Still going strong?

Laat aanrukken die taart en ontkurk de champagne, want precies acht jaar geleden zette ik mijn eerste schuchtere passen in de blogosfeer. Dat was overigens met een schrijfsel dat ‘Aimé’ als titel droeg.
2006 was het jaar waarin zowat half Vlaanderen aan het bloggen sloeg. Dagelijks schoten er tig nieuwe weblogs als paddenstoelen uit de grond. Vele verdwenen even snel als ze gekomen waren en slechts een handvol volhardde in de boosheid. Zij werden geënthousiasmeerd door toenmalige grote namen als ‘Smiling Cobra’, ‘Pietel’, ‘Merel Roze’, ‘Dominiek’ of zelfs ‘Imke Dielen’, die destijds al enkele jaren een weblog bijhielden.
Als ‘Menck’ blaas ik zodoende acht kaarsjes uit, maar aan deze webstek, Twaait, gingen er meerdere vooraf. Aanvankelijk koos ik voor bloggen.be als webhost, maar al vlug keerde ik dat oubollig platform (nog steeds, trouwens) de rug toe en sloeg u vervolgens woordelijk en fotogewijs om de oren middels het professioneler ogende en veelzijdiger functionerende WordPress.
De eerste reactie op mijn eerste blog – die destijds nog gewoon ‘Menck’ heette – was van een zekere Zapnimf. Alras bleek dit een aanstekelijke griet die vrijwel tegelijk met mij was beginnen te bloggen via dezelfde host. We werden dan ook snel virtuele – en later reële – maatjes. Doch kijk: heden hoor ik van Zapnimf niks meer, niet via haar op rust zijnde blog noch IRL. Dat ze in het huwelijksbootje stapte, was het laatste wat ik van haar, via anderen, vernam. Looking great, girl, maar wo bestu bleven?

Mijn eerste blogjaren liet ik voornamelijk cursiefjes op de lezers los. Niet geheel gespeend van snoeverij definieerde ik ze ik als columns. Het gros ervan was gestoeld op pure fictie. De lezersschare die me toen omringde, slikte mijn fantasie als zoete broodjes. Ik was in hun ogen, zo ging destijds het gerucht, vrijgezel, avontuurlijk, losbol en zelfs knap. Pas enkele webstekken later heb ik ze de schellen van hun ogen gerukt. Dolle tijden.
Later bracht ik gaandeweg mijn grote passie in mijn logs: fauna en flora. De inhoud van mijn weblogs werd gevarieerder en volgens sommigen daardoor ook saaier. Die ‘sommigen’ haakten uiteindelijk resoluut af. In de plaats kreeg ik het fijne gezelschap van een schare groenbloggers. Al wens ik zelf allerminst als dusdanig te worden omschreven. Ik hou van diversiteit en mede daardoor is ook Twaait verre van een natuur- dan wel tuinblog.
Ook madam Menck deed haar intrede op mijn blog. Ik plaats(te) al eens foto’s van haar en van mezelf, doneer zo nu en dan virtuele inkijkjes in onze tuin en woning en liet de lezer zelfs kennismaken met mijn vader en (het verlies van) mijn moeder. Kortom: de anonimiteit kwam/komt meer en meer te vervallen. Dat doet me plezier maar maakt me tegelijkertijd wat bang. Waar trekt een blogger de streep, nietwaar? Dit is tenslotte – and thank God for that – Facebook niet.

Paar wetenswaardigheidjes? Welaan dan:

Mijn meest gelezen stuk ooit was eigenlijk een blogreeks, verpakt als een toentertijd nog populair gegeven: een stokje. De ‘Roze Bril’-Blogweek – 7 dagen lang alleen maar ferm positief bloggen – kreeg navolging van ruim driehonderd bloggers, en liep van 21 tot en met 27 januari 2008;

      

Ik organiseerde een eerste blogmeeting. Place to be: de tuin van Chelone. Ook haar blog ligt trouwens al tijden op apegapen. Er zouden nog tal van meetings volgen bij verschillende bloggers waarop de namen eindelijk een gezicht kregen;


[ Foto: S. De Clerck | aanklikbaar voor groter ]

Ik leerde toffe blogcollega’s kennen door mijn tuin open te stellen. Dat ze soms van de andere kant van Vlaanderen afzakten naar het gat waar ik woon, vind ik nog steeds hooglijk cool;

Vorig jaar werd PICMENCK geboren, de fotodivisie van Twaait, waar eenieder door langere fotoreportages kan struinen zonder zich het pleuris te moeten klikken;

In 2006 was ik 39. Heden tel ik godbetert 47 lentes. Deze vos verliest weliswaar haren noch streken, maar vraagt zich wel eens af of hij zich bloggewijs onderhand niet aan het herhalen is en zich maar eens moet gaan focussen op iets geheel anders.

En u?

Te vette courgette?

Geen idee of het klopt, maar iemand maakte me onlangs voorzichtig diets dat ik mijn courgettes toch echt wel te groot laat worden.
Kan een moestuinier die, in schril contrast met blogger dezes, wél de nodige ervaring heeft met het kweken van groenten, me dit bevestigen?

