Tuincreativiteit (be)loont!

Laat ik eens een open deur intrappen: een tuin(gedeelte) (laten) aanleggen met de knip op de beurs is een regelrechte utopie. Voor plantgoed dient u heden diep in de buidel te tasten, ongeacht de soort of grootte. Ook voor de aanschaf van harde materialen zoals bestrating, een pergola, een tuinberging, tuinschermen en dies meer, moet u vaak een rib uit uw lijf neertellen.
Zelf probeer ik al jaren om de betaalbaarheid van het tuingebeuren enigszins binnen de perken te houden. Een snufje creativiteit, een weinig inventiviteit en wat verbeelding kunnen in dezen wonderen doen.

Omdat dit logje wat lang is uitgevallen, heb ik er een aparte pagina met veel fotomateriaal aan gewijd. U vindt ze hier of op de homepage onder de header van dit blog.

Prik met gevolgen

Van 30 januari tot en met 12 februari van dit jaar heeft het gevroren, zowel ‘s nachts als overdag. 2012 belandt hiermee op de vierde positie wat betreft het grootste aantal opeenvolgende ijsdagen sinds de eerste meting in 1833. De begeleidende sneeuw was de kers op deze bitterzoete ijstaart.
De gevolgen van zulk een stevig uit de kluiten gewassen winterprik zijn in ieder geval al zichtbaar in mijn tuin. Voor het eerst in hun veertienjarig bestaan hebben de helleborusbloemen het loodje gelegd. Een wederopstanding zit er voor dit seizoen alvast niet meer in: de stengels zijn finaal tot moes herleid.

Een pak erger is het gesteld met een aantal hebe’s. Mijn fout, geef ik grif toe. Hebe is wintergroen maar niet altijd even wintervast. Langdurige strenge vorst kan ze dus nekken. Toch heb ik de hebe’s sinds ze in de tuin staan – sommige soorten al sinds eind jaren ’90 – nooit voorzien van een winterbescherming. Al die jaren geen centje pijn, maar na de recente ijsdagen bestaat de kans dat ik enkele uitermate groot gegroeide specimen ter compostbak zal mogen bestellen. Zo lijkt het vandaag in ieder geval, maar ik hoop, gezien hun forse leeftijd en omvang, op een wederopstanding.

De Hebe addenda ‘White Princess’ ziet er allesbehalve groen uit:

Ook de nochtans vrij winterharde Hebe pinguifolia kreeg het hard te verduren:

En deze sukkel bezorgt me je reinste hartkloppingen:

Als ik u meegeef dat ze er binnenkort moeten uitzien zoals onderstaand, dan weet u meteen dat ik er geen goed oog in heb.

De Photinia fraseri ‘Red Robin’ en de Choisya ternata ‘Aztic Pearl’, toch ook niet bepaald als bijzonder winterhard te boek staand, hebben dan weer niks van hun glans verloren. Begrijpe wie kan.

[ Foto's: Menck ]

99,5 % lurkers (*)

Met mijn Handycam had ik een paar uur gefilmd. Daarna sloeg ik als een bezetene aan het selecteren, knippen en monteren. Dat resulteerde in een kortfilm waar ik best wel trots op was. In elkaar overvloeiende muziekjes eronder en al. Vervolgens polste ik bij mijn vrienden en kennissen of er interesse was om mijn kleinood te komen bekijken.
Die avond zat er niet min dan twintig man rond mijn tv-scherm. De film werd gestart. Gedurende een klein halfuurtje verdronken veertig ogen in het beeld en geluid en viel er geen woord.
Na de film stonden negentien mensen recht, hun gedachten nog steeds bij wat ze gezien hadden. Ze verlieten stilzwijgend mijn woning.
Eén iemand bleef echter zitten, draaide zijn hoofd in mijn richting en gaf vervolgens zijn mening over wat ik in elkaar had gebokst. Hij stond stil bij de pro’s, maar schuwde geenszins de contra’s. Toen ook hij mijn woning had verlaten, bleven mijn gedachten nog lange tijd hangen bij wat hij me verteld had.

Bovenstaand stukje is pure fictie, beste lezer. Ik bezit geen Handycam en heb evenmin ambities als cineast. Maar het toont wel aan wat ik de laatste tijd ervaar op dit blog.
Het gros van de bezoekers handelt als de negentien mensen uit mijn fictief schrijfsel. Hun aantal groeit bovendien gestaag. Die ene mens die wel uit zijn pijp kwam, wordt gaandeweg een zeldzaamheid.
En ik?
Ik blijf enigszins verweesd achter, niet wetende wat ik ervan moet denken.
Weet u het?

De gluurders:

De reaguurders (inclusief 2 comments van mezelf):

(*) Een lurker is een persoon die alleen meeleest/-kijkt, maar zelf niets bijdraagt.

Minifloraliën

Als madam Menck haar hart niet in de tuin kan ophalen wegens de streng heersende koning winter, dan stilt ze haar floristische honger binnenshuis.
Bloemstukjes!
Boeketten!
In potten, vazen en stolpen!
Zulks doet ze met bijzonder veel verve na ondertussen alweer drieënhalf jaar creativiteit in een gerenommeerde bloemen- en plantenzaak waar leergierigheid en onverdroten enthousiasme ten zeerste op prijs worden gesteld.

Doch laat ik eerst even terugwandelen op de tijdslijn, want ooit vulde mijn madam haar winteravonden compleet anders op. In het begin van onze relatie was ze hobbymatig namelijk een pottenbakster. Haar afgewerkte producten waren – het mag gezegd – best wel fraai, maar de aanloop ernaartoe kenmerkte zich door smerigheid: knoeien met kleffe klei, kwalijk klevende kledders kleurstof en schrikbarende salvo’s stof vlogen in het rond als waren het vliegen rond een tien dagen oud kadaver. Kromgetrokken vergelijking, doch soit. Na een paar jaar riep ze dit stokpaardje een halt toe en verkocht ze haar draaischijf en al haar pottenbakkersproducten.

