Twoei

Pas nadat ik de buurvrouw met wijd opengesperde ogen en mond voorbij het raam van onze woonkamer zag vliegen, op de voet gevolgd door twee van onze tuinstoelen, wist ik: het waait wellicht redelijk hard. Toen ik daarna de voordeur opentrok om me van de ernst van de situatie te vergewissen, werd ik behoorlijk van mijn sokken geblazen; er heerste voorwaar een loeiharde woei. “Daar komen brokken van”, was het eerste dat door mijn hoofd flitste op het moment dat ik buurvrouw, wild molenwiekend met haar vlezige armpjes, richting een geparkeerde auto zag dwarrelen. Gelukkig werd ze vijf meter achter de wagen op straat gepleurd en brak het asfalt haar val. Mijn tuinstoelen kon ik vervolgens ongeschonden uit onze haag plukken.

U begrijpt dat ik middels bovenstaande alinea de waarheid wat geweld aandoe. Het waren namelijk onze tuinstoelen die op straat belandden en buurvrouw in onze haag.
Om maar te zeggen dat het afgelopen dinsdag redelijk waaierig was. De herfst liet ons voor het eerst dit jaar kennismaken met zijn sinistere kantje en kwam daarbij uiterst onstuimig uit de hoek. Zo onstuimig zelfs dat ik vreesde voor het voortbestaan van de wintergroene eik in de voortuin. Hij bleek gelukkig een pak veerkrachtiger dan ik voor mogelijk had gehouden. Kregen wel een flinke bolwassing: de bolcatalpa’s. De snedige wind wierp zich op als nietsontziende snoeischaar en daar waren tal van takken niet tegen opgewassen. Doch behalve een pak al te wassend hemelwater, twee rondtollende potten met Hosta’s en wat horizontaal gepositioneerde vaste planten, bleef de flora gespaard van vernieling.
Tuin – najaarsstorm: 1 – 0. Fijn zo.

Evenzo fijn was de aanblik van het uitspansel. Want dat mat zich in ijltempo tal van uiterst uiteenlopende dreigende looks aan. Het schouwspel vervulde me met ontzag, mede door de donkere roffels en de vele vileine bliksemschichten waarmee het gepaard ging. Ik kon er, gedurende een minuut of vijf, slechts een handvol – helaas minder kwalitatieve – foto’s van nemen, want een nieuwe hoosbui kondigde zich in volle hevigheid aan. Maar op die vijf minuten tijd kreeg ik wel uitermate gevarieerde wolkenformaties te zien.

De natuur: da’s bijwijlen toch iets onvoorstelbaar boeiends, beste lezer.

Alvorens ik de woning binnenstapte – en geheel losstaand van dit relaas – schoot ik ook nog snel deze plaat:

Als ik dit stilleventje vergelijk met zijn zomerse evenknie…

… kan ik maar één iets besluiten: de natuur, da’s bijwijlen toch iets onvoorstelbaar moois, beste lezer.

O ja: staat alles nog recht bij u of hangt het er maar slapjes bij na de rukwind?

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Dissonante desolaatheid

De zon had aanvankelijk wat moeite om door de grillige witte wollendeken heen te breken en er stond een stevige woei op het schier verlaten strand. Doch middels een temperatuur die schaamteloos met de eenentwintig graden flirtte, was zondag 19 oktober 2014 alweer een dag die meteorologische records verpulverde.
De lucht was bijwijlen beladen met een ziltigheid die nog het sterkst aan de geur van rauwe mosselen deed denken. Madam Menck en ik kuierden langs de vloedlijn. Af en toe wisselden we met enige stemverheffing wat indrukken uit; de gierende wind en de bulderende baren bemoeilijkten een gemoedelijke conversatie. Kitesurfers en strandzeilers beleefden je reinste hoogdag en ontlokten ons niet zelden een brede glimlach of een bewonderende kreet, wijl de meeuwen misnoegd in dichte drommen tussen al die felle kleuren heen laveerden.  Een horde krombekstrandlopers zocht doodgemoedereerd naar een hapklare brok tussen een grillige golfbreker, zich daarbij niks aantrekkend van twee luidruchtige hengelaars op de kop van de bealgde rotsformatie.
Op dit stuk strand heerst een desolaatheid zonder weerga. Zee, zand en duinen, zover het oog reikt; een stevige vuistslag in het gezicht van allen die zich immer laatdunkend uitlaten over de Belgische kust omwille van de hoogbouw, de drukke terrassen en het kunstmatige, welhaast plastic sfeertje dat er zou heersen. En neen, deze badplaats is heus geen alleenstaand geval. Wie wat verder durft te kijken dan wat ons via de toeristische sector wordt opgedrongen, zal zich hooglijk verbazen over de onweerstaanbare ongereptheid die slechts aan de welwillenden is voorbehouden. Het gras is, believe you me, heus niet altijd groener aan de overkant/het buitenland.

Doch is er iemand die al weet
hoe deze badplaats heet?

Check it out op PICMENCK, folks! De eerste (vooral niet-kustbewoner) die het juiste antwoord aanbrengt, verdient mijn volstrekte adoratie.

[ Link ]

Archaïsch of atypisch?

Het houdt me bezig en het laat me koud.
De laatste weken heeft het eerste deel van bovenstaande zin stevig aan kracht gewonnen. En daar maak ik me thans wat zorgen over. Of die hoofdbrekens al dan niet terecht zijn, laat ik voorlopig nog even in het midden.
U moet weten: ik loop achter. Achter op de verduiveld snel evoluerende maatschappij waarin ik heden steeds krampachtiger mijn evenwicht tracht te bewaren. Want ik ben, en ik zeg het niet graag, hoegenaamd niet meer mee met wat is en dientengevolge ongewapend tegen wat komen zal. Doch laat ik iets concreter worden alvorens u uw wenkbrauwen tot op uw voorhoofd gaat fronsen.

Ik heb een gsm. Dat was, jaren geleden, je reinste overwinning op mezelf. Maar weet u wat? Ik heb die gsm nóg. Diezelfde, jazeker. En ik gebruik hem ook nog steeds, dat is het strafste van heel de zaak. Ik kan er mee bellen. Ik kan er, mocht ik daar de moed voor vinden, zelfs mee sms’en. Maar daar stopt het.
Iedereen – maar dan ook werkelijk iedereen – uit mijn vrienden- en kennissenkring jongleert dezer dagen met een smartphone of tablet. Ze goochelen met apps, surfen eender waar ze zich bevinden op het internet, raadplegen hun mailbox, zwieren gezwind zelfgemaakte filmpjes op het www en – u schetst mijn verwondering – scrollen door én vergroten foto’s door met hun vingers over het scherm te wrijven. De eerste keer dat ik zulks zag – dat was eergisteren, als ik me niet vergis – stond ik als aan de grond genageld van ongeveinsde verbazing. En wordt dat schermpje daar dan niet ongelooflijk vettig van?

Nog een voorbeeld, dit keer uit de meer huiselijke kring: het televisietoestel. De huidige modellen zijn vooral groot en dun en fungeren niet zelden als halve computers. Nu, te onzent pronkt er ook een lichtbak, daar niet van. Maar de nadruk ligt op ‘bak’. Ja, zo’n toestel dat u zich wellicht nog slechts herinnert uit de tijd dat Walter Capiau nog hot was. Een bakelieten gevaarte van een halve meter diepte met een dikglazig bol scherm van zegge en schrijve 69 centimeter diameter. Plasma? LED? Onze oudbakken kolos huivert bij het aanhoren van die termen.

En ik ga verder met mezelf tot hopeloos achterhaald te bombarderen. Want wie tokkelt er heden nog op een desktop? Jahaa, het soort pc dat nooit het bureel verlaat wegens verankerd aan driehonderdzevenenveertig kabels. Even lekker surfen op de bank? Dan moet ik de bank mijn bureel binnen sleuren. Maar ik kan al online bankieren, dat dan weer wel.

Geen touchscreen, geen iPad, -Pod, -Tunes of -Phone, geen oversized LED-scherm, geen docking station en geen blitse multiroommuziekinstallatie. Ja, zelfs geen handsfree kit in de wagen, geen WIFI-verbinding en geen fucking hexacopterdrone met ingebouwde hogedefinitiecamera in de tuinschuur. À propos: geen tuinschuur ook.