[ Foto: Menck | Twaait ]

Olifant met peren

Toen ik, na het afrijden van de E40 in Loppem, ineens een olifant tussen het groen zag staan, trapte ik op mijn rem. Dat manoeuvre werd prompt gevolgd door een langgerekt getoeter afkomstig van de voertuigen achter me. In deze thans erg lawaaierige blikken bevonden zich ongetwijfeld stuk voor stuk onbezonnen chauffeurs die wellicht nog nooit van ‘voldoende afstand houden’ hebben gehoord. Ik drukte mijn raam open, gooide mijn linker middelvinger de lucht in, en dirigeerde vervolgens mijn bakbeest richting grasberm. Toen de achterliggers me venijnig optrekkend voorbijstaken – het betrof hier twee zilverkleurige BMW’s en een zwarte Mercedes – wierpen de hanige chauffeurs me met de nodige dramatiek een middelvinger terug. Eentje had zelfs zijn rechterraampje neergelaten teneinde me “Stuk stront!” in het gezicht te kunnen slingeren. Ik retourneerde hem ogenblikkelijk een kushandje, waarop hij wederom aan het toeteren sloeg. Het verheugde me ten zeerste deze mensen wat verstrooiing in hun verder ongetwijfeld saaie dag te kunnen bieden.

De olifant stond er nog. Het viel me meteen op dat zijn rechterslagtand was afgebroken. Met zijn hemelwaarts gekrulde slurf leek hij loom wat lover uit een nabijgelegen bomenrij te plukken. Het beest was statig, indrukwekkend, levensgroot en – zo bleek alras – geheel en al opgetrokken uit polyester.

Het groen waartussen deze knaap was neergepoot, bestond uit vele lange rijen perenbomen. In de omtrek viel er geen woning te bespeuren. Alleen dit perenveld en een olifant. Ik krabde me een wijl in de kruin.
Nu ben ik wel zo wereldwijs dat ik me bewust ben van het feit dat sommige medemensen tuk zijn op het plaatsen van – niet zelden groteske – polyesterbeelden in hun voortuin. Een levensgrote koe, om maar eens iets te noemen. Maar ook gigantische roze dan wel oranje konijnen, fluogroene bulldogs en zelfs een oversized witkoparend met in stars en stripes gespoten gespreide vleugels waarop een reclame voor de dichtstbijzijnde stock américain te ontwaren valt. ‘Na 200 meter het hoekje om.’
Maar een eenzame olifant in een verlaten perenveld? Ik kreeg hier kop noch staart aan, om maar eens in de beestenwereld te blijven.

Het internet bracht, zoals dat wel vaker geschiedt, raad. Googelen op olifant+Loppem+peren maakte me al snel diets dat deze eigenaardige opstelling hoegenaamd niet de zoveelste zotte toevalligheid was. Meer zelfs: mijn korte speurwerk zette zowaar een nobel doel in de spots:

Wie dezer dagen, de Russische boycot indachtig, veelvuldig zijn tanden in peren zet, wordt door menigeen – de Belgische perenkwekers voorop – als toffe peer veel lof toegezwaaid. Wat mij betreft, bestaan mijn dagelijkse gezonde snacks voortaan uit Loppemse peren die ik ter plaatse van het veld mag plukken. Enfin, toch van de bomen op dat veld.
Peren tegen dode olifanten: kritisch als ik ben, hoop ik hiermee niet met een dode mus blij te worden gemaakt. Want deze kille nazomer staat er eens geen zoveelste konijn met pruimen op het menu te onzent. Omdat olifant met peren namelijk naar zoveel méér smaakt.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Cool: schrijfstijlanalyse

Kijk ’s aan: mijn teksten hebben meer vrouwelijke dan mannelijke eigenschappen.
Bovenstaande bewering is niet de mijne, maar die van Stylene, de schrijfstijlanalyseerwebsite van de Universiteit Antwerpen en CLiPS, wat dan weer staat voor Computational Linguistics & Psycholinguistics Research Center.

Het doel van Stylene is de implementatie van een robuust, modulair systeem voor stylometrie- en leesbaarheidsonderzoek op basis van bestaande technieken voor automatische tekstanalyse en zelflerende technieken. Daaruit resulteerde de ontwikkeling van een web service die onderzoekers toelaat teksten te analyseren met behulp van het systeem. Op die manier wil het project recente vooruitgang op het gebied van het computergewijs modelleren van stijl en leesbaarheid beschikbaar maken voor onderzoek in de sociale en geesteswetenschappen.

Toegegeven: een mondvol intellectuele blabla waarvan ik enkel de gein onthoud: je eigen teksten laten analyseren. Hiertoe kopieerde ik een willekeurig blogstuk vanop Twaait naar Stylene. Dat systeem verwerkte vervolgens mijn tekst en kwam tot de volgende conclusies:

Mijn schrijfsels zijn vooral literair te noemen, iets wat me overigens ten zeerste verheugt:

En qua pen leun ik het dichtste aan bij Saskia De Coster. Er zijn voorwaar slechtere posities denkbaar:


[ Voor een betere leesbaarheid zijn alle figuren aanklikbaar voor groter. ]

Maar laat u vooral zelf eens gaan. Naar wie neigt u qua schrijfstijl? Schrijft u literaire dan wel zakelijke of poëtische teksten? En is uw pen eerder mannelijk dan vrouwelijk of vice versa?
Ik verneem het graag nadat u de bewuste schrijfstijlanalyseerwebsite hebt bezocht.