Daarna sloeg ze aan het breien. Want breien was ineens de nieuwe hype, het nec plus ultra der hobby’s. Trouwe lezers van mijn vorige blog(s) zullen zich haar wolcapriolen nog wel herinneren. Menig winteravond vulde de woonkamer zich met het behaaglijke gerikketik van madams naalden. Ze breide truien, sokken, jasjes, beertjes, dekens, mutsen en sjaals. Ze vergat haar tv, haar boeken en de tijd. Ik beschik thans nog over minstens een dozijn niet tot nauwelijks gedragen truien en jackets in de meest uiteenlopende modellen en kleuren, allen vervaardigd uit vingerdikke woldraad waar men zonder problemen een corpulente volwassen mens zou kunnen mee ophangen. Alleen te dragen bij min twintig of kouder, kortom. Maar ’t was fun. Toch voor een tijdje. Want heden is er in gans onze woning geen naald of breibol meer te bespeuren. Einde hoofdstuk, tijd voor iets nieuws.

En dat nieuws ligt ‘toevallig’ geheel in de lijn van haar job: lekker creatief wezen met flora ter algehele verfraaiing van de woning. Dat ze bij de bron zit, maakt het bovendien allemaal wat toegankelijker; de ‘ingrediënten’ zijn te allen tijde volop voorhanden. Maar ze zoekt haar heil eveneens in eigen tuin: bladhoudende heesters, rode en groene cornustakken, helleborusbloemen, toverhazelaar, sierappels en dies meer vormen het attractieve hart van de winterlochting.
Om kort te gaan: ik laat u wat meegenieten. Zonder verdere woorden. Of toch misschien deze reclameslogan van weleer: bloemen houden van mensen, haal ze in huis!

[ Foto's: Menck | aanklikbaar voor groter - klik vervolgens op 'permalink' voor een nóg groter exemplaar ]

Ice injection

Starten was geen probleem, maar rijden bleek een ander paar mouwen. De motor hikte gedurig, waardoor ik schoksgewijs vooruitkwam. Gas bijgeven resulteerde in een stevige njet; het nukkige dieselblok sloeg af. Ik startte mijn wagen opnieuw en met wilde bokkensprongen keerde ik vervolgens tegen een duizelingwekkende tien kilometer per uur huiswaarts. Door als een bezetene het gaspedaal te manipuleren, voorkwam ik dat de motor opnieuw afsloeg. Toen ik na deze dolle rit op mijn oprit parkeerde, gaf de krachtbron finaal de geest. Ik stapte uit en sloeg luid sakkerend het portier met een harde klap dicht. Er viel een ijspegel van de spiegel.

“De diesel is bevroren,” concludeerde mijn garagist via de telefoon. “De paraffine erin begint te stollen en gaat uiteindelijk vlokken. Je hebt je gegarandeerd laten bedotten, Menck. Bij een flutmerk getankt waar nog geen winterdiesel verkrijgbaar was, misschien?”
“Bij Esso,” sprak ik hem tegen.
“Hm, vreemd. Er zal niks anders opzitten dan je wagen in een warme garage te stallen om zo de mazout te laten ontdooien. Als dat gebeurd is, kap je maar beter meteen een winteradditief in je tank.”

Ach zo, in de garage? Mijn garage al eens goed bekeken? Na de grondige opruimactie vorig jaar, is ze thans weer verworden tot wat elk verstandig denkend mens een stort zal noemen. Mijn garage is mijn tuinhuis bij gebrek aan een écht tuinhuis, zeker ‘s winters. Ze op een wip en een scheet leegmaken is misschien in theorie haalbaar, maar is in werkelijkheid zo goed als uitgesloten. Waar moet ik met zoveel spullen naartoe? Al mijn machinerie, om maar eens iets te noemen. In de tuin stockeren? ’t Vriest verdorie de stenen uit de grond. En de rest van mijn woning is sowieso te klein en te volgepropt.

Ondertussen zit ik wel zonder transport. Een stevige streep door mijn weekplanning, zoveel is zeker. Ik kan enkel maar hopen dat de dooi spoedig intreedt. Volgens Hagedoren en Deboosere zal dat zich niet voor het weekend manifesteren. Fijn vooruitzicht. Dan stopt een mens al eens een tijger in zijn tank, blijkt het een Siberische te zijn. Toeme toch.

‘Doe het zelf’-vijver in twee dagen: kan dat?

Om kort te gaan: ja, dat kan.
Van A tot Z, zelfs.
Dat bewezen mijn maat en ik, samen met een Chinese vrijwilliger, vorig jaar in de zwoele aprilmaand. Drie mensen, twee dagen, één doel.
Ik denk er aan terug nu ik, vanuit mijn bureel, de zon het beste van zichzelf zie geven. Buiten vriest het weliswaar de stenen uit de grond, maar binnen is het behaaglijk warm. Op mijn schoot spint een poes, in mijn hoofd spookt de lente. Als expressie van mijn verlangen. Als mijmering over hoe ze zich vorig jaar prompt als zomer aankondigde. En zo bleef tot aan de eigenlijke zomer die jammer genoeg veeleer de herfst incarneerde.

De ingrediënten voor onze onderneming waren beperkt. Daar stonden we op. Drie spaden, twee kruiwagens, één bak bier. Geen gedoe met dure graafmachines, al dan niet gehuurd. We zworen bij pure mankracht. ‘t Mocht iets kosten, maar weggegooide centen waren sowieso taboe.
We legden onszelf tevens, enigszins noodgedwongen wegens een drukke periode destijds, een tijdslimiet op: twee volle dagen.
Er werd gemeten en een plan geschetst. Zo ontstond er op papier een vijver van zowat zeven bij drie meter met een maximale diepte van een meter twintig. Daar past, gelooft u me maar, een massa water in.

Laat ik u door middel van wat foto’s deelgenoot maken van hoe we te werk gingen.