Ik vroeg me af of ik 2015 nog haal zonder dat er talloze meewarige blikken op me afgevuurd zullen worden. Of wacht, het was 2014.
Freddy De Vadder zou zeggen: “Ik heb dat niet nodig.” Maar het laatste wat ik wil, is me aan die obsolete mannenmens spiegelen.
Noodzaak? Of toch nog altijd maar handige commerciële manipulatie van een beïnvloedbare wegwerpmaatschappij die er vooral bij wil horen?

Fuck jong, ik ben waarlijk nog maar een veertiger maar voel me ineens vijfenzeventig.

Welles, nietes

Vanmorgen werd er op de voordeur gebonsd. De postbode met een aangetekende zending.
Een goed uur later werd er weer op de voordeur geklopt. De getuigen van Jehova met een boodschap.
Toen er deze middag nog maar eens op de voordeur werd gelild, was de maat vol: ik stopte nieuwe batterijen in de deurbel en hing er een niet mis te verstane boodschap onder.

Ondertussen werd er alweer twee keer op de voordeur gebonkt. Ik heb niet ogengedaan en de deurbonkers boudweg in de regen laten staan. Ze moeten maar leren lezen, verdomme!

Hastenburaphobia

Bruno, vijfenveertig lentes jong, heeft al tweeëntwintig jaar grasangst. Of hastenburaphobia, zoals zijn fobie in geleerde kringen wordt omschreven.
Als hij er destijds tegen iemand over begon, werd hij zelden ernstig genomen. Alleen zijn vrouw wist wat hij meemaakte bij het zien van een grasberm, een gazon of een voetbalveld: angst, diepgewortelde en gekmakende angst. Ook zij – en zij alleen – kent de ware toedracht: als prille twintiger werd Bruno anaal verkracht door een jonge bronstige stier toen hij te midden van een weide zat te kakken. Sindsdien associeert hij gras met bedreiging. En vindt hij stieren je reinste pain in the ass.
Hun gazon, toch goed voor een stevige lap van om en bij de achthonderd vierkante meter, heeft Bruno zeventien jaar geleden laten asfalteren. Zijn vrouw morde maar liet begaan. Sindsdien rolt ze een stukje kunstgras uit om op te zonnen en tegelijk het tuingevoel te behouden. Haar ambulante privétuintje, noemt ze het wel eens smalend.
Als zelfstandig verzekeringsagent leidt Bruno een tamelijk grasloos bestaan. Doch als een nieuwe klant hem bij het afsluiten van een polis interpelleerde met de vraag of er geen addertjes onder het gras zitten, brak het angstzweet hem in dikke stromen uit en was er leeuwenmoed voor nodig om het gesprek verder te zetten.

De gehanteerde verleden tijd in het bovenstaande betoog is niet geheel onopzettelijk. Want twee jaar geleden is Bruno, op langdurig aandringen van zijn vrouw, in therapie gegaan. De hastenburaphobiaspecialist, de wereldvermaarde Zwitserse doch in België opererende dokter Edward Gracilis, bleek een aimabele man te zijn die Bruno meteen op zijn gemak stelde: “Ik help je resoluut van je fobie af, maar het zal wat tijd vergen.” Bruno voelde op slag een last van zijn schouders vallen.
Heden maakt Bruno forse vorderingen. Bij het aanschouwen van een perk of wei breekt het angstzweet hem niet langer uit; er loopt hooguit een koude rilling over zijn rug. Hij is echter nog steeds niet in staat om op gras te lopen, laat staan het aan te raken. Maar ook daar wordt aan gewerkt. Want Gracilis geeft hem regelmatig opdrachten mee.
Bruno executeert ze met daadwerkelijke toewijding, zoals ik afgelopen zondag nog met eigen ogen mocht aanschouwen in de buurt van het Brugse Bilkske, getuige de foto’s onderaan deze lap tekst. Zijn vrouw keek toe met onverholen trots in de ogen. Ze verklaarde me dat Bruno van heel ver is gekomen en dat ze ongelooflijk fier is op haar man. “Volgende maand gaat hij zelfs in therapie voor zijn taurofobie (*)”, glunderde ze. “En aanstaande dinsdag krijgt hij in het AZ Sint-Jan zowaar een nieuwe sluitspier ingeplant. Er is eindelijk een geschikte donor gevonden.” Ik zag tranen in haar ogen opwellen en las er onbewimpelde gelukzaligheid in. “Als het even meezit, kan ik volgend jaar ein-de-lijk eens met Bruno naar Graspop in Dessel”, deelde ze me afrondend mee. “Zowel hij als ik zijn het jaarlijkse bezoek aan Marktrock onderhand danig beu.”

(*) Angst voor stieren

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

5 reasons why I smile #tag

  • Tag 5 andere bloggers om deze tag uit te voeren;
  • Maak de naam bekend van diegene waardoor je genomineerd bent in je artikel;
  • Noem 5 redenen waarom jij lacht of blij bent;
  • Kopieer deze regels en zet ze in jouw artikel;
  • Kopieer de TAG-afbeelding en plaats die in jouw artikel.

Tiny is degene die me opgezadeld heeft met bovenstaande opdrachtjes. Het is haar vergeven, want ze schijnt me toe als een fijne madam die, net als ik, geheel en al uit West-Vlaamse klei is opgetrokken. Dat laatste is, maar zo bevroedde u allicht, volstrekt overdrachtelijk. Behalve dat ze moeder is van een tienerzoon, fotografie studeert, een tof lief heeft, in de blindenbusiness werkt en een newbie is in de blogosfeer, weet ik verder niet zoveel over haar. Of wacht: ze heeft schone ogen, dat ook:

De rest fantaseer ik er dan maar, comme d’habitude, met graagte bij.
Edoch, we wijken af. Het ging over lachen en blij zijn. Degenen die me kennen, of ooit al eens het voorrecht hebben gehad me te ontmoeten, zullen het beslist nooit meer vergeten: ik lach graag en doorgaans hartelijk. Want lachen is de kortste afstand tussen mensen. Lachen ervaar ik als het niezen van de geest. Dientengevolge neemt ook humor een belangrijke plaats in in mijn bestaan. Humor is een eigenschap van het hart, zoals liefde. Er zijn mensen die niet lief kunnen hebben; waarschijnlijk zijn het dezelfde die geen humor hebben.

Vijf redenen waarom ik lach of blij ben:

  • Onlangs liepen mijn madam en ik door de immer drukke Brugse Steenstraat. Op een gegeven moment lopen we achter een stijfdeftig ouder koppel waar de bon chic, bon genre en de bon ton van afdruipen. Een wasem van dure parfum vulde onze neus. Op het ogenblik dat we bezijden het koppel arriveren met de bedoeling het voorbij te steken, laat de dame – of de heer, daar wil ik vanaf zijn – een loeier van een scheet. Ze deden beiden alsof hun neus bloedde. Dat was: tot op het moment dat ik in een deuk lag van het – luidop! – lachen en welhaast niet meer bij kwam. Situatiehumor van de platste soort: I love it;
  • Cynisme dat niet gespeend is van enige fijnzinnigheid werkt eveneens op mijn lachspieren. Alleen al om die reden vind ik onder anderen Alex Agnew een klasbak;
  • Elke situatie die neigt naar wat zo onvoorstelbaar fijn werd weergegeven in onder meer In De Gloria en Alles Kan Beter ontlokt me een gulle lach. Ook de humor die voortspruit uit de ongedwongen camaraderie tussen een Bart De Pauw en een Tom Lenaerts zorgt ervoor dat mijn aangeboren lachband wordt geactiveerd;
  • Blij ben ik dan weer met elke dag die me gegund is. No kidding. Van het moment dat ik mijn ogen opentrek en een nieuwe dag mag aanschouwen, word ik waarachtig blij. Ik denk, ben het zelfs welhaast zeker, dat ik een soortement van instant gelukkige mens ben. Een ochtendhumeur? Wasda?
  • Ik ben blij als ik mensen kan tevreden stellen of gelukkig maken. Dat kunnen klanten zijn, dat kan mijn madam zijn, dat kunnen vrienden, kennissen of familie zijn. Ik ben zo een zeldzaam specimen dat zijn eigen geluk al wel eens aan de kant zet ten faveure van andermans geluk. En soms, erg soms, kloot ik mezelf daar wel eens mee. “Je moet eens wat vaker aan jezelf denken”, oppert madam Menck dan.
    Yep, zulks is niet altijd een mes dat aan twee kanten snijdt.

Ik nomineer:

  • Elke, die naar mijn goesting véél te weinig blogt;
  • De Zandeik, die naar mijn goesting véél te weinig blogt;
  • Bart van Blijentuin, die naar mijn goesting véél te weinig blogt;
  • Pharailde van Casa Murphy, die ik stiekem een heel toffe madam vind;
  • En (meneer en/of mevrouw) Boerenerf, die ik stiekem twee toffe mensen vind.