As Tears Go By

Op zekere morgen sta je voor de spiegel en bespringt je het besef: ‘Ik ben oud en lelijk geworden.’ Voor wie dat moment nog niet mocht meemaken: het kómt, geloof me.
Wat volgt, is gelatenheid. Toch in mijn geval. Want wat verdwenen is, komt nooit meer terug. En face it: het zal er niet fraaier op worden de komende jaren, dus wees je maar beter tevreden met het heden. Tranen pleng ik er zodoende niet om. Ik kijk hooguit wat minder in de spiegel. Of toch wat minder gefocust.
Zij die me dagelijks ervaren, merken dat allemaal niet. Daar ga ik althans van uit. Maar zij die me na een afwezigheid van, pakweg, tien jaar terugzien, zie ik deerlijk de wenkbrauwen fronsen. En je hóórt ze welhaast denken: ‘Was hij vroeger niet slank?’ ‘Hij had toch inktzwart haar?’ ‘Heeft hij nu een halve kilo hazelnoten in zijn mond of zijn dat echt beginnende hamsterwangetjes?’ In de plaats daarvan zeggen ze, een vette knipoog meesturend: “Het leven heeft je goed gedaan, Menck.” De nadruk op ‘goed’.
Yeah, right.
Als ze vervolgens madam Menck ontwaren, klinkt het ineens: “Maar wat zie jij er fantastisch uit!”
Yeah, right bis. Alsof de jaren op mijn madam geen vat hebben, zeker. Gek toch dat de complimenten jegens een man een pak zeldzamer zijn dan die naar een vrouw toe. Het zal tot de etiquette behoren, vermoed ik.
Met degene die ‘Het leven begint bij veertig’ op de mensheid heeft losgelaten, zou ik toch graag eens een hartig woordje wisselen. Dat zulks alleszins niet het uiterlijk betreft, bijvoorbeeld. Of althans toch niet al te lang. Want ik ben ondertussen al zeven jaar veertig, en merk dat de houdbaarheidsdatum van die fameuze stelling nu toch enigszins overschreden is. En o ja: dat geldt evenzeer voor de lichamelijke gesteldheid. Op veertig limbodanste ik nog met twee vingers in de neus onder een vijftig centimeter hoog geplaatste lat, daarbij uitzinnig bewonderend gefluit en minutenlang applaus in ontvangst nemend. Heden kan ik er, als het even meezit, nog net overspringen zonder mijn knie te verrekken.

Toeme toch, waar is dat alles zo ineens gebleven, zeg?

[ Foto's: Menck/Twaait | gescande analoge opnames ]

De hovenier: “Voor gegoede families?”

Dat zijn héél lange werkdagen! Zijn er zoveel mensen die tuinonderhoud (en -aanleg, maar niet in de zomer, neem ik aan) uitbesteden, vraag ik me dan af. Is dat niet iets voor gegoede families uit de 19de eeuw? Je zou er eens moeten over bloggen. Als je tijd hebt en wakker bent. :-)

Bovenstaand citaat komt van mevrouw Onderdeappelboom. Het was een repliek op een reactie van mij op dit blogstuk van haar hand.
Nu ik even tijd heb, én wakker ben, wil ik dan ook met graagte ingaan op haar vraag.

Vooreerst: mijn cliënteel telt quasi geen jonge mensen. Jong zoals in twintigers, dertigers en zelfs veertigers. De reden hoeft niet ver te worden gezocht: jonge mensen hebben doorgaans niet de harde valuta veil voor tuinplanning en/of –aanleg of voor regelmatig tuinonderhoud. Ook hun interesse in een tuin is tanend. Een tuin betekent extra werk bovenop hun dagtaak en de zorg voor kinderen en het huishouden. De tuinen van jongere mensen zijn bovendien meestal – veelal noodgedwongen – klein. Hun totale perceel grond beslaat gemiddeld om en bij de drie à vier are, woning inclusief. Wat meer is: hun tuinen zijn door de bank genomen redelijk saai. Saai zoals in een terras, een grasveld(je), eventueel wat struikjes of een boompje en een – niet zelden – kunstmatige omheining errond. Om het gras te maaien, behoeven jonge mensen geen tuinman. En voor meer dan gras alleen hebben ze dan weer geen tijd en/of centen en/of interesse.
Merk op dat ik de talrijke appartements- dan wel studiobewoners even links laat liggen. Veelal is daar geen sprake van een tuin.

Gegoede families (uit de 21e eeuw, voor alle duidelijkheid), of die nu ouder dan wel jong zijn (ze bestaan!), doen geen beroep op een kleine garnaal als ik. Gegoede families opteren voor toonaangevende hoveniers en dito tuinarchitecten. Noblesse oblige, weet u wel. Ik ken daar geen uitzonderingen op.
Gegoede families bezitten ook meestal, om god weet welke reden, wat ik gestofzuigde tuinen noem. Of gestofzuigde parken. Een onberispelijk gazon type golfbaan, heel veel hagen, snoeivormen dan wel koude ornamenten en vooral: niet het minste beetje voeling met de natuur. Een losgeslagen blaadje op ons gemillimeterde gazon: o help!
Pas op: uitzonderingen bevestigen de regel. Maar het blijven uitzonderingen. Aan gegoede families heb ik lak. En zij waarschijnlijk ook aan mij. Fijn zo. Ik heb tenminste nog eergevoel en blijf trouw aan diepgewortelde waarden wat betreft fauna en flora.