Het graven gebeurde, zoals reeds eerder aangehaald, manueel. Dat was meteen de moeilijkste klus. We stootten aanvankelijk op tal van stenen en werden later uitgelachen door een schier ondoordringbare kleilaag. De koperen ploert geselde daarbij onze lijven ongenadig.
We beschikten over twee kruiwagens: een exemplaar dat als dusdanig mocht worden bestempeld en een specimen dat eigenlijk geen kruiwagen maar een een soortement van plastic bladcontainer op twee wielen was. Soit, er kon aarde in:

Na het graven werden piketten uit kunststof (rotvrij!) netjes waterpas ten opzichte van elkaar geplaatst. Daar komen in een later stadium latten tegen waaraan de folie wordt bevestigd.
Aan de terraszijde hadden we pech: de piketten dienden in de onderliggende beton te worden verankerd. Dat betekende slijpen, boren en schroeven:

Het bevestigen van de kunststof boordlatten is een secuur werkje. ‘Waterpas’ is in dezen het codewoord:

Als eerste laag wordt er een viltdoek in de “vijver” aangebracht. Dat voorkomt dat stenen of andere scherpe voorwerpen door de folie heen dringen:

Daarna wordt de vijverfolie gelegd. Het is een trek-, schuif- en sleurwerkje dat – letterlijk – op kousenvoeten dient te gebeuren:

Eenmaal de folie op zijn plaats ligt, kan de vijver worden gevuld. Zulks gebeurt bij voorkeur met water:

Einde van dag 1.
Gedurende dag twee werd de vijver afgewerkt. De randafwerking bestond uit blauwsteen op een bedje van cement:



De plantbedden worden omgespit en voorzien van compost:

De vrouw des huizes begon meteen aan te planten:

Einde dag 2. We sloten af met een barbecue.

De filter werd later geïnstalleerd. Als ‘waterval’ werd een poutrel voorzien.
Net onder het wateroppervlak heeft mijn maat voorlopig een staalnet gehangen om te vermijden dat zijn kinders kopje onder zouden gaan:

[ Foto's: Menck | A. Sinnaeve ]

Op het eerste gezicht: februari

Het fijne initiatief van groenblogster AnneTanne, om op de eerste dag van de maand, of zo kort mogelijk daarna, een of meer foto’s te posten van uw tuin vanuit dezelfde invalshoek(en), kon in januari op aardig wat bijval rekenen.
Ook deze maand schiet ze opnieuw uit de startblokken. Intekenen is de boodschap!

Wat mijn tuin betreft: vorige maand presenteerde ik u in bovenstaand kader nog deze fotoreeks. Maar begin februari is er echter te weinig veranderd om u reeds significante verschillen voor te schotelen. Anders gezegd: de tuin ziet er heden quasi eender uit. Ik verwijs u dan ook met graagte nog eens naar januari.

Dat er zich echter wel al een en ander roert, kon u hier reeds merken. Doch dat zijn veeleer detailfoto’s. Details die u op de overzichtsbeelden van ‘Op het eerste gezicht’ helaas nauwelijks of niet zou ontwaren.
In maart breng ik u wél een update; tegen dan zal de evolutie zich al veel duidelijker gemanifesteerd hebben.

Zei daar iemand winter?

All’s well that ends well: na een kutweek van koorts, kwelling, kou en kersenpitkussentjes is de griep geweken. Uitgeweken, vermoed ik. Naar al de brave zielen die me een ziekenbezoek brachten, haha. Sterkte, kinders.

Vandaag (lees: gisteren) zette ik voor het eerst sinds afgelopen weekend weer voet in de tuin. Frisse lucht! Een knuffelende koperen ploert! Schreeuwende meeuwen, kittige katten en zelfs een meute malle muggen!
Het was tevens mijn opzet om, benevens de bovengenoemde geneugten, te genieten van de thans reeds bloeiende winterflora. Daarbij hield ik uiteraard mijn digitaaltje in de aanslag.

Of er al iets te bespeuren viel?
Welaan dan: in een kleine twee dozijn foto’s maak ik u er deelgenoot van. Martel uw muis, gij allen, want enig scrollen lijkt me aangewezen als u mijn aangeboden winterse tuintrip ten gronde wil beleven. Sluit na afloop uw ogen en denk nog slechts aan één iets: de lente.

Het gewone sneeuwklokje ofte Galianthus nivalis:

Winteriris (Iris reticulata ‘Harmony’):

Helleborus argutifolius:

De anderhalve meter hoge Euphorbia characias (Wolfsmelk) houdt zich klaar om open te poppen:

De Hemerocallis ‘Pink Damast’ (daglelie) komt al gluren:

Ook de Helleborus niger (Stinkend nieskruid) is van de partij:

Geen enkele winterbloeiende heester/miniboom geurt zaliger dan de Chimonanthus praecox (winterzoet of meloenboompje). Iedereen heeft dezer dagen de mond vol over de toverhazelaar, terwijl dit geheel onterecht ondergewaardeerde boompje hem op menig vlak toch danig overtroeft:

De winterbloeiende Clematis cirrhosa ‘Freckles’ is nog steeds van de partij:

Ik krijg er maar geen genoeg van: de Helleborus:

De schoenlappersplant (Bergenia cordifolia) staat er prachtig bij:

Uitzonderlijk: in de vijver worden al nieuwe waterleliebladeren gevormd:

Een dapper winterviooltje ontwaakt:

Vlammend rood in de avondzon: de Malus ‘Red Sentinel’ (sierappel):

Al sinds juni op post. Dit is het eerste jaar dat ik de rozen zo lang weet bloeien én nog steeds nieuwe knoppen vormen:

Nieuw sedert vorig jaar: de manshoge en onverwacht groenblijvende Melianthus major. De plant heeft zogezegd winterbescherming nodig. Yeah, right:

Klaar om binnen een maand of twee open te spatten: de Rhododendron Catawbiense grandiflorum (paarsbloeiend):

En yep, ik zei u toch al dat er vandaag een meute malle muggen aanwezig was. Me prikken hebben ze evenwel niet gedaan. Gewillig poseren evenmin:

[ Foto's: Menck - 27/01/2012 ]

Jansalieachtig

Op Twaait is het, geheel contradictorisch, al een tijdje windstil. Ik zit, in tegenstelling tot de abusievelijke bewering van enkele insolide speculanten, niet in het zonnige zuiden, heb het allerminst ontzettend druk en ben evenmin van plan om de handdoek in de blogring te gooien.