Camera Mystica | deel 4 (slot)

[ Deel 1: KLIK  |  Deel 2: KLIK  |  Deel 3: KLIK ]

“Tim! Verdomme, klootzak, laat me hieruit!” Ze bewoog de klink een paar keer op en neer. “Tim!”
Vervolgens liet ze zich op haar bed neervallen, plantte haar gezicht diep in het kussen en barstte in een hevig gesnik uit.

Sylvie richtte zich op toen ze Tim door de hal hoorde rennen. De voordeur werd ruw dichtgetrokken.
Ze bleef bewegingsloos en met ingehouden adem luisteren. Een fractie later hoorde ze hem zijn wagen starten en met loeiende motor optrekken.
Ze stond op en ging voor de computer zitten. Weer voelde ze tranen opwellen. Tim leek wel zichzelf niet meer. Zo had ze hem nooit eerder meegemaakt. Wat ze gevoeld had, wat ze gezien had, was pure en onversneden haat. Jegens haar? Omwille van die klotefoto’s? Dat hij daardoor schier buiten zijn zinnen was geraakt van woede, beangstigde haar meer dan wat ook.
Tim had de DVD niet meegenomen, zag ze nu. Ze duwde de lader dicht. Chubby zoemde even en gaf dra het fotomenu weer. Door een waas van tranen zocht ze de foto die ze als laatste had geopend. Het gezicht van Carolien verscheen schermvullend.
“Misschien kloppen die Exif-gegevens niet”, bedacht ze hardop hoewel het haar onwaarschijnlijk leek. Tim zou nooit zo zijn uitgevallen tegen haar mocht ze hem daar niet opmerkzaam op hebben gemaakt.
Ze klikte de volgende thumbnail aan. Op deze foto herkende ze meteen het atelier van Geoffreys funerarium. De belichting was niet bijster geslaagd. Op een lage aluminium werktafel ontwaarde ze een open kist. Sylvie zoomde wat in.
“O shit!” prevelde ze plots met een van angst overslaande stem. Ze herkende direct de kist waarin Carolien was begraven. Ze rolde ongewild de bureaustoel wat van het scherm weg en sloeg in een reflex haar handen voor haar mond. De kist was leeg. Was dit een reportage over het kisten van Carolien? Was Carolien al dood op de vorige foto?
Een intense rilling beroerde haar rug. Ze wist dat ze verplicht was om de rest van de foto’s te bekijken, hoe zwaar haar dit ook viel. Traag rolde ze de stoel terug richting pc. Met een nerveuze muisklik opende ze de volgende foto.
Weer de kist. Maar nu…
“Wat is… wat is dit?” stiet ze vol ongeloof uit. Sylvie staarde naar Caroliens kist waarin een hoogbejaarde en haar compleet onbekende man lag opgeborgen.
Op de volgende foto zag ze hoe Geoffrey het deksel al half op de kist had geschoven. Hij keek daarbij breed grijnslachend in de lens. Ze sloot deze foto en klikte meteen de ernaast staande thumbnail aan. Op dat moment verstijfde Sylvie.
“O nee! O! Nee!” Ze voelde warme tranen over haar wangen stromen. Vol ontzetting staarde ze naar het scherm. De kist was gesloten. Op het deksel lag de bloemenkrans met het paarse zijden lint waarop Caroliens naam stond. De foto liet een stuk van het belendende deel van Geoffreys atelier zien. Sylvie zag nog net de matte aluminium tafel waarop Geoff de overledenen aankleedde en maquilleerde alvorens ze werden opgebaard. Op die tafel lag het lijk van Carolien.
Sylvie ketste een kreet van afschuw tegen haar scherm. Ze duwde zich af aan haar computertafel en rolde een meter achteruit.
Dan begon het haar te dagen.
“O God, nee…” Ze sprong op en begon hyperventilerend door de kamer te ijsberen. De tranen stroomden nu rijkelijk over haar wangen.
“O shit, o shit, o shit! Dit is niet waar. Het màg niet, het kan niet…”
Sylvie stapte naar de deur en begon als een razende aan de klink te rammelen. Daarna stampte ze hard tegen het eikenhout. Ze voelde een gil opwellen. Ze moest hier weg. Nu. Pas toen zag ze Tims gsm liggen op haar tafel. Meteen herinnerde ze zich dat hij hem daar in al zijn blinde woede had neergegooid.
“Hij is zijn gsm vergeten”, stamelde ze, ieder woord kauwend als om te proeven of het wel echt was wat ze zag. Met een snelle uithaal griste ze de telefoon van haar bureau en toetste zenuwachtig 101.
In een waterval van woorden, tranen en snikkende uithalen deed ze in één ruk haar verhaal. De dienstdoende agent onderbrak haar slechts tweemaal om haar iets te laten verduidelijken. “Komt u alstublieft zo snel mogelijk hierheen!” beëindigde ze haar woordenstroom.
“Blijf waar u bent, mevrouw”, raadde de diender haar vervolgens geheel onnodig aan. “We komen onmiddellijk naar u toe.”

Sylvie drukte de gsm af, legde hem terug op haar bureau en liet zich op haar bed zakken. Ze keek op haar horloge. Daarna greep ze naar haar Marlboro’s. Met bevende handen stak ze een sigaret op. Ze trok eraan alsof het haar allerlaatste saf was. Toen de paffer half opgerookt was, duwde ze hem uit in de glazen reclameasbak. Weer keek ze op haar horloge. Er waren amper twee minuten verstreken.
En dan hoorde ze hoe er een sleutel in de voordeur werd gestoken. Ze herkende Tims stem, onmiddellijk gevolgd door die van Geoffrey.
‘O shit’, schoot het door haar hoofd. ‘Niet nu al.’
“Sylvie?” Tim riep luid vanuit de hal.
“Tim! Laat me hier uit!”
“Blijf jij nog maar even waar je bent!” De deur naar de woonkamer werd dichtgetrokken.
Tim en Geoffrey waren nog niet zo lang binnen toen de bel ging. De woonkamerdeur ging terug open. Tims kenmerkende geslof weerklonk in de hal.
“Meneer Dewaele?” Een diepe mannenstem bereikte gedempt Sylvie’s oren. Ze posteerde zich meteen met haar hoofd tegen de kamerdeur om de conversatie beter te kunnen volgen.
“Eh, ja.”
“Mogen wij even binnenkomen?”

* * *

“Nog wat koffie, Sylv?” Helena hield de porseleinen pot voor haar gezicht.
“Eh, ja, graag. Doe maar.”
Ze waren net terug van de begrafenis. De dienst had in besloten kring plaatsgevonden. Een hele harde noot om kraken was het geweest. De politie had omstanders uit de buurt gehouden.
“Carolien heeft eindelijk rust gevonden.” Sylvie staarde wezenloos in haar koffiekop.
“Ja schat, dat heeft ze.” Helena kwam naast haar zitten en sloeg een arm om haar schouders. Sylvie barstte in een onbeheerst snikken uit.
“Al die jaren… Al die jaren was Tim verliefd op haar. Ik zal hier nooit overheen raken. Nooit, dat weet ik gewoon. De klootzak, verdomme!”
“Dat zal zijn tijd nodig hebben, Sylv,” suste Helena haar terwijl ze haar tegen zich aantrok.
“Kun je je voorstellen dat hij haar voor altijd bij zich wilde houden, Helena? Al-tijd! Kun je je dat in ‘s hemelsnaam voorstellen?” Een nieuwe, intensere huilbui bood zich aan.
“En Geoff is volledig medeplichtig”, ging Sylvie verder. “Alleen hij kon Carolien bewaren. Hij wist hier al die tijd van, Helena. Al die tijd smeedden die twee verdomme een afgrijselijk complot!”
Sylvie huilde met lange uithalen. Helena stond op. “Wil je, eh, iets sterkers om te drinken, Sylvie? Het zal je wat kalmeren.”
Even hield het snikken op.
“Ja”, zei ze plots gedecideerd. “Ja, geef mij maar iets heel sterks, Helena.”

Helena reikte Sylvie stilzwijgend een grote bel cognac aan. Zelf had ze er zich ook een uitgeschonken. Ze stak haar glas uit naar Sylvie.
Sylvie keek Helena diep in de ogen. Traag bracht ze haar glas tot tegen dat van haar vriendin. Met roodomrande ogen en een van woede en pijn natrillende stem, bracht ze een vastberaden toost uit.
“Op de scheiding, Helena. Op de scheiding.”