Blijft over: de gepensioneerden uit de middenmoot van onze maatschappij. Zelfstandigen op pensioen. Op rust zijnde arbeiders en bedienden die mede dankzij de glorieuze jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw groot zijn geworden. Zij hebben de centen maar niet meer de tijd, de goesting of de lichaamskracht. En dus doen zij beroep op een tuinier die een schappelijke prijs hanteert alsook kennis van zaken heeft zonder veel poeha.
U weet het, of niet, maar de vergrijzing is niet meer te stuiten in ons land. En die vergrijzende bevolking voldoet in veel gevallen aan de beschrijving hierboven. Het zijn exact die mensen die een beroep op me doen. Ze beslaan zowat negentig procent van mijn klantenbestand. En wat meer is: ieder jaar vergroot hun aantal. Ieder jaar groeit zodoende mijn klantenbestand. En vallen er ook klanten weg, helaas. Want hoe ouder, hoe dichter bij de dood. Neemt u me deze – overigens geheel op waarheid gestoelde – uitspraak vooral niet kwalijk.

“Kopje koffie, tuinman?” mag dan in menig ondeugend oor verleidelijk klinken, maar gezien de leeftijd van mijn klandizie is het niet nodig om daarop meteen de ‘Coca-Cola light’-man in mezelf naar boven te halen. Een hele geruststelling overigens, het mag gezegd. Dat “vroeger toch alles veel beter was” neem ik daar dan met veel plezier bij.
Wel een koekje bij de koffie, graag.

De zwarte kas

Ik trap een open deur in als ik verkondig dat het in een serre erg warm kan worden. Meer nog: het kan er behoorlijk heet zijn.
En hoewel het vanmorgen in de tuin veeleer kil aanvoelde, werd het in de serre deze keer zelfs te heet voor woorden. Een handvol foto’s maakt een en ander wat aanschouwelijker:

De serre even voordien, in duidelijk gunstigere omstandigheden:

Deze ruime kas, die zich in de tuin van madam Mencks ouders bevindt, is thans total loss, ondanks de snelle interventie van de brandweer. Een kortsluiting ligt aan de basis ervan.
Behalve een voorzaaikas voor eet- en siergewassen, was de serre voornamelijk een couveuse voor tomaten, pepers en druiven. Vanaf iedere eerste november overwinterden we er al achttien jaar lang onze grote hoeveelheid niet-vorstbestendige potplanten tot halfweg mei. Waar dat nu zal moeten gebeuren, is geheel en al koffiedik kijken.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

“Running” up that hill

De zeebries hierboven was dermate sterk dat ze ons beiden met enkele krachtige stoten aan het wankelen bracht. We lachten luidop terwijl we gelijktijdig naar de metalen reling grepen. Twintig meter achter ons schuimbekte de zee op volume tien. Gejoel van enkele kinderen weerklonk onder ons op het moment dat een jan-van-gent nieuwsgierig voor onze gezichten kwam hangen, zich ternauwernood in balans houdend wijl hij polste naar een potentiële hap. Ik hield hem ostentatief mijn flesje Spa voor ten teken dat we geen lekkers bijhadden. Hij maakte rechtsomkeer en klapwiekte gelaten richting strand. Misschien prefereerde hij wel plat in plaats van spuitwater.

“Dus dit is de op één na hoogste duin van ons strand?” galmde madam Menck, in een poging de luidruchtige woei te overstijgen.
“Yep,” schreeuwde ik welhaast. “31 meter boven de zeespiegel. Twee meter lager dan de hoogste duin, de Hoge Blekker in Koksijde. Maar alleen hier kan je verpozen in dit grappige uitkijkpaviljoentje, de Spioenkop.”
“Enig idee waar die naam vandaan komt?”
“Ik zal het thuis eens googelen.”

De Spioenkop werd in 1902 gebouwd. Dat ‘kop’ staat voor ‘heuvel’, is vrij duidelijk. En vermits het vergezicht er uniek is, kan het een uitgelezen plaats zijn om te bespieden, gade te slaan wat er in de wijde omtrek gebeurt. Je waant je, met andere woorden, een heuse spio(e)n. Echter, die combinatie werd niet voor Wenduine bedacht, maar voor een heuvel in Zuid-Afrika. Kopje is trouwens een van de weinige woorden uit de Afrikaanse taalschat die in ons Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, alias de dikke Van Dale, zijn opgenomen: ‘hoge, alleen liggende heuvel’.

Niet alleen de toeristen appreciëren het lieflijke Spioenkopje. Ook de Wenduinenaars zelf zien het als een onafscheidelijk stuk van hun bezit. Na de tweede wereldoorlog werden spontaan fondsen bijeen gebracht om de heropbouw te financieren.
Maar soms is het gemeentebestuur is al eens té ondernemend. Zo werd voor enkele jaren tijdens de zomermaanden de Spioenkop met schijnwerpers belicht. Dat viel echter allerminst in de smaak van vrijende paartjes. Er haperde constant iets aan de projectoren. De administratie begreep de wenk en de proef werd niet herhaald.

De Spioenkop bovenop de duin:

Wenduine:

De drie ‘torens’ van Brugge. Rechts in de rode markering bemerkt u het AZ Sint-Jan:

Duinenpan:

Zicht op Oostende:

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Waar het hart van vol is, loopt de tuin van over

Het is, mea culpa, alweer tijden geleden dat ik u nog eens op sleeptouw nam doorheen de tuin. Wel, that time is now, beste lezer. Want hoewel het binnenland vandaag her en der op (te) grote hoeveelheden water werd getrakteerd, was het weekend aan de kust heerlijk zomers-op-zijn-Belgisch. Zo nu en dan wervelde er een weldoende witte wolk voor de zwoele zon; meer moet dat niet zijn om netjes belichte prenten te kunnen schieten.

