoon. Als er klanten bellen, dien ik hen noodgedwongen te laten bellen. Ik wil hen echt niet de indruk geven dat er een of andere halfgare hijger hun oproep beantwoordt. En dus hoop ik dat zij die bellen ook via e-mail kunnen worden gecontacteerd. Als dat niet zo is, dient madam Menck na haar dagtaak contact met hen op te nemen. Hooglijk vervelend allemaal. Ik voel me al bij al wat afgesneden van de wereld.
Boodschappen doen is op zich geen probleem. Tot je iets niet vindt. Zo ook deze week toen ik een bidon van 20 liter zocht en maar niet vond in de plaatselijke doe-het-zelfzaak. Het aan een verkoper vragen was geen optie. Een wijl staan hijgen in ’s mans oor bevordert diens behulpzaamheid niet, ziet u. En dus neem ik thans overal een blocnote en een balpen mee. ‘Bidon 20 liter?’ stond er zodoende op het briefje dat ik de verkoper onder de neus hield. Intussen wees ik naar mijn keel en maakte schraapgeluidjes. “Met of zonder kraantje?” informeerde de man daarop. Zucht.
Volgens Googleman kan heesheid of het wegvallen van de stem tot zowat drie weken duren, afhankelijk van de ernst van de stembandontsteking. Dagenlang quasi onafgebroken blafhoesten naar aanleiding van de – ondertussen gelukkig verdwenen – griep heeft me dit gelapt. Maar hoe krijg ik het snel weer opgelapt? Ik urineer welhaast thee met honing; ettelijke tientallen koppen kapte ik deze week reeds naar binnen. Resultaat: nada. Ook sprays, zuigtabletten en mijn keel flossen met een in eucalyptus geweekte radiatorborstel haalden niks uit. Zwijgen is de boodschap. Alsof ik iets anders kan.

“Je zegt zo weinig,” ginnegapte madam Menck vanavond toen ik enigszins lusteloos voor de buis hing. Ik knorde wat ter afkeuring, waardoor ze instant nog meer begon te giechelen.
“Ach, schat, dat was een grapje. Gelukkig begint straks het programma dat je thans helemaal op het lijf is geschreven.”
Ik gooide haar een vragende blik toe.
“The Voice van Vlaanderen,” lichtte ze toe. Waarna ze het meteen op een gieren zette.

39°2 le matin

Mohow zeg.

Het is al dagenlang lenteweer met echt zomerse allures.
Zowat gans Vlaanderen vertoeft in open lucht.
Bos- dan wel strandwandelingen.
Fietstochtjes.
Een terrasje.
En massaal de tuin in, dat spreekt.
Zelfs de barbecue wordt er her en der al bijgesleurd.

En ik?
Ik sleur er de koortsthermometer bij.
En een sortiment pillen.
Wegens zwaar geveld door griep.
Rillen.
Hoesten.
Ellende.
Doodziek, quoi.

Met uw goedvinden, duik ik voor onbepaalde tijd onder. Toeme toch.

[ Foto: Menck | Twaait - Reacties zijn uitgeschakeld voor dit log ]

Gebeten om te weten

Gisteren pleurde mijn huisarts met bijzonder veel accuratesse een – let op, dit is een tongverstuiker – hyposensibilisatie-injectie in mijn derrière. In verstaanbaar Nederlands is dit een inenting ter voorkoming van allergische reacties op insectenbeten. En nee, daarmee bedoel ik allerminst de normale, vaak jeukende zwellinkjes na een muggenprik of een tekenbeet. Ik ben namelijk iemand bij wie zich al eens lymphangitis durft te ontwikkelen na pakweg een dazenbeet (4 jaar geleden) of een aanval van een libellenlarve tijdens de vijveropkuis (3 jaar geleden). Lymphangitis is dan weer de medische term voor een langwerpige rode en gloeiende streep, verlopend langs een lymfebaan, meestal aan arm of been zichtbaar. Zo’n zware allergische reactie manifesteert zich schrikbarend snel; al na een uur ziet ze er zo uit:

In dit stadium begint zich pijn en koorts te ontwikkelen, niet zelden gepaard gaande met een hooglijk versnelde hartslag en koude rillingen. Op zo’n moment komt het er op aan om bijzonder snel te handelen – lees: meteen de hulpdiensten te bellen. Als die, zoals in mijn geval vier jaar geleden, niet snel genoeg komen opdagen, treedt er een anafylactische shock op. Geloof me: dat wilt u liever niet meemaken, tenzij u het wel fijn vindt om op het dunne koordje tussen leven en dood te balanceren. Daarenboven wens ik te allen tijde te voorkomen dat een lymphangitis gaat escaleren, teneinde dit schrikbeeld te vermijden:

Als hovenier allergisch zijn voor tal van insectenbeten – met op kop die van dazen, teken en kruisspinnen – is bepaald geen lachertje. En dus dien ik elk voorjaar mijn voorzorgen te nemen. Behalve de hogergenoemde injectie, die overigens zes maanden lang doorwerkt, wordt het handschoenenkastje van mijn bestelwagen ook nog eens getransformeerd naar een medicijnenkastje. Daarin bevinden zich vanaf heden weer enkele tubes cortisonezalf, insectenwerende sprays dan wel rollers alsook wapen nummer één in de strijd tegen kwalijke prikken: een ‘vacu-venom’-set:

Op deze ietwat vreemd uitziende vacuümpomp moet een van de vijf meegeleverde capsules worden geklikt (uiteraard afgestemd op de grootte van de zwelling) en vervolgens dient het geheel verticaal op de opgezwollen beet te worden geplaatst. De werking van de pomp kunt u vergelijken met een stofzuigerslang die u tegen uw huid plaatst: het gif wordt uitermate krachtig uit de beet gezogen.

Deze fijne mechaniek heeft me zo toch al enkele keren behoed voor doffe ellende. Eén nadeel: de vacuümpomp dient quasi direct na de beet te worden gehanteerd. En dat is praktisch gezien niet altijd een haalbare kaart.

Ook vorig jaar werd ik ingeënt. Maar het noodlot sloeg toe in de herfst, toen de injectie reeds was uitgewerkt: er verzeilde een of ander insect onder mijn T-shirt. Dat T-shirt stak in mijn jeans, waardoor er voor het beest een welhaast rechtstreekse verbinding voorhanden was met mijn onderbroek. U raadt het al – en nee, I kid you absolutely not: ik werd gebeten daar waar eender welke man liever niet gebeten wordt. Het resultaat was een zwelling die me onder gunstige omstandigheden met behoorlijk veel trots zou vervullen, doch de kloppende pijn en de brandende gloed die twee weken aanhielden, zelfs na het nemen van daarop voorziene medicatie, deden me vurig (pun not intended) verlangen naar een ‘koude douche’-jongeheer. Toen ik de eerste avond na die bewuste beet in bed stapte, waagde madam Menck het om het aloude ‘Is that a gun in your pocket or are you just happy to see me?’ uit te brengen. Ik kon haar wel schieten.

[ Foto's 3, 4 & 5: Menck | Twaait ]