Een virus is de schuldige mijner inactiviteit, beste lezer. Die kwalijke kwelgeest heeft deze keer niet mijn pc doch helaas wel mezelf besmet. Maandag laatstleden zag mijn toestand er ‘s morgens nog zo uit:

Yep, een griep onder de leden.
Don’t worry: ik heb snel hoge koorts. Volgens mijn huisarts duidt zulks op een degelijk werkend afweersysteem. En dat kan kloppen, want amper vier dagen later, zijnde vandaag, balanceer ik alweer op de grens tussen ‘nog een beetje ziek’ en ‘genezen verklaard’, daarbij sterk overhellend naar het laatste. Nog voor de haan driemaal kraait, zal ik me alweer kiplekker voelen. Of iets van die strekking.

De afgelopen dagen heb ik geleefd op soepjes en thee, beiden lichtjes aangelengd met tabasco wegens smaakpapillen die het wat lieten afweten. Soep met tabasco: een aanrader van jewelste! Wat de thee betreft: it’s a no-go.
Daarnet heb ik eindelijk weer eens een gedegen maaltijd verdonkeremaand. Frieten met stoverij. Alsof de hemel in mijn maag nederdaalde. Of dat een goede start was, weet ik zo nog niet. Want als u me nu wilt excuseren: ik moet dringend gaan kakken.

Twijfel in kinderschoenen

“Tussen ons gezegd en gezwegen: wees blij dat je geen vader bént geworden. Je had en hebt de roeping niet, het ontbrak je aan de feel en de verantwoordelijkheid, en je opvattingen over een vrije opvoeding weken – wat zeg ik: wijken – teveel af van wat daar werkelijk mee bedoeld wordt.”
Aldus mijn moeder. En ze vervolgde:
“Het leven is teveel een spel voor jou, een avontuur welhaast.”
Ik wilde protest aantekenen, maar ze ging onverstoord verder.
“Een dagje met Eline en Céleste naar het strand en daardoor vaderlijke gevoelens ontdekken, maakt van jou nog geen vader. Vader zijn is een besténdige opdracht, Menck, geen interim waarin je tijdelijk, als in een voorbijgaande opstoot van overweldiging, zoals je die wel vaker hebt, eventjes volop je ziel legt.”
Eline en Céleste zijn onze petekindjes, überschattige snotneuzen van respectievelijk zeven en negen.
“Maar ma, ik…”
“Meneer wilde een vrijbuiter zijn. Ook toen hij de eerste keer trouwde. Zelfs nadat zijn huwelijk op de klippen was gelopen, is hij niet…”
“Mijn huwelijk is daardoor niet op de klippen gelopen, en dat wéét je!”
“Doet er niet toe. Nu je halfweg de veertig bent, hoef je ook geen vadergevoelens meer te ontwikkelen. Je had er beter aan gedaan om wat vroeger volwassen te worden. En bovendien…” Ze hapte even naar adem. “…heeft Katrien het ook nooit in zich gehad om moeder te worden.”
“Wil je nu alsjeblief dat fulmineren een halt toeroepen? Heb ik nu gezegd dat ik vader wil worden, misschien? Dacht het niet.”
“Je zei toch dat het je spijt dat jullie geen kinderen hebben?”
“Sóms, zei ik. Maar dat impliceert toch niet dat ik nu ineens een prangende kinderwens zou hebben? Dat maak jij daar van. En bovendien: ik zou wél een goede papa geweest zijn.”
“Niet zoals je was en bent. Niet.”
“Een kind verandert een mens.”
“Ach jongen, toch. Aanvankelijk misschien wel, ja. Maar na een tijdje word je toch weer jezelf, geloof me. Het is zoals met een ongelukkige mens die de lotto wint: een tijdlang zal hij euforisch rondlopen, maar daarna wordt het weer gewoon een ongelukkige mens.”
“Beetje scheefgetrokken vergelijking, vind je niet?”
“Je begrijpt best wat ik ermee bedoel.”

Er viel een stilte die wat onaangenaam aanvoelde.

“Nog wat koffie?” opperde ma tenslotte.
“Doe maar.” Ik schoof mijn kopje over tafel in haar richting.
“Ken jij trouwens Evelyne?”
“Is dat niet jullie nieuwe overbuurvrouw?”
“Ja, die.”
“Waarom vraag je dat?”
“Ze is in verwachting.”
“Mááááá!”