Camera Mystica | deel 3

[ Deel 1 vindt u hier, deel 2 dan weer hier. ]

Shit! Tim!’ flitste het door haar hoofd. In paniek reikte Sylvie naar de knop van haar scherm en stootte daarbij de lege theekop naast haar klavier om. Hij rolde van haar tafel en viel met veel kabaal in wild wegspattende scherven uiteen op de vloer.
“Schat?” klonk het vanuit de hal.

 
Ze hoorde Tim de trap ophollen. De kamerdeur vloog open.
“Wat gebeurt er hier?” Tim voelde scherven onder zijn zolen kraken en zette instinctmatig een stap achteruit.
“Ik… ik liet mijn theekopje vallen.” Sylvie voelde hoe het bloed haar naar de wangen steeg. Ze blikte snel even opzij; het scherm was uit.
“Dat zie ik, ja. Wat was je aan het doen?” Terwijl hij die vraag stelde, hurkte hij neer en begon met zijn handen de scherven bijeen te vegen.
“Ach, laat maar, Tim. Dat doe ik wel. Ik haal even stoffer en blik.” Sylvie manoeuvreerde snel voorbij Tim die thans op zijn knieën in de deuropening zat. Hij keek niet op. Ze haastte zich naar de berging, griste de half onthaarde handborstel en het felblauwe plastic blik van het schap en liep terug naar de hal. Aan de spiegel hield ze even halt. Ze zag er verwilderd uit. Haar hoofd was nog steeds bloedrood.
‘Rustig, Sylvie. Er is niks aan de hand. Je hebt gewoon een kopje gebroken, dat is alles’, suste ze zichzelf, terwijl ze haar weerbarstige haar terug in de plooi trachtte te schudden. Dat lukte slechts ten dele. Ze legde de stoffer en het blik op de grond en bracht haar beide handen naar haar wilde haardos om ze als geïmproviseerde kam te gebruiken. Meteen zag ze er een stuk normaler uit. Ze voelde zich terstond kalmer worden.
Nadat ze haar veegattributen had opgeraapt, stapte ze traag de trap op. Ze was nog niet helemaal boven toen ze merkte dat Tim haar stond op te wachten in de deuropening.
“Klaar om scherven te vegen, schat?” sprak Tim haar rustig toe.
Ze keek hem aan, hief even de stoffer en het blik in zijn richting en wilde hem passeren.
“Wacht eens even, Sylvie.” Hij legde een hand op haar schouder.
“Wat is er?”
“Wat was je aan het doen daarnet? Voor ik binnenkwam, bedoel ik.” Hij vroeg het met een stem die van alle intonatie was gespeend. Dat monotone spreken van hem kende ze; het betekende onheil.
“Ik… ik was op de pc bezig. Ik had net een mail naar Helena gestuurd”, loog ze. Ze hield haar stem zo rustig mogelijk.
“Kom jij hier scherven vegen, Sylvie, of kom je ze lijmen?” beet hij haar plots veel luider toe.
“Ik weet niet wat…”
“O nee? Weet je dat écht niet, schat? Denk eerst eens goed na en kijk vervolgens eens dáár naar.” Tim zette een stap terug zodat Sylvie zicht kreeg op haar pc. Verschrikt zag ze dat haar scherm terug aangezet was. Ze keek recht in het gezicht van Carolien. Van pure ontsteltenis liet ze het kuisgerief uit haar handen vallen.
“Tim, sorry… ik… ik kan alles…”
“Ga zitten. Op het bed.” Zijn woorden klonken kalm, kil en afgemeten.
Ze stapte de kamer binnen en ging meteen neerzitten.
“Hoe, maar in godsnaam hoe! kom! jij! hier! aan!” siste Tim tussen zijn opeengeklemde tanden.
Ingehouden woede, dàt hoorde ze. Hevige ingehouden woede. Hij stond nu vlak voor haar. Zijn ogen boorden zich diep in de hare.
“Van de pc-verkoper”, zuchtte ze gelaten.
“Wat? Maak me verdomme geen blaasjes wijs, Sylv!”
“Maar het is écht zo. Kijk dan zelf; het schijfje steekt nog in de lader.”
Tim boog zich meteen naar de pc en drukte op de ejecttoets. De DVD kwam prompt tevoorschijn geschoven. Meteen verdween Caroliens gezicht van het scherm.
“Heeft die oen van een computerlulletje je dat echt meegegeven?” brieste Tim terwijl hij met het schijfje voor haar neus wapperde.
“Vraag het hem zelf als je me niet gelooft.” Ze merkte dat ze nu zélf haar stem begon te verheffen.
“Je hoeft niet zo te schreeuwen, trut! Dat geeft jou nog niet het recht die schijf dan ook maar te gaan bekijken!”
Trut? Had-ie echt trut tegen haar geroepen? Ze gaapte hem vol ongeloof aan.
“Wat is hier in ‘s hemelsnaam gaande, Tim?” Ze voelde zich ineens ijzig kalm worden terwijl ze zijn blik vasthield. “Waarom maakte je al die foto’s van Carolien? En waarom mag ik daar niks van af weten?”
“Dat gaat jou geen ene moer aan, Sylv, geen ene verdomde moer!” Tim schuimbekte thans van woede.
Sylvie verroerde zich niet en bleef hem doodgemoedereerd in de ogen kijken.
“En dan nóg iets, Tim”, repliceerde ze beheerst. “Hoe kan het dat jij Carolien fotografeerde haar dood?”
Tim trok haar bureaustoel achteruit en liet zich erop vallen. Hij wilde haar iets zeggen, maar zijn mond maakte slechts enkele happende bewegingen alsof hij een goudvis was die zonet uit zijn bokaal was gesprongen. Vervolgens trok hij zijn gsm uit zijn broekzak, beroerde snel enkele toetsen en bracht het toestel naar zijn oor. Hij bleef Sylvie aankijken.
“Geoff? Tim hier. Kom je meteen eens naar hier?”
“…”
Nù, Geoffrey. Onmiddellijk!” Hij haakte in en gooide zijn gsm op de computertafel. Met een ruk stond hij op, liep de kamer uit, gooide de deur met een harde klap dicht en draaide de sleutel om.
Sylvie sprong ogenblikkelijk recht, snelde naar de deur en trok eraan. Hij had ze effectief gesloten.
“Tim! Verdomme, klootzak, laat me hieruit!” Ze bewoog de klink een paar keer op en neer. “Tim!”
Vervolgens liet ze zich op haar bed neervallen, plantte haar gezicht diep in het kussen en barstte in een hevig gesnik uit.

[ Het vierde en tevens laatste deel wordt u dit weekend geserveerd. ]

Camera Mystica | deel 2

[ Wie het eerste deel heeft gemist, of het nog eens wil herlezen: u vindt het hier. ]

Toen ze de eerste foto opende, leek het alsof alle lucht door een reuzenvuist uit haar longen werd geperst. Sylvie’s mond viel open.

Op haar scherm verscheen, in een loepzuivere zwart-witweergave, haar beste vriendin Carolien. ‘Facial Shot Front’ stond eronder.
Carolien, met wie ze lief en leed had gedeeld. Carolien die ze meer dan twintig jaar geleden had leren kennen. Carolien die zich, twee weken geleden pas, van het leven heeft beroofd. Een overdosis slaappillen. Voorheen had ze vier pogingen ondernomen.
Het was opvallend dat Sylvie zich elke morgen de dromen over Caroliens begrafenis zo gedetailleerd herinnerde, terwijl ze andere dromen slechts in flarden of helemaal niet voor de geest kon halen. Ze was er kapot van geweest.
“Wanneer heeft Tim Carolien in godsnaam gefotografeerd?” Ze sprak de woorden luidop en afgemeten voor zich uit. Geen enkel moment had Carolien haar over een fotosessie verteld. Dat zou ze zonder meer gedaan hebben; ze hield niks voor Sylvie verborgen. Zij trouwens evenmin voor haar.
Ze klikte de tweede foto open. Weer een zwart-witopname, dit keer van opzij. ‘Facial Shot Left’.
Toen bemerkte Sylvie de kasjmieren sjaal die ze Carolien als verjaardagsgeschenk had gegeven. Ze was er lyrisch over geweest. De dag erop was ze dood. Net veertig geworden, stond er in de rouwadvertentie. Nu droeg ze de sjaal op deze foto’s.
“Maar dat kán gewoonweg niet!” Sylvie vergrootte het beeld wat. Het was wel degelijk de sjaal die ze haar had geschonken.
“Ik moét Tim bellen.” Ze veerde van haar stoel op maar ging meteen weer zitten. Ze bekeek de foto wat aandachtiger en klikte ook de eerste weer open.
“Waar zijn deze foto’s genomen, Chubby? Wannéér zijn ze genomen?” Chubby zoemde slechts monotoon.
Carolien had haar ogen dicht. Op haar lippen speelde vaag een glimlach. En hoewel het geen kleurfoto’s waren, kon Sylvie duidelijk merken dat ze zwaar gemaquilleerd was.
Ze klikte meer foto’s open. Allemaal gezichtsopnames. Allemaal zwart-wit. Allemaal erg gelijklopend, op een andere belichting en invalshoek na. Telkens kwam de sjaal prominent in beeld.
“Maar dit kán toch niet, verdomme!” schreeuwde ze opnieuw naar het scherm terwijl ze haar vuist hard op het tafelblad liet neerkomen. Ze stond op, gooide geagiteerd haar kamerdeur open en liep de trap af.