Hoger, lager

“Ik denk dat 300.000 euro een vrij realistisch cijfer is.”
Mijn vader leunde voorover en nam zijn glas prosecco ter hand zonder er evenwel van te nippen.
“Vergeet het. Die prijs kun je afficheren maar volgens mij onmogelijk bedingen,” repliceerde ik. “Daarvoor is dit huis te oud.”
Het gesprek ging over de ouderlijke woning en hoeveel ze ons – mijn broer, zus en ik – zou kunnen opbrengen nadat ook pa het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld. Weinig taboes te onzent; het is een onderwerp waar we vrank en vrij over kunnen praten.
“Er zijn wel meer woningen van halfweg de jaren 1960 die voor die prijs over de toonbank zijn gegaan,” bracht mijn vader hier tegenin. “Ook in deze gemeente, ja.”
“Maar wellicht niet met de nog originele inrichting uit die tijd, pa,” mengde madam Menck zich in het gesprek. “De keuken mag dan wel charmant zijn, hij is tevens uitermate primitief. En de badkamer is een lachertje naar hedendaagse normen.”
“Er is hier sinds 1964 eigenlijk nog niks veranderd,” vulde ik haar aan. “Dat drukt stevig de prijs,” richtte ik me daarna tot mijn vader.
“Ken je de woning van Zelie van ‘t eierkot?” vroeg mijn vader me. “Die is verkocht voor 310.000 euro,” ging hij verder zonder mijn antwoord af te wachten.
“Ja, die woning ken ik. Maar ben je er ook al eens binnengestapt? Vijf jaar geleden is ongeveer het ganse interieur vernieuwd en gemoderniseerd. En jij wil zoiets gaan vergelijken met dit huis?” Ik schudde mijn hoofd. Mijn vader zuchtte. Madam Menck schonk zich nog een tonic in. Daarna viel er een stilte.
“300.000 is mooi deelbaar door drie,” doorbrak mijn vader weifelend het ingetogen moment.
“270.000 ook,” gaf ik hem prompt mee.
Hij schudde ietwat meewarig zijn hoofd. “Dit is een alleenstaande, eh, villa die quasi volledig onderkelderd is. Onderschat dat laatste niet, Menck. Bovendien is de tuin aangelegd, werd er recentelijk een zuinige mazoutbrander geïnstalleerd, is er een garage aanwezig en zijn er drie slaapkamers.”
“We zijn nog zover niet, pa,” kwam mijn madam diplomatisch tussenbeide. “Jij wordt beslist honderd. Tegen dan swingen de woningprijzen ongetwijfeld de pan uit.”
Ik lachte.
Hij lachte.
We toostten op het lang leven.

Deze week werd de ouderlijke woning geschat. Dat gebeurde in het kader van de wettelijke notariële aangifte van nalatenschap ten gevolge van het overlijden van mijn moeder. De realiteit stond zwart op wit op een A4-tje geprint: 210.000 euro.

Het is ook deelbaar door drie, zeg maar.

[ Foto: Google Streetview | aanklikbaar voor groter ]

Gedigitaliseerd passato

I”m a sucker for oude foto’s. Vooral als het onderwerp dat destijds werd belicht tot actuele herkenning mijnentwege leidt.
Zo vond ik daarnet in de krochten van enkele verloren gewaande USB-sticks twee gescande opnames terug: een klasfoto van de zesdejaars Economische Wetenschappen / Taal van het Koninklijk Atheneum te Sint-Michiels|Brugge (1985-1986) en een bestuurlijke groepsfoto van de natuurvereniging bij dewelke ik toentertijd redacteur van het maandblad was (1999).

[ FOTO 1 | 1985-'86 ]

Behoorlijk schokkend, die klasfoto, temeer daar ik de gezichten wel herken, maar me geen enkele naam meer herinner. Behalve de mijne, maar dat schijnt redelijk normaal te zijn.
In die tijd droeg, althans volgens Paul Jambers, zestig procent van de schoolgaande jeugd een Millet-jas. Ik ontwaar slechts twee dergelijke kledingstukken op de schoolfoto; onze klas was met andere woorden behoorlijk atypisch.
Het eerste en het derde meisje op de onderste rij herinner ik mij het best. Het eerste had wat ik een ‘racetong’ noem: toen ik haar eens kuste, verkende haar nerveuze lingua molenwiekenderwijs de opening tussen mijn neus en kin. Ik onderging gelaten haar zeemvelgeslinger, onderwijl denkend aan hoe ik de 2/10 voor wiskunde moest uitleggen aan mijn ouwelui. Een halfuur later – mijn mond was intussen kurkdroog geslingerd – besloot ik dat het niets zou worden tussen ons en met een holle plop verwijderde ik mijn lippen van de hare. “Er staat water in jullie kelder,” verklaarde ik mijn abrupt heengaan, daarbij wijzend op haar te korte lange broek.
Meisje drie herinner ik me dan weer omdat ze alle jongens van de klas het hoofd op hol heeft gebracht behalve het mijne. Ze vond mij namelijk ‘wijs’. Wijs in de zin van ‘graaf’. Graaf in de zin van ‘cool’. En voor coole gasten had ze respect. “Met jouw kloten zal ik nooit spelen,” gaf ze me meermaals te kennen. Terwijl ik net dat een gemiste kans vond.
Soit.