19 in flarden

  • Er kroop plots een verregende jongeman onder ons plastic zeil. Hij rook naar wierookstokjes. Het bleek een Nederlander. “Mag ik schuilen bij jullie?” Dat mocht. We waren inschikkelijk toen, zelfs al zaten we hierdoor ineens met zijn zevenen opeengepakt. Veertien opgestoken armen hielden het plastic hoog en lieten plasjes balanceren boven onze hoofden. “Gesjellig. Allemaal Belgen?” We knikten maar zeiden niks. “Iemand een biertje?” probeerde hij nog. Toen er opnieuw geen antwoord volgde, staakte hij zijn conversatiepogingen en stak een sjekkie op. Dra vulde de enge ruimte onder het zeil zich met bedwelmend zoete dampen. “Ik word precies mottig”, zei Stefaan na luttele ogenblikken. “Ja maat, die Hollander komt ons hier lamroken met zijn joint,” antwoordde Conny. Ze zei het in het plat Brugs. De Nederlander draaide zijn hoofd verward in haar richting en botste op het gif in haar ogen. “Misschien moet ik dit maar effe buiten doen.” Zes hoofden knikten naar hem, waarna hij zijn deel van het zeil van zich afgooide en zwaar zuchtend de plensbui indook. De plassen boven ons klotsten thans vervaarlijk maar we hielden het droog. Vijf minuten later scheen de zon opnieuw in volle hevigheid.
  • Met papierkleefband sjorden we bamboestengels aan elkaar tot we een stok hadden van ruim vijf meter lang. Leen en Conny bevestigden de vlag aan de top van onze geïmproviseerde mast en fixeerden ze met repen tape. Vlag was een groot woord: een stuk wit laken met daarop in zwarte verf ‘B52’ geschilderd, de naam van ons jeugdcafé, moest ervoor doorgaan. Daarna duwden Stefaan en ik de stok voldoende diep in de vochtige grond en trokken vervolgens richting drankenstand. “See you at B 52!” riep Leen ons na. “Elk een pínt hé, Menck. Geen cola meer voor mij.” Ik stak mijn hand op maar keek niet om.
  • “Zie jij den Jim?”
    “Absoluut.”
    “Mag ik in je nek zitten?”
    Ik hurkte neer en boog voorover. Leen sloeg haar linkerbeen over mijn hoofd en dirigeerde mijn hoofd tussen haar dijen. “Ja, doe maar.”
    Ik richtte me wat wankelend op. Ze giechelde en trok aan mijn haar. Daarna begon ze luidkeels mee te zingen. “Wow, Menck, ik heb hier een fan-tas-tisch uitzicht. En ik zie den Jim, jong!” Ze slaakte een uitgelaten gil.
    Terwijl ze zong, sloot ik een wijl mijn ogen. Haar zachte, warme dijen tegen mijn hals stuurden een intense gloed naar mijn liesstreek.
  • “Waar zijn de andere vier?”
    “Gaan pissen, geloof ik. Ze komen wel op onze vlag af, don’t worry.”
    “Die zullen zeiknat worden in zo’n hoosbui.” Ik schikte het plastic zeil wat beter over ons tweetjes.
    “Toepasselijke woordkeuze, Menck.” Ze ging op haar rug liggen en trok haar knieën op. Ik installeerde me genoeglijk naast haar.
    “Die bassen klinken compleet anders onder zo’n zeil, vind je niet? Ik voel ze hier.” Ze schoof haar hand onder mijn T-shirt en liet hem rusten op mijn navel. Daarna draaide ze haar hoofd naar het mijne.
    The Simple Minds zetten ‘Theme For Great Cities’ in toen ik voor het eerst mijn lippen op de hare drukte.

“Hey Menck,” riep mijn madam. “Je valt stil. Is er iets?”
We wandelden langs de wei.
“Alles kwam ineens terug.”
“Wat kwam er terug?”
“Ach, laat ook maar.” Ik sloeg mijn arm om haar middel en we stapten verder. Het was in 1986, schoot het nog door mijn hoofd.

Taste of Trix

Ons kleine land is groot in zaken die smaken.
Chocolade.
Wafels.
Frieten.
Bier.

Ons kleine land is groots in zaken die smaken naar méér.
Dit.

Eén verorbering en al meteen shivers down my spine.

Op het eerste gezicht: januari

Tegen een fijn initiatief zeg ik zelden nee. AnneTanne, een blogster wier vingers al sinds mensenheugenis de kleur van vers gras hebben aangenomen, lanceerde alhier een oproep waar ik dientengevolge dan ook met graagte op inga.

Neem een jaar lang, aan het begin van elke maand, één of meer foto’s van uw tuin vanuit dezelfde hoek.

Mooi, want op die manier zal ik gedurende twaalf maanden de veranderingen mijner flora kunnen documenteren en die met u delen. Zulks wordt nog eens een hele klus, aangezien de tuin zich rondom de woning situeert en opgedeeld is in zogenoemde ‘kamers’. Eén generaal beeld volstaat deswege niet, wat maakt dat ik u meeneem op een virtuele wandeling aan de hand van een stuk of wat prenten.

Trek uw jas aan en volg me; ik leid u vandaag doorheen de januarilochting.

Facing the facts

Ouder worden betekent niet noodzakelijk lelijker worden. Een kennis van me is er met de jaren beter gaan uitzien. Mannelijker, vooral. Hij verloor aanzienlijk wat gewicht, sloeg intensief aan het sporten en zweerde het roken af. Hij liet zijn haren anders coifferen, nam een zonnebankkuur en straalde ineens bakken zelfvertrouwen uit. Zijn veertigste verjaardag – tweeënhalve maand geleden – was naar eigen zeggen het moment van de grote ommekeer. En van een vriendin, een sensatie waar hij voordien zo goed als van verstoken bleef. Kortom: hij glunderde. En ik met hem.