Weet vooraf dat wie me volgen wil, maar beter stevig virtueel schoeisel aantrekt. Er dient namelijk te worden gestruind doorheen niet min dan 74 (!) foto’s. Een grote midzomerse tuinupdate, kortom.
Proef de sfeer op PICMENCK, gij allen. Ten voordele van uw wijsvinger, en tot algehele ontlasting uwer muis, dient daarbij geen enkele foto aangeklikt te worden. How cool is me dat, zeg!

[ Link opent in een nieuw venster ]

3 minutes of World Peace

Dinsdag 29 juli 2014, 18 uur.

Op verschillende plaatsen in de wereld is het nummer ‘Imagine’ van John Lennon te horen. Een initiatief van Zandhovenaar Chris Vertruyen, die via Facebook opriep tot 3 minuten wereldvrede, als protest tegen de conflicten in de wereld.

Je kan hem een dromer noemen, maar Chris Vertruyen is niet de enige dromer. Inmiddels bereikte zijn Facebookpagina3 minutes of world peace al meer dan 250 000 mensen. “Tot in Egypte, Argentinië, Mexico, Noorwegen, echt wereldwijd”, aldus een enthousiaste Chris Vertruyen. Meer dan 15.000 mensen zeggen mee te doen.

Vanwaar het idee voor deze actie?
“Mijn tijdslijn op Facebook stond vol met berichten van mensen die hun ongenoegen uitten over de conflicten in de wereld. Laat ons nu de kracht van het wereldwijde web gebruiken om in protest te gaan.”

Om 18 uur Belgische tijd spelen, zingen of draaien mensen op verschillende plaatsen in de wereld het nummer “Imagine” van John Lennon. De nummerkeuze lag voor de hand. “De tekst van het lied zegt eigenlijk alles”, vertelt de initiatiefnemer. Hijzelf volgt het evenement in de stationshal van het Antwerpse Centraal Station, waar een pianist zorgt voor de muzikale ondersteuning.


[ Chris Vertruyen ]

Update 1: http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/nieuws/binnenland/1.2046880

Update 2:

Natte muis

Als onze katten van huis zijn, laten de muizen zich een verkoelend bad welgevallen…

… in de kattendrinkbak:

Enfin, toch dit ene dappere genietertje.
De opname dateert overigens van 17 juli laatstleden toen de thermometer nog een stevige 33 graden in de schaduw weergaf. Geef dat beest maar eens ongelijk.

[ Foto: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

 

Kaderfunctie

Na een jarenlange werkvloercarrière in de hovenierssector heb ik mijn baas het vriendelijke doch dringende en stevig beargumenteerde verzoek gestuurd me lid te maken van het kaderpersoneel mijner eenpersoonszaak.
Tot mijn grote opluchting werd mijn verzoek prompt ingewilligd.

Kaderfunctie?
Hm, zulks impliceert dat ik voortaan vooral gewichtig moet doen (niet zo moeilijk als ik mijn weegschaal mag geloven), een deftige hoge hoed opzetten ter uiterlijke distantiëring, het plebs niet meer in de ogen mag blikken, maar desondanks mijn tanden stevig in de flora, mijn corebusiness, moet blijven zetten.

Volgens mij is het gelukt.
Nu alleen nog de sigaret inruilen voor een dikke sigaar en ik ben er geheel en al klaar voor.
Aan mijn  lezers vraag ik dientengevolge om me vanaf heden nog enkel te vousvoyeren. Noblesse oblige en van die dingen.

[ Foto: madam Menck/Twaait ]

Een (steen)schot in de (klim)roos

In de badkamer neemt ze altijd een douche, nooit een bad. Dat laatste doet ze wel veelvuldig in de tuin, al betreft het daar dan een zonnebad.
Ja, beste lezer, madam Menck is, althans volgens Van Dale, iemand die graag het naakte lichaam blootstelt aan de zonnestralen. Een ware zonnebaadster, kortom. Correcter is het echter om te gewagen van een zonneaanbidster. O wee diegene die mijn madam het zonlicht durft te ontnemen!
Al van bij de eerste enigszins warmte voortbrengende zonnestralen – dit jaar manifesteerden die zich zowaar al in februari – geeft ze zich geheel over aan de koperen ploert. Nu, in februari is zulks aangenaam. Maar heden lijkt het me je reinste geseling. Zweten! Klefheid! Kankerverwekkend! Je huid droogt uit en verwordt langzamerhand tot een soort gelooid krokodillenleer, schat. Je zult er héél snel oud uit zien.

Ze vindt me kleinzerig en een heuse kniesoor als ik erover begin. Want ze smeert zich in met factor 30.
Als ze op zulke discussiemomenten met haar flacon zonnelotion naar me wappert, betekent dat hetzelfde als wanneer een rechter met zijn hamer op zijn spreekgestoelte klopt: zwijgen, asjeblieft.

Toen we achttien jaar geleden deze woning en haar kale tuin betrokken, was het bangkirai zonneterras het allereerste dat ik construeerde. Het ligt zuidwestwaarts gericht. Want hey, dat impliceert zowel in de namiddag als ’s avonds zon.
Om het terras wat aan te kleden, leidde ik er, middels een omgordende pergola, een blauweregen omheen. En daar wringt thans het schoentje, want die groene geweldenaar is ondertussen enigszins uit zijn voegen gebarsten zodat hij madam Mencks avondzon in de weg staat:

“De avondzon laat nu alleen nog de oude klimroos in het licht baden,” treurde ze. “En die is bovendien op sterven na dood. Aanschouw nu toch eens die miezerige bloei. Een bloempje of vijf is zowat de gehele jaaropbrengst. Bovendien gaat de ganse plant gebukt onder de roestziekte. Denk je ook niet dat we op die plek eens iets anders moeten overwegen?”