Bijgaand een muziekje uit dat jaar dat ik zeer te pruimen vond:

[ FOTO 2 | 1999 ]

Van foto twee herinner ik me eveneens alle gezichten en bovendien ook de namen. Dat laatste valt wellicht te verklaren omdat 1999 een minder ver verleden is, een minder wazig verleden ook, maar vooral omdat ik zowat tien jaar lang in het gezelschap van die gasten heb vertoefd. Een verschrikkelijk toffe bende. Ik heb met niemand contact meer.
Soit.

Bijgaand een muziekje uit dat jaar dat ik zeer te pruimen vond:

En u?

[ Foto's aanklikbaar voor groter ]

De Hoge Dijken

Een dag zoals afgelopen zondag was op het vlak van het weer een zegen in een seizoen dat – toch nog enkele dagen – winter heet. En dus trokken madam Menck en ik de natuur in voor een wandeling onder een staalblauw uitspansel. Bestemming: natuurreservaat de Hoge Dijken in Oudenburg.

De Hoge Dijken, in de volksmond ook wel Roksemput genoemd, ligt in Oudenburg en Jabbeke. Veel vogels stoppen er tijdens de trek om even op krachten te komen en duizenden overwinteren er. Vooral voor eenden als smienten, wintertalingen en slobeenden is het een belangrijk overwinteringsgebied. Oeverzwaluw, bergeend, fuut en kuifeend komen er dan weer jaarlijks broeden.
De Hoge Dijken is met zijn 52 hectare niet alleen een paradijs voor vogels. Dankzij de diversiteit van het gebied is het ook voor veel planten, zoogdieren, vlinders en andere insecten een uitstekend areaal.

De woelige geschiedenis van het gebied begon in de jaren 1960, toen de Belgische regering besliste om de E40 Brussel-Oostende door te trekken tot Veurne. Dat ontsloot de Westkust beter en maakte verbinding met het Franse wegennet. Voor de aanleg van de snelweg was zand nodig, wat men in de oude binnenduinen van Roksem vond.  Toen de snelweg eind jaren 1970 voltooid was, bleef aldaar een 40 hectare grote plas achter. BLOSO kreeg de kans om er surf- en zeilkampen te organiseren, maar intussen stond ook de natuur er niet stil. Honderden oeverzwaluwen nestelden zich in de steile zandwanden en in de winter streken duizenden eenden op de plas neer om er te overwinteren. De ecologische waarde van de Hoge Dijken werd zo groot dat het gebied sinds eind 1980 bescherming geniet als staatsnatuurreservaat.

We startten onze wandeling met een rondje omheen het gewonnen meer. Zo hadden we al meteen ruim drieënhalve kilometer in de benen. Het zacht kabbelende water en de compleet wolkeloze lucht vormden gans de namiddag een perfecte synergie in het blauw. De zon werkte die feeërieke coöperatie met verve af.
Ik schotel u dan ook met graagte enkele foto-impressies voor. Het zijn stille getuigen van klein genot in zijn meest innocente vorm. Wandelt u hiertoe vooral even door naar [ PICMENCK ].