“En jij, Menck? Hoe zit jij in je vel tegenwoordig?”
Hij nam een slok van zijn Grimbergen. Ik klokte een geut Leffe naar binnen. Achter ons steeg bulderend gelach op. De muziek stond luid. Het café was drukbevolkt en rook naar verschaald bier en driedagenzweet.
“Ik heb me al beter gevoeld, Stef. Ik heb er zelfs al beter uitgezien. Veel beter, eigenlijk.”
“Het goeie leven, hè.” Hij wreef plagerig even over mijn buik die een paar jaar geleden een stuk minder vigoureus over mijn ceintuur bolde.
“Ik zou dat niet bepaald het goeie leven noemen, eerlijk gezegd. Een gebrek aan karakter, eerder dat. Maar kom, ik klaag niet.”
“Waarom zou je klagen? Goed gerief hangt onder een afdak, vriend.” Er voltrok zich een grijns op zijn gezicht.
“Hear, hear. De man die, hoeveel was het, zeventien kilo afviel?”
“Negentien en een halve kilo. Maar hey, dat was pure noodzaak. Als je waar aan het gezicht wordt onttrokken, bieden er zich geen kopers aan.” Een knipoog volgde.
“Kathleen?”
“Yep, Kathleen.”
Hij ledigde zijn Grimbergen, stak twee vingers op naar de barman, en schoof zijn glas naar de uithoek van de tafel.
“Dat doe je altijd al, je lege pint zo ver mogelijk van je wegduwen. Leg me nu eindelijk eens uit waarom.”
“Da’s de zonde die ik van me afduw. Hierdoor…” Hij wees even naar het glas. “…werd ik destijds zo’n bol ventje.”
“Ach, kom. Dáárdoor werd jij zo’n bol ventje.” Ik wees richting het raam naar de tegenoverliggende McDonalds. “Met gerstenat was je nimmer erg scheutig, en dat weet je.”
“Een fastfoodjunk ben jij alvast nooit geweest, Menck.”
“Je doelt op mijn ‘goeie leven’-belly?”
“Ik constateer slechts. Niks meer en niks minder.”
“Ik ben bijna vijf jaar ouder dan jij, Stef. In vijf jaar kan er veel gebeuren.”
“I know. In vijf jaar ís er ook veel met me gebeurd.”

De serveuse, een ranke brunette met een gezichtje waarvan het poolijs terstond zou ontdooien, arriveerde met een Grimbergen en een Leffe.
Terwijl ze de drankjes op ons tafeltje neerpootte, hield ze Stefs blik enkele seconden vast. Achterin het café werd haar naam gescandeerd en ze vertrok.
“See?” meesmuilde Stef.
“Och, man, ze is minstens twintig jaar jonger dan jij.” Meteen realiseerde ik mijn flater.
“Hiermee speld je me een medaille van jewelste op, weet je dat?”
“Stoefer.”
“Jaloerse bok.”
Er volgde een stilte.
“Maar ze had kromme benen, Menck. Zag je dat?”
“Ja. En haar borsten waren ook niet meteen om over naar huis te schrijven.”
“Hangers.”
“Hangers.”
“Een kind om rap te vergeten.”
“Yep.”
Ik hief mijn glas. “Op alle lelijke wijven?”
“Op alle lelijke wijven. Mét goede smaak.”
Waarna ik op mijn horloge keek en bemerkte dat het ondertussen wel al érg laat was geworden.

Winter des doods?

In de loop van het najaar van 2011 doken her en der in de media doemvoorspellingen op. Het zou de koudste winter in honderd jaar worden. De winter des doods, zoals hij genoemd werd: temperaturen tot min twintig en al massa’s sneeuw vanaf halfweg november.

Daarnet maakte ik in de tuin, helaas bij schemerdonker, onderstaande foto’s. We schrijven 3 januari 2012 ofte putje winter. Achtereenvolgens zag ik rozen, een clematis en geraniums bloeien. Bloeien, jawel.
Opwarming van de aarde dan wel vervaging der seizoenen, iemand?

O ja, met één foto zet ik u lichtelijk op het verkeerde been. Weet u ook dewelke en waarom?

Update 04.01: oplossing in de comments.

[ Foto's: Menck ]

Het jaar van het konijn

2011 zal de annalen ingaan als het jaar waarin ik, voor het eerst sedert ik tanden heb, geen kastanjes heb gegeten. Nochtans kijk ik daar elk jaar opnieuw geweldig naar uit. Dit jaar was ik helaas te laat. Of de kastanjes te vroeg, dat kan ook.
Verder was 2011 een jaar dat, toch op persoonlijk vlak, alras grotendeels uit mijn geheugen zal verdwijnen. Het leek in velerlei opzichten een doorslagje van 2010, ook al niet zo’n vermeldenswaardige 365 dagen. Ik at, dronk, kakte, badderde, tuinierde, wandelde, las, lachte, beluisterde muziek, computerde en sliep weliswaar dat het een lieve lust was, maar maakte daarmee geen uitzonderlijke statements. Ook vertrouwd: ik deed een rookstoppoging, ging niet op reis, gaf noodgedwongen handenvol geld uit, martelde mijn aftandse auto overmatig, negeerde veelvuldig de televisie, bezocht op zeer geregelde basis mijn ouwelui, koesterde mijn vrienden, reinigde mijn derrière met Scottex, hield mijn huisdieren in leven en schoor me met een Gillette Mach 3. Niks nieuws onder de zon, kortom.

En toch waren er uitgesproken subjectieve hoogte- en dieptepunten.
De 28e juni zal ik bijvoorbeeld niet licht vergeten. Na lange tijd gevangene van haar eigen huis te zijn geweest, kon mijn moeder eindelijk weer de tuin in. De zon! De buitenlucht! En vooral: de overweldigende fonkeling in haar ogen waardoor zowel mijn als haar gemoed volschoot. Ik ben, zelfs een half jaar later, nog steeds verdomde fier op wat mijn maat en ik daar hebben verwezenlijkt en beschouw het als het persoonlijke orgelpunt van 2011. Dat ik dan weer geen enkele kastanje wist te bemachtigen, was de uitgesproken anticlimax van het afgelopen jaar, dat spreekt.

Aangezien ik evenzeer behoor tot het selecte clubje BV’s (*) mag het dan ook geen verwondering wekken dat ik 2011 verder uitdiep middels de u ongetwijfeld gekende eindejaarsvraagjes die heden weer opmars maken. Gaat ie:

Wat vindt u de belangrijkste gebeurtenis, evolutie of trend van het voorbije jaar?
Op internationaal vlak zullen de zeebeving en de daaropvolgende kernramp van Fukushima lang nazinderen. Ook: de Duitse oprukking verontrust me; waar blijft Angela Merkels snorretje?
Nationaal: de grap die België heet. Evenzeer: de klimmende Kerstmannen zijn zo goed als wijlen maar werden vervangen door blauwverlichte sparren.
Trend: iedereen die ik ken begon zijn keuken in het felgroen te schilderen waardoor ik al achterhaald was nog voor ik mijn reeds lang aangekochte verfpotten kon openen.