Het was muisstil in het kleine kerkje toen vier dragers de blankhouten kist tot vlak voor het altaar brachten. “Who wants to live forever”, zong Freddie Mercury vol overgave, ondertussen zelf neerblikkend vanuit de hemel.
Geoffrey had het moeilijk, merkte Sylvie door haar tranen heen. Zijn eer van waardig begrafenisondernemer nam echter de bovenhand, al had hij alle moeite van de wereld om zich sterk te houden. Ze zag hem even naar Tim blikken. Haar man boog meteen huilend zijn hoofd. De kist werd neergezet.

“Helena? Met Sylvie. Ik heb een vraagje voor je. Ik ben hier door wat oude foto’s aan het bladeren op de pc. Nu vraag ik me af of het mogelijk is om op de een of andere manier te checken wanneer die genomen zijn. Als fotografe kun jij me daar beslist mee helpen.”
“…”
“Eh, nee, ik kan Tim momenteel niet bereiken, en dus dacht ik: ik vraag het maar even aan Helena.” Sylvie hoopte dat haar geforceerde lachje wat geloofwaardig zou overkomen.
“…”
“En dat doe je door rechts op de foto te klikken? Ja, ik geloof wel dat Tim zoiets geïnstalleerd heeft, nu je de naam vermeldt.”
“…”
“Zeg, je bent een schat. Van harte bedankt, ik ga dat meteen eens uittesten. Doei.”
Sylvie liet haar telefoon in haar handtas glijden en haastte zich meteen weer naar boven. Op de eerste foto van Carolien klikte ze rechts en koos ze vervolgens voor Exif. Het menu dat opensprong gaf een schat aan informatie vrij. Ze zag dat Tim de EOS 5d mark III had gebruikt en die had aangewend op…
“… de vijfentwintigste? Maar hoe… hoe kan dát nu? Die gegevens raken kant noch wal!”
Ook de Exif-gegevens van de andere beelden in de reeks gaven aan dat de foto’s genomen waren vier dagen de begrafenis.
Ze hoorde hoe iemand een sleutel in de voordeur stak. Vervolgens weerklonk er gehoest.
‘Shit! Tim!’ flitste het door haar hoofd. In paniek reikte Sylvie naar de knop van haar scherm en stootte daarbij de lege theekop naast haar klavier om. Hij rolde van haar tafel en viel met veel kabaal in wild wegspattende scherven uiteen op de vloer.
“Schat?” klonk het vanuit de hal.

[ wordt vervolgd - nog twee afleveringetjes to go ]

Camera Mystica

“Soms gebeurt het dat bij het overzetten van de foto’s niet alle bestanden worden meegenomen. Normaal gezien moet alles in orde zijn, maar op zeker spelen kan natuurlijk geen kwaad. Daarom kopieer ik vooraf eerst alles naar een DVD. Die krijgt u uiteraard mee.”
Sylvie nam de DVD van de verkoper aan. Het schijfje stak in een doorzichtige hoes.
“Dus… eh, als ik het goed begrijp, staan hierop alle foto’s die zich ook op de laptop bevinden?”
“Ja, allemaal. Het aantal foto’s was gelukkig niet immens groot. Indien u merkt dat er op uw harde schijf foto’s ontbreken, kunt u ze vanop deze drager eenvoudig terugzetten.”
“Nou, dat is erg fijn. Dankuwel.”
“Zonder dank. Vergeet uw nieuwe laptop niet, mevrouw.” De verkoper lachte haar minzaam toe toen hij zag dat ze aanstalten maakte om de winkel te verlaten zonder de aankoop.
“Oeps. Het lijkt wel alsof ik met mijn hoofd in de wolken loop. Sorry. En nogmaals bedankt.”
Sylvie nam de laptop van de toonbank, liet de DVD in haar tas glijden en spoedde zich naar buiten. ‘Oh! My! God!’ schoot het door haar hoofd, terwijl ze naar haar autosleutel zocht. Had ze werkelijk alle foto’s van Tim op een DVD? Die foto’s die hij al die tijd stiekem had genomen, die hij angstvallig vergrendelde met codewoorden en doodzweeg als de pest? Die foto’s had ze nu ineens allemaal op één enkel stom schijfje.
“Yes!” kreet ze luid, terwijl ze de sleutel in het contact stak. En uiteraard zou ze Tim het bestaan van het schijfje verzwijgen. Ze zette de wagen in zijn eerste en gaf plankgas.

“Op het eerste gezicht lijkt alles dik in orde”, glunderde Tim toen hij naar beneden kwam. Meteen nadat Sylvie was thuisgekomen, had hij de laptop geïnspecteerd. Daar was hij zowat anderhalf uur mee bezig geweest. Het was een ongeschreven regel dat hij dan liever geen pottenkijkers rond zich had, dus had ze maar wat aangerommeld in de keuken.
“Staan al je foto’s erop?” informeerde Sylvie langs haar neus weg.
“Ja. Wat eten we straks?”
Nee, Tim, het valt heus niet op dat je het onderwerp uit de weg gaat. Heus niet. Sylvie trok geërgerd een stuk keukenpapier van de rol en snoot haar neus.
“Kweenie. ‘k Heb nog niks voorbereid. Zal ik frieten halen? Of wil je liever…?”
“Laat maar. Ik moet toch meteen naar Geoffrey toe.”
“Oh? daar wist ik helemaal niks van af.” Ze gooide de papierprop in de pedaalemmer en staarde hem vragend aan.
“Niks speciaals hoor. Maar ik had Geoff beloofd om hem mijn nieuwe machine te laten zien van zodra ik ze had. Hij gaat uit zijn dak, ik zwéér het je.”
Tim verkneukelde zich zichtbaar op zijn op til staande ontmoeting met Geoffrey. Hij en Geoffrey. Altijd maar weer Geoffrey. Tim was de laatste tijd meer bij hem dan bij haar. Ze had er het raden naar wat die twee samen bedisselden. Eén keer had ze ernaar geïnformeerd. Toen had Tim haar toegesnauwd dat ze twee fotoamateurs zijn met grootse plannen. En dat ze het te zijner tijd allemaal wel zou zien.
“Dan eet ik wel een boterham.”
“Doe dat. Dag schat.” Hij kuste haar vluchtig op de mond en liep de hal in. Wat later hoorde ze hem de voordeur dichttrekken. Ze wachte nog even tot ze de motor van zijn wagen hoorde aanslaan en ging toen naar boven.