Pulp fiction

Axel Hirsoux zal in mei ons land vertegenwoordigen op het 59e Eurovisie Songfestival. Als hij zich echter baseert op de Metro van vandaag, wordt het stevig lachen geblazen in Kopenhagen:

Errare humanum est

Ziehier mijn twee nieuwste aanwinsten op de boekenplank:

Bij het doorbladeren van het eerste deel merkte ik al meteen een grote misser op: plantennamen worden in de lopende tekst in het Nederlands weergegeven. Zo wordt Viburnum niet als dusdanig vermeld, maar als Sneeuwbal. Wordt daar dan een Viburnum tinus, een Viburnum opulus, een Viburnum burkwoodii of een Viburnum bodnantense mee bedoeld?
En wat ben je met ‘Sneeuwbal’ als je, zoals ik, af en toe planten in Engeland bestelt? Geloof me, zelfs in Frankrijk horen ze het in Keulen donderen als u ‘een Sneeuwbal’ bestelt. (‘Une boule de neige’ kan dan weer wel, net als ‘a snowball’ in Engeland. Helaas gaat dat vliegertje niet op voor de meeste vertalingen van Nederlandse plantbenamingen.)

Latijnse plantennamen zijn universeel gekend en tevens het meest duidend. Nederlandse benamingen zijn wat mij betreft dan ook pure, nietszeggende folklore die, zeker in vakliteratuur, te mijden zijn. Op die manier word ik bij voorbaat al met een kluitje in het riet gestuurd, Bartel. Erg jammer.

[ Foto: Menck|Twaait ]

Tuinhoek in verval: een complete heropfrissing

Herkent u de serre op de achtergrond nog? Ik knutselde ze meer dan tien jaar geleden in elkaar. Hoe een en ander in zijn werk ging, besprak ik hier reeds.
De kas heeft al die jaren naar volle tevredenheid haar diensten bewezen. Maar vorig jaar kreeg ik het verzoek om ze af te breken. Ze werd nog slechts als bergruimte gebruikt en niet langer onderhouden. De serre was een sta-in-de-weg geworden. En, o ja, of ik misschien ook de carport wilde slopen? Want die moest plaats maken voor een groter exemplaar. Om kort te gaan: deze tuinhoek diende volledig te worden gereorganiseerd. Een vette kluif waarvan ik u met graagte een foto-etappe voorschotel.

De serre stak na al die jaren nog bijzonder stevig in elkaar. (Speekmedaille voor mezelf!) Het slopen vereiste dientengevolge de nodige spierkracht:

Vervolgens werden de dolomietpaadjes verwijderd. Gelukkig had ik destijds worteldoek voorzien onder het gesteente. De dolomiet werd overigens elders in de tuin hergebruikt:

De alzo vrijgekomen aarde werd omgespit. Ik liet één streepje dolomiet liggen. Dat zal in latere instantie worden geannexeerd aan de oprit. Ook het kleine klinkervloertje werd behouden. Daar zal een paal van de nieuw te plaatsen carport op worden verankerd.
Het grove spitwerk werd geharkt en de laurierhaag kreeg een grondige snoeibeurt waardoor het lapje grond terstond groter werd:

De sloop van de carport gebeurde voornamelijk middels de kettingzaag. Voordien werd de dakbedekking minutieus losgeschroefd (asbest!) en afgevoerd naar het containerpark. Wat resteerde, waren nog zeer bruikbare balken die via een zoekertjessite al spoedig van eigenaar wisselden:

De muur waartegen de carport was bevestigd, kwam gehavend uit de strijd. De wijze waarop een dergelijk bouwwerk destijds tegen een woning werd gemonteerd was weliswaar efficiënt doch niet echt op latere vervanging berekend:

Die zomer kon ik enkele mooi verweerde treinbielzen op de kop tikken à een belachelijke drie euro per stuk. Enig nadeel: ze dienden vanuit het midden van een groot weiland te worden aangesleept. Gewicht: 100 kilogram per dwarsligger. Het was augustus en 35 graden. Need I say more?