[ Foto uit 2012 ]

Ik voelde haar naderen op kousenvoeten. U wellicht ook.
“De klimroos heeft inderdaad haar beste tijd gehad,” gaf ik uiteindelijk toe. “En de onderbeplanting kan ik wel ergens anders in de tuin kwijt.”
Haar blik verried gespeelde verbazing omwille van mijn, ahum, onverwachte uitlating.
Enfin, om een lang verhaal kort te maken: ik schetste woordelijk een voorstel voor een zonnedek ter vervanging van het verhoogde bordertje. In hout? In klinkers? Of prefereer je handmatig gepolierde tegels uit maagdelijk wit carraramarmer, schat?

“Waarom gebruik je voor zo’n kleine oppervlakte niet eens steenschotten?” opperde mijn maat ‘s anderendaags. “Oersterk, heerlijk patina en zeer betaalbaar bovendien.”
Qué?
Steenschotten?

Steenschotten worden gebruikt in ambachtelijke steenfabrieken. Stenen die net gebakken uit de oven komen, worden op de schotten gelegd om te drogen. Door de warmte van de stenen krijgen de schotten een verweerde look. Steenschotten zijn samengesteld uit een aantal afzonderlijk hardhouten regels die in elkaar passen met een tand-groefverbinding.  De afzonderlijke planken worden extra strak samengepakt met grote ijzeren houtdraadbouten. De kopse kanten worden over de gehele breedte beschermd en verstevigd door verzinkte metalen C-profielen. Steenschotten zijn voornamelijk vervaardigd uit azobé, een houtsoort van duurzaamheidsklasse 1 die onbehandeld zelfs onder water kan worden aangewend.

En steenschotten zijn het geworden. Drie stuks volstonden. Afmetingen per stuk: 1,4 meter lang, 1,1 meter breed en 4,5 cm dik. Gewicht per stuk: loodzwaar. Prijs per stuk: 25 euro.
Ik ging als volgt te werk:

1 | De klimroos eindigde in de hakselaar. De buxusbollen werden opgepot en de overige flora kreeg een nieuw tuinplekje toegewezen.
Het voormalige verhoogde plantvak werd tot tien centimeter onder het grondniveau uitgegraven om bodemcontact te vermijden:

2 | Betonstenen werden, waterpas ten opzichte van elkaar, op een gedegen bed van cement gelegd.
De klinkers die het voormalige plantvak omzoomden, werden verwijderd wegens nutteloos geworden:

3 | De steenschotten werden, netjes tegen elkaar geplaatst, op de betonblokken gefixeerd met Tec7 (*). Die bevestiging is door het grote gewicht van de steenschotten eigenlijk niet eens noodzakelijk.
De opgepotte buxusbollen kregen als trio een stek op het nieuwe zonnedek en de ligzetels werden zonder fout richting avondzon geplaatst:

En als de zon het even laat afweten, dan is zo’n ligzetel nog altijd inzetbaar voor een snelle hap:

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

______
(*) Tec7 | Professionele polymeerlijm van Belgische makelij. Ultrasterke verlijmingskracht. Toepasbaar op een breed gamma materialen, zowel binnen als buiten.

18 vs 81

Mijn vader is thans kleiner
ook van gestalte
en weer vermagerd
hij hapert af en toe

het grijze haar dat hem nog rest
bedekt ternauwernood het fronsen
al vegen borstelige wenkbrauwen
het peinzen schijnbaar uit

hij wekt de wrevel om hetgeen
hij toentertijd was,
zijn stiltes bij momenten
zeggen alles

maar als we samen graven
in oude aarde, dan glanzen
ogenblikken soms en klinkt
zijn stem weer opgewekt

Mijn vader is groot
van hart
ondanks het vele falen
het hapert af en toe

hij heeft de stiltes
aan mij doorgegeven
ze wekken interesse op
en laven het verlangen

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Lente? Feest!

Het juffertje dat mij nonkel noemt en wier tante én doopmeter madam Menck is, vierde gisteren haar lentefeest. Een vrijzinnig feest op Hemelvaartsdag: modern times, net wat u zegt. Ter verduidelijking: het betrof hier het grote lentefeest, het equivalent van de plechtige communie.
Of wij het zagen zitten om de tafeldecoratie te verzorgen, klonk het eerder deze week. Of beter: of de helft van mijn bed zulks zag zitten. Want behalve zo nu en dan haar bloempje plukken, houd ik me voor de rest ver af van madams floristisch genot.
Soit, ze zag het zitten.

Het feestthema was ‘bont’. En bont wérd het. Daartoe werd er geopteerd voor Gerbera’s als polychrome boventoon: oersterke snijbloemen in tal van kleurvarianten.
Voorts plukte madam Menck groen uit eigen tuin: Pachysandra die zijn taak als bodembedekker op de tafelstukjes mocht verderzetten, lisdoddebladeren uit de vijver om het geheel sierlijk af te kransen en wat subtiele toetsen van bieslookbloempjes uit de kruidenbak. Ook benodigd: waterdichte potjes, oasis en enkele kopspelden om de lissen bijeen te houden. Klinkt simpel, doch vergis u niet: er kruipt behoorlijk wat werk in het bijeenzoeken van bovenstaande ingrediënten en ze vervolgens in een stemmig samenspel van 26 stukjes tafeldecoratie te gieten. Daar werd overigens nog een glazen schaal met op water drijvende Gerbera’s en gracieus geplooide lissen aan toegevoegd evenals vijftien exemplaren bescheiden servetversiering.