Chubby zoemde luid. Chubby was haar pc, een eenvoudige desktop. Ze had hem zo genoemd omdat hij verschrikkelijk dik afstak tegen de slanke laptop van haar man. En nu Tim een nieuw model bezat, zou Chubby zijn naam meer dan ooit eer aandoen.
Ze diepte de DVD uit haar tas op, opende de DVD-lader en legde het schijfje erin. Met een kort duwtje schoof ze het ding terug dicht. Daar was Tim altijd misnoegd over. “Die dingen hebben een knop waarmee je ze dicht kunt doen, Sylvie!”
Op haar scherm verscheen een schijficoontje. De DVD-speler was aan het opstarten.
Sylvie greep naar het pakje Marlboro op haar bureel. Zenuwachtig stak ze een sigaret op. Ze voelde zich als een veertienjarige die kon betrapt worden op masturberen. Indien Tim zou weten dat ze nu zijn foto’s in haar bezit had, zou hij woest worden.
“Laten we maar eens uitvissen waarom, Chubby.” Ze blies een wolk grijzige rook richting haar zacht zoemende vriend. Op het scherm sprongen talloze icoontjes van fotomappen open. Iedere map was netjes voorzien van een titel. De mappen waren bovendien alfabetisch gerangschikt.
‘Typisch Tim’, dacht ze terwijl ze dubbelklikte op de map ‘Expressions’ die helemaal bovenaan stond. Een twintigtal kleine fotootjes sprongen open.
“Dat zijn thumbnails, Chubby. Zie je dat? Daar moet ik op klikken om…”
De eerste foto gaf een oudere vrouw weer die haar nors aanstaarde. De rimpels om haar ogen waren diepgegroefd. Haar huid had een vaalgele teint.
“Maar… Maar enfin, dat is verdommer Aurélie. Hoe…?” Sylvie klikte op de foto waardoor die het maximumformaat aannam. Haar buurvrouw blikte haar nu zo mogelijk nog norser aan.
“Hoe heeft Tim Aurélie in ‘s hemelsnaam zo ver gekregen?”
Ook de tweede foto was er eentje van haar. Hierop lachte ze met open mond.
“Wow, Chub, onze Aurélie heeft nog welgeteld drie tanden. Maar kijk nu toch eens!” Sylvie schaterlachte. Aurélie stond genoegzaam bekend als een niet te benaderen vrekkig vrouwmens. Met niemand uit de buurt had ze contact. Voor zover Sylvie wist, had ze een dochter die nog maar mondjesmaat op bezoek kwam.
“Djie-zus!” Ze keek vol ongeloof naar een derde foto van Aurélie die nu, haar hoofd deemoedig gebogen, in profiel was getrokken. Haar ogen waren gesloten. Ze wist dat ze Tim hier nooit zou kunnen over aanspreken. Haar nieuwsgierigheid was echter verschrikkelijk gewekt door deze opnames.
Sylvie sloot de map ‘Expressions’ en dubbelklikte vervolgens op ‘Facial’. Die handeling toverde dubbel zoveel thumbnails als daarnet tevoorschijn.
Toen ze de eerste foto opende, leek het alsof alle lucht door een reuzenvuist uit haar longen werd geperst. Sylvie’s mond viel open.

[ wordt vervolgd ]

Kwekerij Epimedium: dollen met bollen

Oktober lokt bij velen een herfstdepressie uit. De dagen worden merkbaar korter en zulks werkt neerslachtigheid in de hand. Lusteloosheid, droefheid, vermoeidheid en prikkelbaarheid zijn in dezen de kernwoorden.
Bij mij ligt dat enigszins anders. De herfst maakt me happy en doet me bruisen van energie. Niet alleen de schitterende kleuren en de bedwelmende geuren van dit seizoen stijgen me naar het hoofd, ook de zin om aan te pakken bekruipt me. Lange wandelingen in feeërieke bossen! Kastanjes rapen en ze daarna poffen! Aanplanten, verplanten en bollen de grond in douwen! Kortom: najaarsvreugde. Als het niet regent, tenminste, want dat is helaas de keerzijde van de herfstmedaille.

Wat de bollen betreft: deze week trokken mijn madam en ik naar vasteplantenkwekerij Epimedium in Oostkamp. Gans de maand oktober – en mei voor wat het voorjaar betreft – staat aldaar in het teken van de bloembollen. Tussen het zeer ruime assortiment treft u ook minder gangbare specimen en tal van nieuwigheden. Bloembollen en vaste planten zijn dé gedroomde partners. Denk maar aan vogelmelk tussen Hosta’s en Alliums tussen siergrassen. Met bollen kunnen tevens de bloeiperiodes worden gespreid en ze nemen bovendien weinig plaats in.
Epimedium is een kleinschalige kwekerij waar nog echt een ziel in zit. Passie, kennisbegeerte en verwondering gaan er hand in hand.
“De planten die wij kweken zijn ten eerste planten die we zelf mooi vinden en zijn dientengevolge ook dikwijls een persoonlijke keuze. Ze moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen zoals een lange bloei kennen, voldoende winterhard zijn en weinig of geen steun behoeven”, aldus Daniëlle, de immer goedlachse drijvende kracht achter Epimedium. Daniëlle ken ik overigens al jaren. Als het op liefde voor planten en gedegen vakkennis aankomt, staat zij wat mij betreft met stip op één.
“Zoals de naam van de kwekerij doet vermoeden, is er ook een verzameling niet-alledaagse Epimediums te bezichtigen. Deze bloeien volop in april en mei en zijn van oorsprong afkomstig uit Japan, China en Korea. Onze verzameling telt nu 125 soorten waarvan een 35-tal in de verkoop. Aangezien de kwekerij gericht is op particuliere verkoop en niet op groothandel, worden er van elke soort slechts een beperkt aantal gekweekt. Daardoor zijn er soms soorten vlug uitverkocht of zijn niet alle planten op hetzelfde ogenblik voorhanden”, licht ze toe.

Wie de platgetreden paden der grote kwekerijen en tuincentra eens wil verlaten en bovendien tuk is op zo nu en dan een zeldzamere plant of een nieuwigheid in de wereld van de flora, kan ik een bezoek aan deze charmante stek van harte aanbevelen. De planten staan er in potjes vol liefde. Bovendien is het er nog gans de maand oktober bollenmaand in een speciaal daartoe ingerichte serre. Kortom: u moest al weg zijn!

*** Uitgebreide fotoreportage: KLIKKERDEKLIK! ***

Herbstfreude

“Vind je dat potje heide op de tuintafel niet wat, eh, potsierlijk? Het verdrinkt welhaast in het teveel aan ruimte.”
“Dat is eenvoud, schat. En eenvoud siert.”
“Eenvoud? Dat is willen en niet kunnen. Mag ik er eens een compositie van maken? Een ode aan de oprukkende herfst, zeg maar.”
“Een compositie? Dat klinkt gevaarlijk uit jouw mond. Maar oké, ga je gang. Wil je het wel wat sober houden?”
“Uiteraard. Your wish is my command.”

***

“Menck!”
“Ja?”
“Wat stelt dit in ’s hemelsnaam voor?”
“Een geheel eigen compositie. Ik heb ze Herbstfreude gedoopt. Knap, hè?”
“Het is maar wat je knap noemt. Ik dacht dat je voor eenvoud zou gaan? Tss, ik had het moeten weten, natuurlijk.”

Enfin, wat later kon ze er toch om lachen. Eenvoud wordt vooral vereerd door mensen zonder fantasie, had ik haar uitgelegd.
Dat ik me er weer eens stevig weet uit te lullen, had ze daarop geantwoord.
Maar mijn herfstcompositie mag blijven. Want hey, stiekem vindt ze ze toch wel geslaagd. Denk ik. Want toen God de vrouw schiep, had hij zonder twijfel ondoorgrondelijkheid voor ogen.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Water: een lethale kinderverleider

Water oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op peuters en kleuters. Bovendien beseffen ze niet dat onder water zijn gevaarlijk is – de zogeheten baarmoederreflex – en zullen ze, eens ze in het water terechtkomen, dan ook niets doen om boven water te raken.
Een kind zien verdrinken – en ik spreek uit ervaring, gelukkig met goede afloop – is het meest irreële en angstaanjagende dat er is: kinderen die verdrinken, zakken, in tegenstelling tot wat menigeen denkt, geheel geluidloos onder water zonder te roepen, te huilen of wild om zich heen te slaan. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat als iemand me vraagt om zijn of haar vijver af te schermen voor kind of kleinkind, ik die taak zeer ernstig neem. Hier primeert het functionele boven het esthetische. En laat nou net de esthetische kant van de zaak in veel gevallen voer voor discussie opleveren.
“Nee mevrouw, een net is echt geen goed idee. Dat buigt door. Ja, zelfs een staalnet of betongaas van vier millimeter dik dat vlak boven of onder het wateroppervlak wordt gespannen. Overigens: de maasopeningen daarvan zijn te groot; als kinderen daar met hun armpjes of beentjes tussenraken, zijn we nog veel verder van huis.”
“Nee meneer, een lage gaasdraad of een hekwerk met horizontale latten rond de vijver nodigt uit tot erover klimmen. Ja, kinderen doen zulks, geloof me. En een omheining van twee meter hoogte staat vast niet op uw verlanglijst.”
“Schrikdraad? U meent het, of wat?”