Wat vindt u het beste en wat het slechtste radio- en/of tv-programma van 2011?
2011 was opnieuw een rijk Duyster-jaar. Leve Ayco en Eppo. En bij uitbreiding: leve Music For life tijdens de lange autoritten. Slechtst: quasi alles van Radio 2, MNM en Q-Music. Guilty pleasure: radio Nostalgie.
Op televisioneel gebied genoot/geniet ik vooral van Red Sonja, Rang 1, De Patat, God en klein Pierke en Around the world in 80 gardens. Opmerkelijk en niet onplezant: de niet te stuiten opmars van Evelien Bosmans. Verder is er weinig dat me aan het scherm kluister(de)(t), behalve aanstaande vrijdag: de eerste van helaas slechts drie nieuwe afleveringen van Absolutely Fabulous op Canvas. Aanrader van jewelste!

Wat vindt u het beste boek, de beste film, het beste toneelstuk/concert en de beste cd van 2011?
Het is lichtelijk mensonterend, maar ik las geen enkel nieuw boek, heb niet één bioscoop vanbinnen gezien en woonde welgeteld nul concerten bij. Ik heb evenmin mijn cd-collectie verrijkt (de als geschenk verkregen cd’s even buiten beschouwing gelaten). 2011 is by far mijn zieligste culturele jaar tot nog toe, vrees ik.

Wie wenst u wat toe voor 2012 (ten goede of ten kwade)?
Ik wens het jaar 2012 weer échte seizoenen toe en veel van mijn buren eindelijk eens een goede smaak qua kerstversiering. Het lijkt hier momenteel wel Rue du Kitsch.
Ook hoop ik dat tal van bloggers hun tweede adem mogen vinden en dat Facebook, Twitter en consorten daadwerkelijk hypes bleken.
Alle tuinbezitters met diepgroene verlangens wens ik twee linkerhanden doch wel een gedegen tuinman toe (hebdem?).
Aan zij die ik liefheb, waardeer en apprecieer: break a leg in 2012, zij het vanzelfsprekend allerminst letterlijk.

En u?

(*) Bloggende Veertiger

Boodschap met ballen

Aan allen die dit blog, bewust dan wel toevallig, met een bezoek vereren: 

P R E T T I G E   K E R S T   !

Zij zwommen zeven zeeën

Mijn twee nichtjes – zeven en negen lentes jong – wilden er per se een namiddagje op uit. Ze trokken hiertoe zo hard aan nonkel Mencks mouw dat het niet proper meer was.
“Pas op,” sprak ik hen vermanend toe, “da’s katoen, en voor je het weet heb ik een slobbermouw.”
“Nonkel Menck, nonkel Menck, gaan we ergens naartoe waar er dieren zijn?” jengelde het grut, daarbij smekende reeënoogjes opzettend waar mijn hart instant van smolt.
“Wat dachten jullie van de kinderboerderij?” Die was vlakbij – lekker makkelijk – en voor kinderen ongetwijfeld een bron van opperste verwondering.
“Pff, daar zijn we al drie keer geweest. En ze hebben er alleen maar stomme geiten, konijnen, kippen en hangbuikvarkens.”
Ik haalde een dikke nul op het rekest. Een nonkel die zelf geen papa is, weet u wel.
“Het Sea Life Center dan maar?” Dat was iets verder, maar nog zeer te doen.
“Wat is dat?”
“Daar zitten allerlei, eh, waterdiertjes. Kleurrijke visjes! Schildpadjes! Zeehondjes!” Ik hoopte dat de schattigheid van mijn verkleinwoorden doel zou treffen.
“Jáááá!”
Oef, raak.

Aan de kassa mocht nonkel Menck al meteen diep in de buidel tasten. “Twee volwassenen en twee kinderen? Da’s dan negenenvijftig euro alstublieft.” Dat spel kon hier maar beter de moeite zijn.
Wat bleek nog geen uur later? Sea Life is bovenal klein, niet overal even verzorgd en lost allerminst de verwachting in van de argeloze bezoeker die uit is op een dagje dierenplezier. Want een heuse zoobeleving  is het hoegenaamd niet, al doet de wervende folder annex website toch even anders vermoeden: “Een magische onderwaterwereld met meer dan 2500 dieren uit de zeven wereldzeeën!”
Yeah, right. Als je een aquarium met vijftig vissen al direct als vijftig dieren gaat beschouwen, kan zulks kloppen. Maar wat ik er zag waren – naast een overkill aan vissen en visjes – enkele actieve en herstellende zeehonden, een stuk of wat pinguïns, een massa identieke (geelwang)schildpadden, drie otters, een blinde zeeleeuw en een vuistvol haaien ter grootte van overmaatse sardienen. De obligate zeesterren, mossels en ander Noordzeebevolkend kriel laat ik maar even buiten beschouwing. Niet zelden huisden ze in aquaria waarvan het glas sterk bealgd dan wel zeer bekrast was. Uitermate nefast voor de zichtbaarheid, zoveel is zeker.
De kinderen vonden het, na twee cola’s, een ijsje en een warme wafel toe, bij-zon-der fascinerend. Zeker als ze daarna ook nog eens mochten hengelen aan het viskraampje à rato van drie euro per kop.

Mocht u van plan zijn om één dezer ook eens naar Sea Life Blankenberge te trekken: ‘t is leuk voor de (jonge) kroost, maar al bij al een beetje zonde van de centen. Sea Life levert vooral een directe bijdrage aan het behouden van de natuur en het welzijn van de zeedieren, en doet hiertoe in de eerste plaats beroep op úw bijdrage. De rest is reclamemagie.