Het schikken van de ‘drijfbloempjes’ in de glazen schaal werd bijwijlen nogal abrupt onderbroken, hetgeen de continuïteit enigszins in het gedrang bracht:

Maar uiteindelijk kwam het allemaal goed:

Die morgen stonden alle tafelstukjes netjes te wachten op transport naar het feestoord:

Hetgeen vlekkeloos geschiedde, zodat ze voorspoedig konden worden geposteerd op (onder andere) de feestdis:

Servetstukje gevangen in een rubberen tubetje gevuld met water en afgewerkt met een frivool lintje:

Voor de rest bestaat zo’n lentefeest voornamelijk uit socializen en toosten, …

… hapjes naar binnen werken, …

… het feestvarken van een geheel aan haar generatie gelinkt presentje voorzien…

… om daarna heerlijk te tafelen – uitgebreide visfondue! – en vervolgens, naar aloude traditie, de vrouwen te laten afwassen:

Opa 1 hield zich intussen onledig met de poes des huizes op stang te jagen, …

… terwijl Opa 2 zich eerst onder de trap verschanste om wat te tukkebollen…

… maar tenslotte zijn schoonheidsslaapje uitgebreid continueerde onder de blote hemel:

En dat terwijl zijn kleinkind enkele meters achter hem joelend een gat in de lucht sprong:

Iets wat madam Menck haar metekind op de koop toe nog eens – zij het veeleer dunnetjes – nadeed:

Opa 2 gaf echter geen krimp en bleef onversaagd bomen doorzagen.
Tijd om deze feestelijke dag af te ronden.

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

In de maïs

De jongen strompelde naar buiten alwaar hij zijn armen met een brede, onhandige zwaai om het meisje sloeg.
“Kus me”, sprak hij haar lallend toe terwijl hij alle moeite van de wereld had om zich recht te houden. De hardcore uit de grote feesttent overstemde stampend zijn woorden zodat het meisje haar oor tot tegen zijn mond bracht.
“Kus me!” kreet hij nu in haar oorschelp. Meteen deinsde het meisje pijnlijk grimassend terug wijl ze over haar geteisterde oor wreef. Toch kuste ze hem onmiddellijk daarna vol op de mond. Hun beider lippen en tongen bespeelden elkaar meer dan een volle minuut zonder tussenpozen. Daarna maakte de jongen zich, enigszins naar adem snakkend en net iets te ruw, uit haar omhelzing los. Dat bracht het meisje aan het wankelen. Ze had reeds vier huisbereide cocktails achterovergeslagen en die kregen haar nu in hun greep.
“Laten we naar dat maïsveld gaan”, riep de jongen naar haar terwijl hij tabak op een vloeitje aan het schikken was. Met zijn hoofd maakte hij een knikbeweging richting het vijftig meter verderop gelegen veld.
“Waarom?” vroeg het meisje. Ze peuterde een sigaret uit haar verfomfaaide pakje Camel.
“Ik moet pissen.” Hij likte zijn sjekkie met een vloeiende beweging dicht en stak het tussen zijn lippen.
“Ik niet”, meesmuilde het meisje. Ze blikte hem, zo goed en zo kwaad als dat nog ging, brutaal in de ogen.
“Blijf dan hier. Ik moet.” Hij stak de brand in zijn sigaret en laveerde vervolgens naar het maïsveld. Na een tiental meter hielt hij halt, keek achterom en riep: “Kom je?”
Owkeej, ik kom al.” Haar zuchtend uitgesproken woorden bleven buiten het gehoor van de jongen, maar toch stak hij zijn duim naar haar op en waggelde daarna verder naar het maïsveld.

“Wat doe je?” vroeg het meisje toen ze uiteindelijk bij de jongen was aangekomen. Ze boerde luid en lachte vervolgens hardop.
“Ik ben die spin uit haar web aan het pissen.” Om zijn woorden kracht bij te zetten, begon hij hevig te heupwiegen. De urinedruppels spatten daarbij in het rond.
“Gètver, vuilak, je pist verdomme op je schoenen.” Ze deed een stap achteruit. De jongen minderde zijn bewegingen maar bleef plassen.
“Jij hebt heel de bar leeggezopen, zeker?” Opnieuw boerde het meisje luidop en weer moest ze daar vreselijk om lachen.
“Bwah. Een Leffe of tien. En twee Duvels. Maar pas op, ik ben niet zat, hè.”
“Nee, ik zie het.” Ze grinnikte. “Pff, ik anders wél al. Drie cocktails is mijn limiet. Ik heb er verdomme al vier binnen.”
De jongen was gestopt met plassen en ritste zijn jeans dicht. Toen hij zich naar haar wilde omdraaien, begon hij te wankelen. Het meisje zette een pas naar voor en sloeg haar arm om zijn schouders.
“Niet zat, zei je?”
“Nope, niet zat. Enkel wat, eh, in de wind.” De jongen nam het meisje bij de hand en trok haar in de maïs. “Kom.”
“Wat?” Ze hield hem staande met een ruk aan zijn arm.
“In de maïs zien ze ons niet, snap je?” Weer begon hij haar in het veld te dirigeren. Dit keer gaf ze, te dronken om zich nog veel te verzetten, toe en volgde ze hem.