Bij een vijver gaan esthetiek en kindveiligheid zelden hand in hand. En dan opteer ik maar voor een zo tuinachtig mogelijke oplossing die toch een zekere garantie biedt: omheinen met natuurlijke materialen. Kastanjehout, bijvoorbeeld. Vind ik fraai. En bij een dergelijke afsluiting staan de spijlen verticaal zodat over de afsluiting klimmen wordt ontmoedigd. Het blijft echter voer voor discussie.
“Is er niks minder opvallend te verkrijgen? Dat oogt nogal, eh, zwaar.”
“Jeetje, zo duur!”
“Hoe moet ik met zo’n omheining nou mijn vijver onderhouden?”
“Het is precies een dierenpark.”

Ik adviseer mensen vaak om onmiddellijk (oog)contact met het water en diens fauna te voorkomen door rond de vijver lage of middelhoge beplanting te voorzien. Zulks is, doordat de vijver hierdoor niet in het directe gezichtsveld/omgeving van het kind ligt, een eerste barrière. Maar daarmee stopt het uiteraard niet. Een omheining blijft onontbeerlijk. Door de omliggende beplanting hoeft ze echter niet vlak tegen de vijver te worden geplaatst, zoals ik hier deed – lees: moest doen:

Esthetischer is het bijvoorbeeld op deze manier:

De toegang tot borders en vijver blijft behouden middels afsluitbare poortjes in hetzelfde materiaal:

Tenzij u met een stukken fraaiere doch minstens even veilige oplossing op de proppen komt, hou ik het voorlopig bij deze beslissing om kind en water gescheiden te houden. Maar nogmaals: er zijn vooralsnog geen weloverwogen toepassingen voorhanden waar zowel oog als gemoed rustig van worden.

[ Foto's 1, 2 & 4: Menck/Twaait | 3: Christof Vanpoucke ]

LovePrint

De oeroude en thans leegstaande gebouwen van de drukkerij-uitgeverij waar ik jarenlang mijn broeken heb versleten als corrector – en waar ik madam Menck leerde kennen! – worden een dezer dagen met de grond gelijkgemaakt. Voortaan huist het bedrijf in een eigentijds industrieel pand buiten de Brugse stadskern.
Doch alvorens er straks tot afbraak zal worden overgegaan, kreeg de voormalige hoofdwerkplaats voor één dag nog eens zijn eerdere – anno 1930 tot omstreeks 1942 – bestemming aangemeten: die van onvervalste Roller Disco Hall.
Aan deze plek kleven, althans wat madam Menck en ik betreft, magische herinneringen. Dit videootje heeft ze zonet weer allemaal opgerakeld, buikvlindertjes inclusief.

Trouwens: waar/hoe heeft ú uw partner eigenlijk leren kennen?

[ Muziek: The Peppers, 'Pepper Box' | 1973 ]

Het hebbeding

Fight fire with fire schoot het door mijn hoofd toen ik de corrosie zag verdwijnen door er met een dot staalwol over te wrijven. Na een tijdje was de oorspronkelijke glans welhaast helemaal terug.

Ach, heerlijke nostalgie. Op het einde van de sixties werd dit kleinood mijn absolute hebbeding. De oorspronkelijke kleur, pyjamablauw, genoot in die dagen niet bepaald mijn voorkeur wegens exact dezelfde als de deurtjes van de keukenkasten. Dat moest stoerder kunnen en dus vroeg ik mijn vader om het ding grijs te schilderen. Die wens van zijn bijna driejarige zoon werd prompt ingewilligd.
Toen mijn broer twee jaar later meermaals aan mijn mouw trok, “Nu ikke” sissend, wist ik: vanaf heden zou ik mijn bezit moeten delen. Zulks zinde me allerminst zodat er al snel slaande ruzie van kwam. Mijn vader greep uiteindelijk in en besliste dat ik te groot was geworden om hierover zo kleinzerig te doen. “Mij best”, repliceerde ik stoer, maar die avond lag ik lang te huilen in bed.
Na broer kwam zus. En ook zij nam, gedurende enkele jaren, gretig bezit van ons hebbeding. Ik lachte mijn broer uit toen ik hem zag pruilen. “Mietje!” verweet ik hem, nog voor dat woord in zwang raakte. Die nacht huilde hij in bed.

Ons hebbeding bleek onverwoestbaar. Er werd mee gesmeten, gerost, gecrasht en niet zelden lag het dagenlang buiten in de regen. Twintig jaar nadat mijn zus het niet langer opportuun vond om er nog op gezien te worden, doneerde mijn vader het aan de eerste spruit van mijn schoonzus en -broer. Later kwam het in handen van hun tweede dochtertje. Ondertussen werd het bestempeld als vintage en oogstte het tal van bewonderende blikken.
Zes jaar geleden kwam het hebbeding weer bij zijn allereerste eigenaar terecht. Ik stalde het op zolder, want er definitief afscheid van nemen kon ik niet. En wie weet kwam er wel een dag dat ik er nog iemand zou kunnen mee plezieren.
Die dag kwam. Vrienden bevielen van een zoon. En u raadt het al: ook hij matte ons hebbeding jaren aan een stuk joelend af. Waarna het hier terug op zolder belandde.
Vorige week heb ik het kleinood nogmaals opgevist. Een ander bevriend koppel heeft halfweg dit jaar de wereld verrijkt met een dochter. Ik heb haar mijn hebbeding beloofd als ze er rijp voor is. Eén hindernis, echter: het juweel van weleer was na bijna vijfenveertig  jaar zijn schittering volledig kwijtgeraakt. En zodoende werden de handen duchtig uit de mouwen gestoken.
Hoe een en ander in zijn werk ging, ziet u hieronder middels een korte foto-impressie. Pimp my ride, zeg maar.

Voor restauratie:

Kermit kwam erbij in de tijd dat mijn zus aan het driewielen sloeg. Die amfibie was toen hooglijk populair:

Het restaureren neemt een aanvang:

Blinken! Op het zadel bemerkt u, na enig vlakschuurwerk, ook het originele blauw:

Bloedrode hoogglanslak, saliegroene metaalverf en primer:

Na de primerlaag:

De uiteindelijke kleurencombinatie:

De toekomstige eigenares – die met de pamper! – kijkt begerig naar haar Harley Trapson in spe:

Trappertjes en naafuiteinden van dezelfde rode kleur voorzien en meteen ook maar een toeter gemonteerd.
To come: kleurige linten aan de handvatjes en een heuse gepersonaliseerde (mini)nummerplaat!

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Van roze wolken en paardenstaarten

“Dit is mijn hofje”, zei de bejaarde man toen hij het tuinpoortje openduwde. “Vrij klassiek allemaal, maar ik vertoef er graag. Bovendien is de tuin nogal onderhoudsvriendelijk.”
Hij klonk als een overjaarse nicht en maakte tijdens het praten wufte handgebaartjes.
Wat me direct opviel toen ik de tuin betrad, was het vele heermoes dat zich, ongetwijfeld in de loop van ettelijke jaren, heer en meester had gemaakt van de ene plantenborder die deze tuin rijk was. Wie zoveel ellende lustig op zijn beloop kan laten, maakt vanzelfsprekend sneller dan wie ook gewag van een onderhoudsvriendelijke tuin.
“Zin in een koffietje?” De man trok twee witte plastic stoelen vanonder een matglazen tuintafel.
“Als u het niet erg vindt: liever een frisdrank.” Ik pulkte ostentatief aan mijn T-shirt dat op verschillende plaatsen zweetvijvers vertoonde.
“Dat zal u inderdaad meer deugd doen dan een koffie, zie ik.” Hij slofte via een schuifraam de woning binnen. “Is cola goed?” hoorde ik hem kort daarna roepen.
Nee, liever een gin-tonic met vier ijsblokjes, graag. Maar ik antwoordde: “Cola is prima, dank u.”
Links in de border ontwaarde ik diverse roze wolkjes die oogstrelend oplichtten in de middagzon.
“Vindt u het goed als ik even een foto neem?” vroeg ik hem toen hij twee glazen cola op het tafeltje deponeerde. Ik wees naar de roze toefen.
“O, tuurlijk. Ze zijn erg uitbundig dit jaar, niet? Uitbundigheid, daar hou ik wel van”, kirde hij.
Ze verzachten alleszins de aanblik van uw heermoes, oordeelde ik onuitgesproken. “Ze hebben het hier overduidelijk naar hun zin, ja.”
“Helemaal hun baasje.” Er speelde een glimlach om zijn lippen terwijl zijn ogen zich een stonde in de mijne boorden.
‘Uiteraard,’ dacht ik, toen ik mijn camera ging halen. ‘Ze zijn al net zo roze.’