De bielzen werden in een strakke vorm gelegd. De bestaande Aralia elata ofte Duivelswandelstok werd uitgespaard. Zo voorkwam ik dat zijn stam straks ten dele zou worden bedolven onder een dikke laag compost. Zulks kan het afsterven van de volledige plant betekenen:

Tussen de bielzen werd compost, gemengd met tuinaarde en bentoniet, aangebracht. Dit nieuwverworven stukje tuin was klaar om te worden beplant:

Het geheel zag er vanop afstand thans zo uit:

Als beplanting voor het vak koos ik voor de laagblijvende Lonicera nitida ‘Maigrün’. Deze plant is wintergroen, bijzonder sterk en verdraagt vormsnoei uitstekend:

In het midden van het vak vertrouwde ik een hoogstammige sierpeer (Pyrus calleryana ‘Chanticleer’) aan de aarde toe. Het is een boom met vele troeven: in het voorjaar wordt hij overladen met witte bloesem, daarna ontwikkelt zich een mooi glanzend groen blad dat in de herfst ook nog eens prachtig verkleurt.
Tussen de Lonicera’s werden vele tientallen narcissen gepoot. Dit tuinhoekje zal zich alzo ontpoppen tot een uitbundige kleurenexplosie in het voorjaar:

Terug naar de – ditmaal recent uitgevoerde – bouwwerken. De nagelnieuwe carport was aan de beurt. Mede door zijn stevige omvang (6,3 x 6 m) wordt de constructie van een dergelijk bouwpakket bij voorkeur door twee of meer personen uitgevoerd. En kijk, de vele aanwezige handen maakten licht(er) werk. Volgt u stap voor stap even mee?

Voor de dragende constructie werden de palen – uit kerngeïmpregneerd vurenhout – in snelbeton verankerd:

Het dak bestaat uit tand- en groefplanken uit eenzelfde houtsoort. Alles werd stevig bevestigd middels schroeven en profielen:

Daarna werd daar EPDM-folie over gedrapeerd. Die werd aan alle zijden gefixeerd met op die klus berekende lijm. De afwerking gebeurde met aluminiumprofielen:

Regenbuizen, en diens met de folie te verlijmen aansluitingen, zorgen voor een doeltreffende afwatering:

De ganse oprit werd tevens voorzien van een nieuwe laag dolomietgruis die stevig werd aangetrild:

Privacy werd vervolgens gewaarborgd door het plaatsen van tuinschermen:

Met de overschotten van het hout modelleerde ik de tuinpoort naar een zelfbedacht model. Op de tweede foto hieronder moesten de diagonale steunbalken nog in het poortframe worden geplaatst:

En yep, er kon zelfs nog een bijpassend zitbankje van af:

Vanaf deze week concentreer ik me weer tenvolle op de flora. Na een dergelijke overdosis zaag-, til-, schroef- en klopwerk lijkt me dat een welkome afwisseling. Mijn rug zal me er alvast hooglijk dankbaar voor zijn; ik ben de 3 x 7 namelijk al eventjes gepasseerd, moet u weten.

[ Foto’s: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Jobshot

“Waarom zeul jij toch altijd die camera mee als je gaat werken?” Mijn madam keek me lichtelijk monkelend aan. “Als je ’s avonds thuiskomt, heb je nooit iets gefotografeerd.”
“Dat, mijn lieve schat, is voor als er zich plots iets fotowaardigs zou aandienen. Het is sterker dan mezelf. Vraag het maar aan alle fotografieliefhebbers; zonder camera bij de hand voelen ze zich naakt.”
“Iets fotowaardigs? Yeah, right. Zoals wat dan? Een regenworm die plots de kop opsteekt terwijl je aan het spitten bent? Twee copulerende slakken die ineens voor je grasmaaier opduiken?” Ingehouden geproest. “Je weet evengoed als ik dat dat apparaat gewoon de hele dag in je bestelwagen blijft liggen.”
“Voortaan niet meer.”
“Hoezo?”
“Ik neem je pocketcameraatje mee. Past perfect in mijn jaszak.”
“Tot je het op een dag verliest. Of het ergens laat liggen zonder je te herinneren waar. Laat dat ding maar netjes thuis, Menck. Trouwens, was dat geen cadeautje voor mij?”
“Absoluut, maar dan moet ik toch nog altijd de eerste van de zogezegd vele foto’s zien die je ermee wilde nemen.”
Whatever.” Ze draaide zich terug richting televisietoestel en zette het volume hoger.