[ Foto's: Menck ]

De vrouw die haar haar kort liet knippen

“Wat vind je ervan?” was het eerste dat madam Menck me deze zomer vroeg toen ze terugkwam van de kapper.
Ik sloeg mijn krant neer. Meteen daarop gaf ze zelf het antwoord: “Gans anders, hè!”
Er viel een korte stilte. Die meende ze te moeten benutten door even een pirouette te maken zodat ik ook de achterkant van haar hoofd kon vorsen.
“Wat je zegt,” bevestigde ik. Terwijl ik dacht: Wat heb jij in hemelsnaam gedáán?
“Je bent niet echt enthousiast,” merkte ze vervolgens geheel terecht op. Doch ik beroepte me op een weinig subtiliteit: “O, maar ’t is goed zo. Als jij blij bent, dan ik ook.” Waarna ik opnieuw achter mijn krant dook. 

U moet weten: mijn eerste lief had lang haar. Ik vond dat meteen onwijs sexy. En vervolgens een criterium, welhaast. Want ook mijn daaropvolgende veroveringen waren voorzien van een weelderige hoofdbegroeiing. Hoe langer, hoe (b)(h)eter. Een moppie met een kort koppie was in die tijd – Edison vond de gloeilamp uit – een no go. Behoorlijk oppervlakkig, weet ik nu, maar diepgang was in die jaren niet bepaald my middle name.
Mijn laatste jeugdlief – toeval of niet: zij was eens te meer allesbehalve onbemiddeld wat hoofdtooi betrof – werd mijn eerste vrouw. Haar volle, asblonde lokken reikten zelfs tot op haar achterwerk, al kon dat ten dele te wijten zijn aan het feit dat ze iet of wat korte beentjes had. Soit.
Om kort te gaan: vijf jaar later verscheen ze, als was dit haar ultieme overwinningsgebaar, op de rechtbank met een halve meter haar minder. De gretigheid waarmee ik daarop de scheidingspapieren ondertekende was veelzeggend.
Kort daarop leerde ik mijn huidige partner kennen, die ik sedert ik begon te bloggen – de spaarlamp verving ondertussen Edisons gloeilamp – voor mijn lezers madam Menck ben gaan noemen. Op haar aanraden, overigens, want K*trien draagt anonimiteit op het interweb hoog in het vaandel. En u raadt het al: ze was, naast poten en oren, aardig voorzien van schedelbebossing. Dat was wat mij betrof uiteraard allang geen absolute must meer, maar ik zal niet ontkennen dat ik het toch maar mooi meegenomen vond. 

Maar sinds deze zomer heb ik dus een kortharige partner. Enfin, niet kort-kort, maar toch: korter. Doch bovenal: geen geslaagde snit.
Zij vindt hem nochtans beter.
Zij vindt hem zelfs een pak mooier.
Ik niet.
“De meeste mensen zullen je haar minder mooi vinden,” beweerde ik dientengevolge.
“I don’t think so, Menck. Ik mocht namelijk al veel complimenten in ontvangst nemen.”
“Ja ja, maar ik huichel tenminste niet.”
“En toch blijf ik erbij dat het me jonger maakt.”
“Waanvoorstellingen zijn geen lang leven beschoren, schat.” Waarop ik me veiligheidshalve maar weer achter mijn krant verborg. 

Ondertussen is het schier winter. Madam Menck handhaaft haar mening (en helaas ook haar coupe), ik de mijne.
Weet u wat? Ik geef ú het laatste woord. Daarbij wend ik zelfs foto’s aan. Want mijn gelijk staat op het spel. Of dat van haar, maar daar wil ik nu even niet aan denken.
Give it a go, beste lezer: vindt u de nieuwe coupe beter, slechter of evengoed?

VOOR:

NA:

O, ja: de ‘NA’-foto dateert alweer van deze zomer. Heden zijn ook haar neklokjes verdwenen. Ei zo na een coupe militaire, dus.

Murder, Inc.

Ik ben zot van katten. Wie mij wat beter kent, zal dit volmondig beamen. Helaas wórd ik er bijwijlen ook zot van.
Als ze weer eens hun nagels scherpen aan de zetelbekleding, bijvoorbeeld.
Of als ze schaamteloos hun gevoeg doen in de pot van de yucca.
Wat dacht u verder van het langharige tapijt onderkotsen? Een muis tussen de kast en de muur jagen, waar ik die dan vier, vijf dagen later rottend en onwelriekend terugvind? Op de rand van mijn gevuld bad wandelen, er vervolgens invallen, en daarna heel de woning al vachtschuddend afdweilen? I kid you not.

Het bovenstaande is echter niks in vergelijking met de niet aflatende moordzucht van mijn kattenkwartet. Als zulks in de tuin gebeurt, relativeer ik dat. Een prooi vangen is nu eenmaal des kattens. Maar als ze hun vangst ongeschonden naar binnen slepen en die daar dan beginnen te vermassacreren, ben ik doorgaans een pak minder begripvol. Bloed! Ingewanden! Stukken pels! Pluimen! Een regelrecht abattoir, quoi.
Herinner u in dit verband de slachtofferfoto’s die ik op mijn vorige blog(s) plaatste. Dit onschuldig ding bijvoorbeeld. Of deze sukkel die moegetergd de verdrinkingsdood als uitweg koos. Of hebt u het liever écht gruwelijk?

Maar soms – en nu kom ik tot deze en vorige week – moet mijn harige viertal het onderspit delven. Omdat schrijver dezes bij momenten nog watersnel kan zijn en de moordenaars zodoende net iets te vlug af is. En dan verkneukel ik mij als ik triomfantelijk voorbij mijn hunkerende katten schrijd en de geredde prooi een poos in hun gezichtsveld houd waardoor hun verslagenheid nog wat aanwast. Na die aangebrachte vernedering stap ik grijnzend naar buiten alwaar ik de gelukkigen terug de vrijheid geef op ruime afstand van de woning.

Werd vorige week van een gewisse dood gered:

En deze week:

Dat verdient een speekmedaille, niet?

[ Foto's: Menck ]

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.