Herfsttijloos | Colchicum autumnale

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Afscheid van een kwakkelzomer

Half september.
De zomerse dagen zijn, althans als we de televisionele weerzeggers mogen geloven, ei zo na geteld; de herfst loert alreeds begerig om de hoek.
Wijl madam Menck afgelopen zondag het (w)ondergoed deed, trok ik, gewapend met 13 megapixels, de tuin in om u de laatste kleuren te kunnen presenteren. Er bloeit nog behoorlijk wat, zij het niet zelden in veel valere tinten dan tijdens de hoogdagen. (Al zijn die er helaas nooit echt geweest deze zomer, doch soit.)
Struint u even mee op de vermoedelijk laatste polychrome tuinwandeling van 2014?

[ Foto: Menck/Twaait | directe link naar de fotoreportage ]

Vergeefs vechten

“Ik denk dat u beter even gaat zitten, meneer Verbrugghe.”
“Slecht nieuws, dus.” Jean Verbrugghe liet zich langzaam en zwaar zuchtend op de bank zakken.
“Ik vrees van wel.”
“Zeg het maar. Het is te ver uitgezaaid, is het niet?”
“Ja.”
Er viel een pijnlijke stilte.
“Valt het nog te bestrijden?” Verbrugghes stem was niet meer dan wat amechtig gefluister. “Want ik sukkel er nu al zo verdomde lang mee en het wordt steeds erger.”
“Moeilijk. Het heeft tal van naastliggende organismen aangetast, er zich mee vergroeid, zelfs.”
“Die zouden dus eigenlijk…”
“… ook vernietigd worden, ja. Ik vind het heel erg voor u, meneer Verbrugghe.”
“Wat zal Yvonne daarvan zeggen?” Verbrugghe schudde zijn hoofd in ongeloof. “Hier samen nog zo lang mogelijk genieten: het was haar grootste wens. Maar nu is genieten niet meer mogelijk. Echt niet. Niet voor mij, niet voor haar. Bovendien kan ik er niet langer tegen vechten. Wil ik er niet langer tegen vechten. Het vergt teveel van me op mijn leeftijd.”
“Ik vrees dat u veel te lang gewacht heeft om me te contacteren, meneer Verbrugghe. In een vroeger stadium was uitroeiing zonder verdere schade nog mogelijk geweest.”
“Ik weet het, ik weet het.”
“Overweegt u toch nog maar eens mijn voorstel. Ik weet dat het een bijzonder drastische ingreep betreft, maar ik ben bang dat ze de enige optie is.”
“Ik ben echt geen voorstander van chemische bestrijding, dat weet u. Echt niet. Maar goed, ik zal er vanavond eens met Yvonne over praten. Veel keus heb ik niet, hè?”

We zwegen. Verbrugghe boog het hoofd. Ik nipte even van mijn koffie en staarde vanop de bank naar de compleet met heermoes overwoekerde siertuin van Jean en Yvonne.

Op slapen na wakker

Dat ze verdomme wéér maar eens last heeft gehad van nachtmerries, zegt ze.
Dat zulks nu al de derde nacht op rij is, klaagt ze.
Dat ze daardoor overdag zo moe is, emmert ze.
Dat het mogelijks door de warmte komt, pruilt ze.

Door de warmte?
Eh, ik denk het niet, schat.

[ Foto: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Aanmodderen met spijkerbanden

Afgelopen zondag om kwart voor halfzes ’s avonds…
… hoorde ik ineens een repetitief getik ter hoogte van het linker voorwiel van mijn bestelwagen. Mijn raam hing op halfstok teneinde wat gezonde steenweglucht te kunnen binnenlaten. En ook wel een beetje omdat madam Menck sigarettenrook in de cabine slecht verdraagt.
“Ik denk dat ik een keitje of zo heb opgepikt, schat. Hoor je dat getik ook?”
Ze boog zich in mijn richting, spitste de oren en concludeerde vervolgens: “Ik hoor niks.”
“Dan ben je doof,” gaf ik haar te kennen.
“Lijkt me logisch als je niks hoort,” meesmuilde ze gevat.
Ik gaf hier geen antwoord op doch drukte mijn raam helemaal open. “Hoor je het nu?”
“Nu hoor ik vooral heel erg veel windgebulder. Rij eens wat trager.”
Pas toen ik mijn snelheid tot een tenenkrommende dertig kilometer per uur had laten zakken, hoorde ze het getik ook.
“Een steentje, zoals je zegt. Dat floept er onderweg wel uit. Niks van aantrekken.”

Vijftien kilometer later was het getik er nog steeds.
“Ik word daar horendol van,” liet ik de helft van mijn bed met enige stemverheffing weten.
“Doe dan je raam dicht. Of focus je op iets anders.”
In de plaats daarvan dirigeerde ik mijn hok richting de grasberm. “Waar jij je toch druk om maakt,” zuchtte mijn madam toen ik uitstapte.
“Het is géén steentje, schat,” gaf ik haar luttele seconden later te kennen. Ik zat gehurkt naast het linker voorwiel. “Het is verdomme een spijker.”

Thans stapte ook madam Menck uit om poolshoogte te nemen.
“Wat een joekel,” constateerde ze ter plekke. “Die moet eruit.”
“Niks van. Dan ontsnapt de lucht. Nu houdt de spijker het gat nog dicht.”
“Straks krijgen we nog een klapband als je dat ding laat zitten.” Ze huiverde. “Ik zou hem eruit trekken. Er ligt vast wel een tang in de laadruimte.”
Om een lang verhaal kort te maken: spijker eruit, lucht prompt aan het ontsnappen, geen reservewiel voorhanden, garagist niet bereikbaar op zondag en dan maar Touring gebeld. Na anderhalf (!) uur was er een wegenwachter ter plaatse. Hij pompte de steeds platter wordende band wat op, dreef een soortement van wiek in het gat en liet die vervolgens smelten middels een bunsenbrandertje. Daarna werd de band weer vol lucht gepompt en klaar was kees.
Of ik mij nu ook maar even lid wilde maken van Touring, informeerde hij. Dat hoort zo, vulde hij aan. Of beter: dat moet zo, corrigeerde hij zichzelf snel. Daarbij knipoogde hij schaamteloos naar madam Menck.
We waren die avond +200 euro lichter – de strafmaat voor een noodgedwongen lidmaatschap – maar hey: we reden weer.

Afgelopen maandag om drie uur ’s middags…
… stap ik in mijn bestelwagen, schakel hem in zijn eerste en geef gas. Mijn auto maakt pas op de plaats. Reflexmatig tast ik naar de handrem. Die is los. Ik geef nogmaals gas en hoor mijn voorbanden spinnen.
“Fuck!”
Geënerveerd gooi ik de bak in zijn achteruit en geef opnieuw gas. Ik merk hoe de neus van mijn wagen naar beneden zakt. Ik draai het stuur naar links om op te trekken vanuit de tweede versnelling, draai onmiddellijk het stuur de andere richting op met de achteruitversnelling ingeschakeld, laat traag het gas opkomen, geef gas met een ruk, vloek en zweet, klop op mijn stuur en leg de motor stil.
“Je kunt zonder problemen het speelpleintje oprijden en zo de te scheren haag bereiken,” hoor ik mijn klant van die dag nog zeggen. Zonder problemen? Dat is: als augustus niet zo’n kutregenmaand was geweest. Ik had het kunnen denken. Ik had het moeten denken.

Is er een boer met een tractor in de zaal? Wil er nu meteen een tweede John Massis opstaan, alstublieft? U zegt? Dat dit een godvergeten gat is? Ja, ik had al zo’n vermoeden.
Ik bedelde om twee planken bij mijn opdrachtgever. Die plaatse ik vlak voor beide voorwielen. Daarna herhaalde ik mijn wegrijdmanoeuvre, doch met het zelfde resultaat: een surplace met wild in het rond vliegende modderspatten. Inwendig bereikte ik stilaan het kookpunt.
Enfin, om een lang verhaal weer maar eens kort te maken: Touring. Deel twee.
Het was dezelfde wegenwachter en hij herkende me meteen. “Zo, dat is een snel weerzien,” grinnikte hij terwijl hij mijn noodtoestand monsterde. “Maar geen probleem hoor, met de lier help ik u hier op een wip en een scheet uit.” En zulks geschiedde.
Ik bedankte de vriendelijke ridder en reikte hem de hand.
“Zonder dank, meneer. Daar zijn we voor.”
Vlak voor hij zich in de cabine van zijn vrachtwagen hees, gooide hij me nog een opgewekte “Enne… tot morgen?” toe.
Ik kon me nog net inhouden om hem een klodder modder naar het hoofd te gooien.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]