“Er zitten hier toch geen beesten, hè?” Het meisje speurde enigszins onzeker in het rond. De volle maan liet de open plek midden in het maïsveld in een diffuus wit licht baden.
“Tuurlijk niet”, gaf de jongen haar zwaar zuchtend te kennen terwijl hij zich op zijn rug liet neervallen op een bussel platgestampte maïsstengels. Hij stak zijn beide armen naar het meisje uit. Ze glimlachte naar hem, nam zijn handen in de hare en vleide zich vervolgens naast hem neer.
De jongen draaide zich op zijn zij om haar gezicht te kunnen bekijken. Haar ogen waren gesloten.
“Je bent knap.” Zijn stem klonk allengs om onvaster.
“En jij lult”, suste ze hem.
De jongen liet zijn hand onder haar T-shirt glijden en begon haar borsten te strelen. Ze waren klein en stevig en dat beviel hem. Hij voelde haar tepels stijf worden.
Het meisje hield haar ogen gesloten, ook toen de jongen zich over haar heen boog om haar te kussen. Gretig zochten hun tongen elkaar. Al kussend ging de jongen op haar liggen en begon haar T-shirt omhoog te stropen.
“Mmmhf… wacht.” Ze duwde de jongen van zich af, ging rechtop zitten en met één vloeiende beweging gooide ze haar shirt af. Daarna knoopte ze haar bh’tje los. Ook de jongen trok zijn T-shirt uit.
Ze positioneerden zich op hun zij naast elkaar en lieten hun handen begerig over elkaars ontblote bovenlijf glijden. Nu en dan wisselden ze kussen uit, opgewonden hijgend. De jongen ritste haar jeans open en liet zijn hand in haar slipje verdwijnen. Ze omklemde zijn arm ten teken dat ze er niet klaar voor was. Het meisje trok de jongen bovenop zich, sloeg haar armen om zijn nek en plantte haar lippen stevig op de zijne. Ze voelde hoe hij stijf werd en steeds heviger met zijn bekken over het hare begon te schuren.
“Mag die broek niet…?” probeerde hij.
“Ssst”, suste ze hem. Haar mond zocht opnieuw de zijne.
Ineens plaatste de jongen zijn handen naast haar hoofd en richtte zich met een ruk op.
“Ik… Ik moet…” Hij ging rechtop zitten. Het meisje zag hem plots spastische buikbewegingen maken, alsof hij stuiptrekkingen kreeg. Meteen daarop spoot een armdikke straal gelig braaksel haar richting uit en bedolf haar ganse bovenlichaam. Ze zette het op een gillen en nog voor ze zich kon wegtrekken volgde er een tweede braakselstroom die haar buik warm maakte.

***

Hé, waar is Dieter eigenlijk?” Tom leunde op de tapkraan terwijl hij Kevin schreeuwend de vraag toewierp.
Kevin knipoogde. “Ik heb hem met Jolien in de maïs zien trekken. Die twee zijn zich kostelijk aan het amuseren.”
Tom knikte en glimlachte schalks. “Ik zal alvast maar een pint voor hem tappen. Hij zal ze kunnen gebruiken.”
Beiden lachten hardop en gaven elkaar een high-five.

Villa Poludica

“Onze interesse wordt niet aangewakkerd. De politiek wordt kleurloos bedreven en de beleidsmakers zijn verre van cool.”
Aldus twee jongeren uit mijn straat die zich zondag voor de allereerste keer naar het stembureau zullen begeven.
Het leek me zodoende wel leuk om voor dit sympathieke duo op een ludieke wijze wat ruimte op te offeren op Twaait:


[ Elio Di Rupo ]


[ Bart De Wever ]


[ Maggie De Block ]


[ Joëlle Milquet ]


[ Kris Peeters ]


[ Vincent Van Quickenborne ]


[ Filip en Mathilde ]

[ Via | aanklikbaar voor groter ]

Kunsttechniek

“Het is ongeveer op ware grootte geconstrueerd, schat ik. Niet?”
“Ik denk het wel. Maar je gebruikt het woord geconstrueerd. Betekent dit dat je het eerder kunde dan kunst vindt?”
“Hm. Beide, eigenlijk. Het is een kunstigere, zwierigere weergave van de realiteit maar tegelijkertijd komt het erg realistisch over. De kunstenaar heeft de werkelijkheid wellicht willen herinterpreteren. Alleen al het feit dat je er dwars doorheen kunt kijken, maakt het compleet afwijkend van het eigenlijke model waarop het gebaseerd is. Nu is het sierlijk, lieflijk en in veel mindere mate stoer. Dat is the real deal wél.”
Er volgde een stilte die alleen door de gemoedelijke regen werd doorbroken.
“Het lijkt wel kantwerk, maar dan van staal.”
“Ja, hè.”
“Maar vind je het ook mooi?”
“Het heeft zeker iets. En jij?”
“Ik vind het mooi, ja. Kom, ik neem wat foto’s. Sta je er eens naast als vergelijkingspunt? Anders komt de ware grootte op een foto niet over.”
“Dit miezerige weer past er wel bij. Vooral het wegroesten wordt erdoor in de verf gezet.”
“Het is eindig, zoveel is zeker. Maar dat zijn de echte dingen ook.”
“Misschien verwijst het toch nog iets teveel naar techniek in plaats van naar kunst.”
“Je kon wel eens gelijk hebben. Ik zou het in ieder geval anders hebben aangepakt.”
“Hoe dan?”
“Daar zal ik nog eens over nadenken.”
“Oké.”

[ Foto's: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter | locatie: Middelkerke ]