’s Anderendaags stapte ik in mijn bestelwagen. Toen ik mijn gordel omdeed, accentueerde hij een bultje in mijn jaszak.
Maar kijk, die dag hád ik zowaar geluk.  Eat this, madam Menck, dacht ik toen ik afdrukte. Waarna mijn fotomodel prompt de plaat poetste.

[ Foto: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Lentewinter

Als u dit leest, regent het misschien even. Het zijn, zo zeg ik u, slechts tranen van de verwaterde winter die de vroege voorjaarsvrolijkheid niet kan verkroppen.
Ik zie zowaar twee plompe padden op het tuinpad, mezen die van tak naar tak sjezen en dollen met dansende muggen. Tussen achtergebleven bruine bladeren wemelt het van de salamanders die weg willen naar het water.
De luchthartigheid van deze ludieke lente brengt de kolder in mijn kop. Kijk, krokussen! Wow, winterklokjes! En hoera, Heuchera die zonder blikken of blozen brutaal blauwe druifjes bedekt.
Middels mijn camera klik ik constant kleuren die knetteren van klein geluk.

Voorwaar een wenk richting [ PicMenck ].

Plog: een zondaglog

Veel bloggers begeven zich dezer dagen aan een plog, een in de blogosfeer ontstane contractie van photo- of picture-log. Daarin plaats je één dag uit je leven in de spots middels foto’s en wat begeleidende commentaar.  Een geinig niemendalletje waar ik me met graagte ook eens in uitleef, temeer daar ik het te druk heb – en ’s avonds dus te moe ben – om de doorgaans, ahum, ernstigere toonzetting die dit blog karakteriseert te handhaven.
Ik geef u in deze plog een inkijk in het weekend, meer bepaald de zondag ervan. Zo ervaart u ook eens waarmee ik mij zoal onledig hou. En uiteraard weerhoudt niets u ervan om hetzelfde te doen, want ploggen heet trendy te zijn. Bovendien: altijd fijn om te kunnen binnenkijken in iemands leventje.

[ 07:00 ]

Ik ben uitzonderlijk vroeg uit de veren. Doorgaans slaap ik ’s zondags een pak langer, niet zelden tot tegen het uur waarop de morgen in de middag overgaat. Maar vandaag is er een herdenkingsdienst gepland voor mijn moeder. Die vangt aan om negen.
Ik ben allesbehalve een kerkganger, maar uit respect voor mijn vader en mijn overleden moedertje wil ik dit keer toch op het appel zijn. En daar wens ik enigszins proper voor de dag te komen, netjes geschoren en al. Helaas geldt ‘proper’ niet meteen voor de met water bespatte spiegel:

Van de badkamer naar de koelkast is een vertrouwd ochtendritueel. Het is de laatste dag van de week en er moeten nog boodschappen worden gedaan. Wijl het koffiezetapparaat geurig rochelt, pluk ik enkele sneetjes Leerdammer uit de gelukkig nog niet compleet geplunderde frigidaire. Beetje mosterd erbij en de ochtend kan beginnen:

[ 10:00 ]

Na de herdenkingsdienst planten madam Menck en ik twee Helleborussen voor het urnengrafje van mijn moeder. De zerk moet nog geplaatst worden. Gelukkig resteren er wat plastic bloemen om de koele betonplaat enigszins aan het oog te onttrekken, ook al haat ik alle kunststofflora hartgrondig:

[ 10:30 ]

Nu we toch in het ouderlijk dorp zijn, besluiten we om een frisse neus te halen in het Vloethemveld. Dit driehonderd hectare grote natuurgebied laat zich betreden via een soortement van heirbaan. Niet verwonderlijk als je weet dat de ingang zich situeert langs de Diksmuidse Heirweg:

Alras blijkt dat wij niet de enige wandelaars zijn.  Twee guitige jongelieden lachen ons vriendelijk toe vanuit de hoogte, al kan je hen bezwaarlijk wandelaars noemen:

Wat later passeren we de voormalige schandvlek van Zedelgem: het POW-kamp (Prisoners Of War) daterende uit de Tweede Wereldoorlog. Op de foto ziet u een wachttoren:

Gelukkig valt er ook goed nieuws te rapen…:

… en is de wandeling een aanrader voor wie houdt van de pure natuur:

[ 13:30 ]

Vanavond hebben we vrienden op bezoek. Ik besluit enkele exemplaren onzer groene huisdecoratie aan te pakken ter algehele verfraaiing van de woning. Vooreerst de tulpen. Hoezeer ik ook schoonheid ontdek in het verval, lijkt het me toch geraadzaam om heden maar over te gaan tot vervanging:

Want, toegegeven, deze jongens ogen een stuk wufter:

Na deze frivoliteiten volgt het serieuzere werk: het scheuren en herverdelen van de uit zijn pot barstende Sansevieria cylindrica. Mos uit eigen tuin wordt als final touch aangewend. Vanop haar kattenpaal slaat Chatblis mijn ganse doen en laten nauwlettend gade:

Wijl ik met aarde en weerbarstige vrouwentongsigaren in de weer ben, stijgt er vanuit de keuken een heerlijke geur op. Madam Menck is aan het bakken geslagen:

[ 16:00 ]

De amuse-gueules worden geprepareerd. Behalve de maag wil het oog ook wat. Eén van de kookboeken van Pascale Naessens wordt aangesproken. De keuze valt op een eenvoudig te prepareren gerecht waar iedereen ’s avonds de mond vol over heeft wegens een delicatesse avant la lettre:

De eigenbereide liflafjes zijn dan weer van een bescheidener kaliber:

Mijn inbreng in dit alles beperkt zich tot het dekken van de tafel, het selecteren van de dranken, het kiezen van de muziek en wat servetorigami:

Het kraagje bekomt u overigens door het servet diagonaal over een breinaald te plooien en het op deze naald geleidelijk samen te drukken.

[ 19:00 ]

De deurbel kondigt onze visite aan. Haar geblèr is het startschot van wat een gesmaakte avond zal worden.
O ja, voor de nieuwsgierigen onder u: de hoofdschotel was paling in het groen. Feest in het buikje, zeg ik u!

[ Foto’s: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Winterinsomnie

Dat het geen winter is, zeg ik u. En niet alleen ik ben die mening toegedaan. Want onderstaande slijmerd, die ik daarnet bijna plattrapte op het pad naar de voordeur, stuurt eveneens een welgemeende fuck you richting dit rare seizoen.
Winterslaap?
Lentekriebels, ja.

[ Foto: Menck | Twaait ]

Kuieren in het nieskruidrijk

Februari is helleborusmaand op Twaait. En niet alleen op deze stek, want ook de tuin vertoont heden de meest uiteenlopende kleuren uit het feeërieke nieskruidrijk. Het zachte weer heeft de bloei duidelijk goed gedaan.
Het is te onzent dan ook een jaarlijkse traditie geworden om in de tweede maand van het jaar enkele nieuwe soorten aan te schaffen. Meevaller in dezen is dat we op amper een boogscheut (enfin, boogscheut: dertig kilometer is iets nauwkeuriger) wonen van de wereldleider inzake helleboruskweek: Het Wilgenbroek uit Oostkamp. U kunt er de ganse maand, en dat iedere dag, terecht om te genieten, te leren, te keuren en te kopen. Zulks deden madam Menck en ik afgelopen zondag.
Op PicMenck vindt u een uitgebreide impressie van onze bijzonder polychrome uitstap. Neem vooral uw tijd, want mijn camera heeft eens te meer overuren gemaakt.

[ K L I K ]